1 „Die Geburt der Tragödie” werd zeer heftig aangevallen door Wilamowitz-Möllendorf („Zukunfts-philologie! eine Erwidrung auf F. Nietzsche’s Geburt der Tragödie” Berlijn 1872); zij werd door R. Wagner verdedigd in een open brief aan Nietzsche die 23 Juni 1872 verscheen in de Norddeutsche Allgem. Zeitung (gereproduceerd in Ges. Schriften van Wagner, t. IX, 350) en door een der intieme vrienden van Nietzsche, Erwin Rohde (Afterphilologie-Sendschreiben eines Philologen an R. Wagner, 1872). Daarop antwoordde Wilamowitz zijne tegenstanders (Zukunft-Philologie! 2tes Stück. Eine Erwidrung auf die Rettungsversuche für F. Nietzsche’s „Geburt der Tragödie” Berlijn, 1873). ↑
2 Dagboek van 1865, en een brief van 1868 aan Erwin Rohde. Mevr. Förster-Nietzsche. Aangeh. W. D. I, 190, 211, 270. ↑
6 Die voorbereidende en aanvullende werken zijn in deel IX van de volledige werken, blz. 25 e. v., verschenen. De vergelijking tusschen die studieën en den definitieven tekst toont duidelijk aan, dat „Die Geburt der Tragödie” eigenlijk slechts een fragment is van een uitvoeriger werk dat Nietzsche voor oogen had en dat hij om verschillende redenen vereenvoudigd heeft. ↑
7 Een opgave van de cursussen en lezingen, die door Nietzsche te Bazel gehouden zijn, vindt men in het werk van Mevr. F.-N. I, 324. ↑
11 Nietzsche werd gaandeweg steeds vijandiger tegen Socrates; later zelfs zag hij in hem het type van den plebejer en den decadent, de volmaakte tegenstelling van den aristocratischen en van levenskracht overvloeienden Griek van het tragische tijdperk. Het nihilisme spreekt uit het oogenblik van zijn sterven als hij tot Creton zegt: „Ik ben Esculapus een haan schuldig,” want daarmee bekende hij het leven te beschouwen als eene ziekte en dus in den grond een pessimist te zijn ondanks zijn schijnbaar optimisme. Zie D. V, 264 en VIII, 63. ↑
23 Buiten de vier „Unzeitgemäszen”, die hij van 1873 tot 1876 uitgaf, ontwierp Nietzsche er nog tal van andere, die gedeeltelijk niet af zijn gewerkt en gedeeltelijk zijn overgegaan in „Menschliches Allzumenschliches”. In Deel X van zijne „Werken” vindt men schetsen voor de „Unzeitgemäszen”, getiteld: „Die Stadt”, „Der Weg zur Freiheit”, „Der Staat”, „Lesen und Schreiben” en eene zeer ver gedreven studie over „Wir Philologen” waarin reeds de kiem verschijnt van ideeën die later in Zarathustra tot ontwikkeling kwamen. ↑
26 Mevr. Förster-Nietzsche. I, 231. ↑
32 Brandes. Menschen und Werke. Frankfort, 1895, p. 139. ↑
35 Fragment einer Kritik der Schopenhauerischen Philosophie, aangeh. door Mevr. Förster-Nietzsche, I, 343. ↑
36 Ueber Wahrheit und Lüge im aussermoralischen Sinne.—Der Philosoph.—Die Philosophie im Bedrängniss. W. X, 161; zie ook pag. 204, enz. ↑
37 Brief van 11 Oct. 1866, aangehaald door Mevr. Förster-Nietzsche, I, 250. ↑
42 Zie het dagboek van 1888 (Ecce homo) aangeh. door Mevr. Förster-Nietzsche, II, 1, pag. 106 en 259. ↑