[Inhoud]

Hoofdstuk XXII.

Slechts hij, die de opperste „Chʼing” heeft, kan zijn Sing tot den reinen staat volmaken. Kan hij zijn Sing tot den reinen staat volmaken, dan kan hij ook de Sing van andere menschen tot den reinen staat volmaken. Kan hij de Sing van andere menschen tot den reinen staat volmaken, dan kan hij ook de Sing van (alle) dingen tot den reinen staat volmaken. Kan hij de Sing van (alle) dingen tot den reinen staat volmaken, dan kan hij Hemel en Aarde helpen in ’t vervormen en voeden; dan is hij met Hemel en Aarde één orde van drieën.

Letterlijk staat er „kan zijn Sing uitputten (tsin).” De bedoeling is als in de vertaling. (Legge geeft „to give the full development to his nature” wat in den grond op hetzelfde neerkomt.)

Wij komen met dit hoofdstuk in de mystiek van de „Choeng Yoeng”, en het komt mij niet onwaarschijnlijk [122]voor, dat wij hier met filosofie enkel van Tszʼ Szʼ te doen hebben, die hier verder ging dan zijn meester Confucius.

Uit Hoofdstuk I van dit werk hebben wij gezien, dat de Sing is dat „wat de Hemel (als natuur) verleend heeft.” Goed leven is „volgen aan de Sing”, dus leven in Tao. Alle zonde en ongeluk ontstaat door bevlekking, verduistering van de Sing. Ik heb dus gemeend, hier „tsin” te moeten vertalen door „de Sing tot den reinen (oorspronkelijken) staat volmaken.”

Choe Hie zegt er bij „Het „tsin” van de Sing is, als de deugd reëel is.” En de deugd kan natuurlijk alleen reëel zijn, als de Sing volmaakt rein is. Hij, wiens Sing rein is, en die dus Tao begaat, is vanzelf helder-wetend en begaafd met de hoogste deugden. Zoo iemand zal door zijn voorbeeld en zijn moreelen invloed ook andere menschen kunnen verreinen. Niet alleen door de pogingen van zijne door menschenliefde gedreven wil, maar omdat—en hier hebben wij een ook in ’t boeddhisme voorkomend idee—omdat de macht van zijn deugd als een natuurlijke kracht is, van hem uitgaande, die transformeerend werkt. En nu komt het idee—ook reeds in de oude filosofie der Vedanta’s te vinden—dat alle dingen (dus niet alleen de menschen) in de creatie een Sing hebben. Choe Hie zegt er duidelijk bij, dat, ofschoon de vorm en het animale leven niet hetzelfde zijn „de Sing van (andere) menschen en dingen is ook mijn Sing.” De filosofie van de „Choeng Yoeng”, die tot nu toe angstvallig bij de meer enkel menschelijke dingen bleef, rijst [123]hier op tot de beschouwing van de allerhoogste orde der natuur.

Niet alleen verklaart Tszʼ Szʼ, dat menschen èn dingen de Sing hebben, maar ook, dat de volmaakte mensch—d. i. de mensch die zijn Sing onbevlekt puur in zich heeft—de gelijke is van den Hemel. In westersch begrip overgebracht, hij bevestigt „de goddelijkheid van den mensch en een mogelijke vereeniging met het goddelijke.”

Jammer alleen, dat hij de begrippen Hemel en Aarde niet nader omschrijft. (Wie omtrent de vereering van Hemel en Aarde meer wil weten, leze het Hoofdstuk „Eerste Maand, Negende Dag” in Prof. de Groot’s „Jaarlijksche Feesten en Gebruiken van de Emoy-Chineezen”.)

Verder zegt Tszʼ Szʼ, dat de mensch, wiens Sing in den reinen staat is, niet alleen andere menschen, maar ook alle dingen kan verreinen en tot hun hoogste volkomenheid brengen, aldus ageerende en influenceerende als de Hemel en de Aarde (de Natuur). En deze mensch is dan ook één met Hemel en Aarde. Deze chineesche drieëenheid heet „Saan Tsʼai”, de drie Schatten: „Hemel, Aarde, Mensch.” (Th’ien Ti Jen.)