[Inhoud]

Hoofdstuk XI.

1. De Meester zeide: „In duisternis te leven, en wonderen te doen opdat het nageslacht die zal vertellen, dit is, wat ik niet doe.

2. De Kiün Tszʼ gaat volgens den gang van [91]Tao, maar halverweg wijkt hij er van af; dit is, wat ik niet doe.

3. De Kiün Tszʼ voegt zich aan Choeng Yoeng. Ofschoon hij onbekend is, en de wereld hem niet ziet, voelt hij geen verdriet. Alleen de Wijze is hiertoe in staat.”

Hier is de toepassing van Kiün Tszʼ ietwat verward. Met den eersten, in No 2, bedoelt hij meer den gewonen, goeden mensch, met den tweeden den hoogeren Wijze.