Het is de natuurlijke eigenschap van de opperste „Chʼing” om (de toekomst) vooruit te weten. Zal een staat of eene familie bloeien, dan zijn er stellig goede voorteekenen. Zal een staat of eene familie ondergaan, dan zijn er stellig kwade voorteekenen. Een en ander is te zien aan het duizendblad en de schildpad, en het beweegt de [125]vier ledematen. Als geluk of ramp naderbij komt zal (hij, die „Chʼing” heeft) het goede stellig vooruit weten, en het kwade ook. Daarom, hij, die de opperste Chʼing heeft, is als een geest.
Dat de volmaakte mensch alwetend is, en de toekomst vooruit kan weten is een idee, dat men in oud-indische systemen van filosofie kan terugvinden, en niet zoo absurd is, als het oppervlakkig wel schijnt. Maar de wijze, waarop dit idee hier in de practijk wordt voorgesteld, n.l. door middel van wichelarij, is belachelijk, en geheel uit den toon van deze serie hoofdstukken.
Het duizendblad (volgens Wells Williams zou „Shʼ”, hier een chineesche, in Europa onbekende plant zijn, gelijkende op Anthemis of Ptormica Sibirica), en de schildpad worden gebruikt in de chineesche wichelarij. Met „de vier ledematen” worden bedoeld de vier pooten van de schildpad, die elk in een ander seizoen voor het wichelen dienen.