[Inhoud]

HET LEVEN VAN CONFUCIUS.

In den tijd van Confucius was China niet, zooals nu, één groot keizerrijk, verdeeld in door onderkoningen onmiddellijk aan den keizer onderdanige provinciën, maar het bestond uit verschillende staten, welker koningen en hertogen vrij wel oppermachtig waren in hun eigen land. De voornaamste van deze staten was Chow, gelegen in een gedeelte van de tegenwoordige provincie Honan. In ’t Noorden grensde het aan het machtige Tsin, bestaande uit de tegenwoordige provincie Shan Si en een gedeelte van Chihli; in ’t Zuiden aan Tʼsoe, en in ’t Oosten waren een aantal kleinere staten, waaronder Tsʼi, Loe, Wei, Soeng en Ching; en aan de Westzijde van de Gele Rivier was Tsʼin. Bij de stichting van de Chow dynastie, had koning Woe al die verschillende staten weten te brengen onder het beheer van zijne bloedverwanten, zijn aanhangers, en de nakomelingen der oude koningen. Zoolang koning Woe regeerde ging alles goed, en had Chow eene suprematie over de andere rijken, maar toen onder zijne opvolgers Chow zelf verzwakte, ontstond er tusschen de verschillende staten een eindelooze strijd. Toen Confucius [35]werd geboren, in 551 v. C., was China dan ook in een toestand van wanorde zooals nooit te voren geheerscht had. Hij leefde in het zwartste, ongelukkigste tijdperk van zijn land. Volgens oude schrijvers stamde hij af van keizer Hwang Ti (2637 v. C.), maar volgens de nieuweren leefde de stamvader van zijn geslacht in het begin van de Chow dynastie (1121 v. C.). Zijn vader was Shoeh Liang Heih, een militair mandarijn, om zijn dapperheid en kracht1 in dien tijd zeer beroemd. De eerste vrouw van Shoeh Liang Heih baarde hem geen zonen, waarom hij op zeventigjarigen leeftijd een andere vrouw nam, uit de familie Yen, genaamd Ching Tsai. Evenals bij de meeste geboorten van wijzen en goden, b. v. bij die van Lao Tszʼ en Kwan Yin, heeft men de geboorte van Confucius aan wonderen toegeschreven. Zoo wil men, dat Ching Tsai in een droom vijf oude mannen zag naderen, die een dier leidden, gelijkende op een kleine koe, met één hoorn, en bedekt met schubben, als een draak. Dit beest, een Kʼi Lin—een der vele wonderdieren uit de chineesche oudheid, als de draak, en de feniks—knielde voor Ching Tsai neder, en liet een juweel uit den bek vallen met de inscriptie: „De zoon van de essence van het Water zal de verdorrende Chowdynastie [36]opvolgen en een koning zijn zonder troon”. Ook werd Ching Tsai gezegd, naar een grot te gaan, genaamd „De holle moerbezieboom”. In den nacht, dat zij daar het kind baarde, hielden twee draken de wacht ter rechter- en linkerzijde en twee vrouwelijke geesten besprenkelden het kind met geurige wateren. Op den top van het hoofd had het kindje een bizondere uitgroeiing in vorm gelijkend op den berg Kʼioe waarom het „Kʼioe”2 werd genoemd. De geheele naam was Kʼioe Choeng Ni. De geboortedag was den 21en van de 10e maand van het 21e regeeringsjaar van den hertog Siang van Loe, d. i. het 20ste jaar van keizer Ling, of 551 v. C.

Confucius werd geboren in het district Tsow van den staat Loe, waar zijn vader Heih gouverneur van was. Deze plaats correspondeert ongeveer met het departement Yen Chow, in het tegenwoordige Shan Toeng. Van zijn eerste jeugd is weinig bekend. Uit een van hem geciteerd gezegde in het 2e hoofdstuk van ’t werk „Loen Yü” weten wij, dat hij op zijn 15e jaar met serieuze studie begon, en uit een ander, in het 9e hoofdstuk van dat werk, dat hij, toen hij jong was, ook wel in veel dingen bekwaam was, maar in ordinaire.

