1. De Meester zeide: „Tao is niet ver van de menschen.”
Als menschen Tao (trachten te) begaan, en ver gaan van de menschen, kan het (de ware) Tao niet zijn.
Confucius bedoelde, dat Tao begint met het instandhouden der vijf menschelijke betrekkingen of z. g. „Loen” (die van vader tot zoon, ouderen broeder tot jongeren broeder, vorst tot minister, man tot vrouw, vriend tot vriend, en omgekeerd). Tao, is reeds gezegd, ligt in het kleinste zoowel als in het grootste, en mag geen oogenblik verlaten worden. In den gewonen omgang der menschen, in al het menschelijke is Tao te betrachten. Wie Tao wil begaan buiten de menschen en het menschelijke om, heeft den waren Tao reeds verlaten.
2. De Shi King zegt: „In ’t hakken van een [95]bijl-handvatsel, in het hakken van een bijl-handvatsel is het model niet ver weg.” Wij grijpen één handvatsel om het andere te hakken, en (toch) als wij terloops van het eene naar het andere kijken is het of zij apart zijn. Daarom, de Kiün Tszʼ regeert de menschen naar wat aan menschen eigen is, en zoodra zij veranderen houdt hij op.
Heel duidelijk is mij dit bovenstaande niet. Legge teekent in zijne vertaling aan (maar zegt er eveneens bij „the object of this paragraph seems to be” enz.) dat Tszʼ Szʼ het volgende bedoelde: „De regel, om menschen te behandelen, volgens de principes van het Midden (Choeng) is nader tot ons dan de bijl in de hand tot dengene, die er mede uitgehouwen moet worden, en naar háár gemodelleerd. De tak is gehouwen en de vorm veranderd van den natuurlijken vorm. Niet zoo met den mensch. De verandering brengt hem slechts tot den gepasten staat. Men moet dadelijk met die behandeling ophouden als hij verandert.”
3. Als iemand tot het uiterste zijn eigen principes van de Sing verzorgt, en tegelijk beschouwt dat andere menschen zijn als hij, dan is hij niet ver van Tao. Wat gij niet wilt dat aan U zelven gedaan wordt, doe dat (ook) aan anderen niet. [96]
Hier hebben wij de karakters „chung” en „shoe”, waarvan ik in ’t begin van mijne „Inleiding tot de Filosofie van Confucius” heb gesproken. Zooals ik daarin reeds zeide, waren deze woorden niet met precies twéé equivalente hollandsche woorden te vertalen. Prof. Legge noemt „shoe” zeer juist „het principe van reciprociteit,” het beginsel van wederkeerigheid. Het eerste „chung” noemt hij „het zijn plicht doen met het oog op zich zelven.” Ik zal deze vertaling bijwijlen overnemen.
4. In Tao van den Kiün Tszʼ zijn vier dingen, die ik nog niet gekund heb: „Mijn vader te dienen zooals ik zou willen, dat mijn zoon mij diende, dat heb ik nog niet gekund. Mijn vorst te dienen, zooals ik zou willen, dat mijn minister mij diende, dat heb ik nog niet gekund. Mijn ouderen broeder te dienen, zooals ik zou willen, dat mijn jongere broeder mij diende, dit heb ik nog niet gekund. Mijn’ vriend ten voorbeeld zijn in behandeling, zooals ik zou willen, dat hij mij behandelde, dat heb ik nog niet gekund.” Ernstig in ’t betrachten der deugd, altijd er van sprekende met zorgzaamheid als hij in iets te kort schiet, durft (de Kiün Tszʼ) niet nalaten, zich in te spannen, (en) als hij in zijne woorden iets te veel heeft, durft hij ze niet allen [97]uit te putten (d. i. te spreken). Zoo correspondeeren zijne woorden met zijne daden, en zijne daden met zijne woorden. Is de Kiün Tszʼ dus niet geheel eerlijk en waarachtig?