[Inhoud]

Hoofdstuk XVI.

1. De Meester zeide: „Hoe overvloedig is de deugd, die de geesten ten toon spreiden!”

2. Wij zien naar hen uit, maar zien hen niet; wij luisteren naar hen, maar hooren hen niet. Zij zijn in alle dingen belichaamd. Er is niets zonder hen.

3. Zij maken, dat de menschen onder den Hemel eerbiedig zijn, zich rein maken, zich volmaken, aan hen onderworpen zijn, ten einde hun offeringen te brengen. Zij zijn overal in overvloed, en het is, of zij overal boven, en links en rechts zijn! [100]

4. De Shi King zegt: „Gij kunt niet zeker zijn (in ’t denken over) het komen der geesten; des te meer moogt gij er niet lichtvaardig over denken!”

5. Het waarachtige wezen van de manifestatie van het kleine, kunt gij maar zóó niet verbergen!

Confucius hield zich niet veel op met beschouwingen over geesten, dit blijkt uit al zijne gezegden. In de „Loen Yü” zegt hij o. a., dat men de geesten moet eeren, maar altijd op een afstand van hen blijven. Toen hij verder eens door zekeren Kie Loe (Zie „Loen Yü” Boek XI) werd gevraagd, hoe men de geesten moet dienen, antwoordde hij: „Terwijl gij niet in staat zijt menschen te dienen, hoe kunt gij dan hunne geesten dienen?”

Ik schaam mij niet,—waar zoo vele vertalers hier in twijfel waren, en o. a. Legge eerlijk verklaarde (van No. 2) dat de juiste bedoeling hier niet te bepalen is—te zeggen, dat ik van mijne vertaling niet zeker ben, noch van mijne uitlegging. Vooral weet ik niet zeker of hij de geesten van afgestorvenen bedoelt dan wel anderen. Geesten is in ’t chineesch „kwei shin”. Kwei is de geest, correspondeerende met het principe „Yin” (duister), „shin” is de geest, correspondeerende met het principe „Yang” (licht). Deze twee principes, Yin het vrouwelijke en Yang het mannelijke, zijn ontstaan uit het openscheuren van den Chaos, en alle menschen en wezens en dingen, alle leven, is ontstaan door het samenkomen van Yin en Yang. Als het leven sterft gaan Yin en Yang [101]weer uit elkaar. Daarom, ook kwei en shin zijn in alles wat leeft. De chineezen hebben een verbazende vrees voor „kwei shin,” maar weten eigenlijk zelf niet wat daarmede bedoeld wordt. Volgens dit hoofdstuk zouden zij in alles en allen zijn, altijd vlak bij en om en in de menschen, onzichtbaar. Men is nooit zeker, wanneer die van om ons heen bij ons zullen komen. Een oude chineesche literator, met wien ik over dit onduidelijke hoofdstuk—dat mij voorkomt te onpas in „Choeng Yoeng” te zijn opgenomen—sprak, gaf mij als zijne meening, dat het een voorzichtige twijfel en een fijne ironie uitdrukte. Confucius zou zelf wel eens aan het bestaan van „kwei shin” getwijfeld hebben, daar hij het voor zich zelf hierover nog niet eens was, geraden hebben, in elk geval respect voor hen te hebben „omdat men nooit kan weten”. En dan zouden No. 1 en 2 dien twijfel zeer fijn uitdrukken. Dit klopt ook wel met de boven aangehaalde gezegden uit de „Loen Yü”. Ook een der chineesche commentators in mijne editie zegt dat Confucius „lichtvaardig” van de „kwei shin” sprak.

Op dit hoofdstuk volgen weer eenige over oude vorsten en wijzen, en over familie en regeering.