Toen hij 19 jaar was trouwde hij met een meisje van [37]de Kien Kwan familie, uit den staat Soeng, die hem een jaar daarna een zoon schonk. Hertog Chʼaou zond hem als felicitaties twee karpers. Daarom gaf hij dit kind den naam Li Poh Yu (Karper Visch primus). Het huwelijk van Confucius was zoo ongelukkig, dat hij ten laatste van zijne vrouw scheidde. Dit is een zeer vreemd geval als men weet, hoe ideaal hij zich in zijn geheele filosofie de betrekking tusschen man en vrouw voorstelde. Ook blijkt nergens iets van eene meer dan gewone gehechtheid aan zijn zoon. En toch was de Hiao—de ouderlijke en kinderlijke liefde—de basis, waarop hij de regeering van het geheele rijk wilde grondvesten. Door velen wordt de koelheid van Confucius tegen zijn zoon echter aan een bizondere, gereserveerde waardigheid toegeschreven.

Op zijn 20e jaar ging Confucius in eene officieele betrekking, en wel als bewaarder van de graanschuren, en één jaar daarna werd hij bevorderd tot opzichter over de publieke landerijen. Hij achtte deze ambten zelf niet bizonder hoog, en volgens Mencius zeide hij hieromtrent: „De ossen en schapen moeten vet en sterk en uitstekend zijn; dat is alles, waar ik voor heb te zorgen.” Op zijn 22e jaar ging hij uit den dienst, en werd een publiek onderwijzer. Dadelijk kreeg hij een groot aantal leerlingen. Hoe klein het salaris ook was, dat zijn pupillen konden geven, nooit weigerde hij zijn onderwijs. Maar met domme en onwillige leerlingen wilde hij niets te doen hebben, en hij zeide: „Ik open de waarheid niet voor een, die geen begeerigen ijver toont. Als ik één hoek [38]van een onderwerp heb aangetoond en mijn toehoorder kan daar de drie andere niet uit begrijpen, dan herhaal ik mijn les niet.”3

Dit laatste moet elke lezer van Confucius goed in het oog houden. Want bij de studie van de confucianistische werken is het veel meer wat er niet staat dan wat er staat, dat hij moet begrijpen. Confucius’ gezegden waren in de hoogste mate laconiek. Hoewel niet zoo sterk als bij Lao Tszʼ, vindt men in de gezegden van Confucius meer de hoofdwaarheden van zijne filosofie,—die dan ook gedrukt zijn,—dan den geheelen gecompliceerden gedachtengang van die filosofie zelve, dien men zich er bij moet denken. De lectuur der oude chineesche klassieken is niet, zooals b. v. die van Plato, een gewillig, oplettend volgen van eene in letters duidelijk te volgen logica, maar een voortdurend voelen naar de onzichtbare ideeën, achter de in de chineesche karakters uitgedrukte volzinnen.—Zóó bestaat het eerste hoofdstuk van het werk Choeng Yoeng slechts uit 109 chineesche karakters, waarin, of beter waarachter de geheele filosofie van dat werk in essence moet gevoeld worden. De andere hoofdstukken zijn slechts verduidelijkingen, maar het „diepe” zooals de chinees het noemt, de essence van alles, ligt in het eerste hoofdstuk. Zóó ligt ook de geheele filosofie van Lao Tszʼs „Tao Teh King” in de 59 karakters van het eerste hoofdstuk. Het lezen van chineesche klassieken is heel dikwijls daardoor een intuïtief [39]voelen, slechts geleid door enkele zekerheden en zichtbaarheden in de zoo uiterst weinige karakters. En uren aan uren eenzame studie zijn meestal noodig om de geheele portée te doorgronden van in weinige seconden op te lezen karakterreeksen. Een groote moeilijkheid is daarbij nog dikwijls, de zinnen behoorlijk af te ronden, die noch door komma’s, noch door punten zijn aangegeven, en waarvan de juiste rythmus enkel door het bewegen van de idee kan worden bepaald.

Toen Confucius 28 jaar oud was, leerde hij boogschieten, een in die tijden eervol bedrijf. Een jaar daarna kreeg hij lessen in muziek van den beroemden musicus Siang.

Daar hij altijd eene bizondere vereering had gehad voor de stichters der Chow dynastie, was het een zijner liefste wenschen, een reis naar den staat Chow te doen. Ten laatste kwam die wensch tot vervulling. De roem van zijne wijsheid was toen blijkbaar ver verbreid, want toen de hertog van Chow van zijn voorgenomen bezoek hoorde, zond hij hem een wagen met paarden. Twee dingen waren het, die hem tot Lŏ, de hoofdstad van Chow, zoo sterk aantrokken. Ten eerste, de studie van den regeeringsvorm, de inrichting der paleizen en den aard der ceremoniën van de oude keizers der Chow dynastie, en ten tweede de aanwezigheid in die plaats van Lao Tan, meer bekend als Lao Tszʼ, die daar bewaarder van het archief was.

