Als er helderheid (van weten) is als gevolg van „Chʼing” is dat (uit de natuur van) de Sing. Als er „Chʼing” is als gevolg van helderheid (van weten) is dat (door de) Kiao, Leering. Als er „Chʼing” is, is er helderheid (van weten). Als er helderheid (van weten) is, is er „Chʼing”.
Hier vinden wij dus nog eens bevestigd, dat het resultaat hetzelfde is, of men, als de Wijze, al met Chʼing geboren is en het altijd van toen af heeft behouden, of wel, of men door studie en onderwijs de helderheid van weten verkrijgt, en daardoor „Chʼing.”
Het bovenstaande is het een en twintigste hoofdstuk. Tszʼ Szʼ noemt er de onderwerpen van Confucius „de Tao van den Hemel” en „de Tao van de menschen” in, in het vorige hoofdstuk [121]opgenoemd, en grondvest daarop zijne woorden. De twaalf volgende hoofdstukken zijn allen van Tszʼ Szʼ, en herhalen, verduidelijken en breiden uit de bedoeling van dit (een en twintigste).