De Meester zeide: „Shoen! Hij was een wijs mensch! Shoen hield er van om anderen te vragen, en onderzocht (schijnbaar) oppervlakkige woorden. Het kwade (er in) verborg hij, het goede spreidde hij uit. Hij greep de twee uitersten, nam er het Midden (Choeng) van, en gebruikte dat (in de regeering). Daardoor was hij (juist) Shoen!”
In bovenstaande hoofdstukken wordt gezinspeeld op het feit dat Tao, en dus ook het bereiken van Choeng Yoeng, geen oogenblik uit het oog moet worden verloren, en de mensch altijd door, in waakzaamheid en vrees, op zijn gedrag moet passen. Alleen door niet-nadenken overschrijdt de goede mensch Choeng, en de domme komt er niet eens aan toe. Iedereen drinkt en eet, maar weinigen kennen den smaak, zóó ligt Choeng eveneens in al de dingen en daden van het leven, maar weinigen beseffen het, en denken niet om het gewicht van al die schijnbaar gewone acties en dingen.
Volgens gewoonte haalt Confucius hier een Wijze uit de Oudheid aan, keizer Shoen, die in de meest gewone woorden, in de benèden hem staande menschen toch door [88]het bepalen van het Midden het goede ontdekte, en dat ook aanwendde in de regeering.