Een bizonder curieuze gebeurtenis, die ontmoeting van de twee grootste mannen van de chineesche oudheid, die [40]de hoofden zijn van twee groote filosofische systemen, en zoo essentieel van elkaar verschilden! Zij geeft dan ook in de gesprekken, die de wijzen met elkander hielden, precies dat verschil aan.4 Confucius was opgetogen over wat hij in Chow zag, en na alles gezien te hebben riep hij uit: „Nú begrijp ik de wijsheid van den hertog van Chow, en hoe zijn huis eens tot het keizerschap kwam!” En aan zijn volgelingen zeide hij: „Zooals wij een glas gebruiken om de vormen der dingen te onderzoeken, zóó moeten wij de oudheid bestudeeren om het tegenwoordige te begrijpen.” In de zaal van den voorvaderlijken tempel was een metalen beeld van een man met drie krammen op den mond. Op de achterzijde daarvan was gegrift: „De ouden waakten over hun spraak, en evenals zij moeten wij praatzuchtigheid vermijden.” Toen keerde Confucius zich tot zijne discipelen en zeide: „Merkt dit op, mijne kinderen! Deze woorden zijn waar, en spreken tot onze rede”. Hij sprak ook veel over muziek met den Chow’schen geleerde Chʼang Wang, en men wil dat deze van hem gezegd heeft: „Ik heb bij Choeng-Ni menig kenteeken van een wijze opgemerkt. Hij heeft rivier-oogen en een draken-voorhoofd—de echte kenteekenen van Hwang Ti. Zijn armen zijn lang, zijn rug is als een schildpad, en hij is negen voet zes duim hoog—[41]de echte gelijkenis van Thʼang den gelukvolle.5 Als hij spreekt prijst hij de oude koningen. Hij gaat het pad der nederigheid en hoffelijkheid. Hij heeft van ieder onderwerp gehoord, en onthoudt met een sterk geheugen. Zijn kennis van dingen lijkt onuitputtelijk. Hebben wij niet in hem de rijzenis van een wijze?”

Hetzelfde jaar keerde Confucius terug naar Loe, waar hij spoedig een gevolg kreeg van drieduizend discipelen. Kort na zijn terugkomst brak een opstand uit. De drie clans van Kie, Shoeh en Meng, die vroeger onder elkaar gestreden hadden, vielen hertog Chaou van Loe aan (516 v. C.), die genoodzaakt was, naar het naburige rijk Tsʼi te vluchten. Confucius, die den hertog trouw was, en de wanorde in zijn land niet kon aanzien, volgde hem. In het werk „Kʼoeng Tszʼ Kia Yü” staat het volgende incident vermeld, dat voorviel op zijn reis naar Tsʼi: „Toen hij langs den grooten weg ging, ontmoette hij eene vrouw, die weende bij een graf, en, medelijden met haar gevoelende, zond hij zijn discipel Tszʼ Loe om naar de oorzaak van haar verdriet te vragen. „Gij weent of gij verdriet na verdriet hebt ondervonden.”—„Dat is ook zoo,” antwoordde de vrouw. „Mijn schoonvader is hier gedood door een tijger, en mijn man ook; en nu heeft [42]mijn zoon hetzelfde lot getroffen.” Toen vroeg Confucius: „Waarom gaat gij dan niet van deze plaats heen?”—„Omdat hier geen tyrannieke regeering is,” antwoordde de vrouw. Toen Confucius dat hoorde zeide hij tot zijne discipelen: „Mijne kinderen, onthoudt dit. Een tyrannieke regeering is woester dan een tijger.” In het boek Lí Ki, de Canon van het Decorum, wordt dit verhaal bevestigd.

In Tsʼi, waar een hertog, later koning regeerde, van wien Confucius later zeide: „hij had duizend spannen, elk van vier paarden, maar op den dag van zijn’ dood prees het volk hem om geen enkele deugd,” maar waar een eerste minister was van uitstekende bekwaamheid Gan Ying, werd aan het hof nog de muziek van den ouden, wijzen keizer Shoen6 gespeeld. Toen Confucius in Tsʼi aankwam, en die muziek hoorde, werd hij er zoo door aangedaan, dat hij in drie maanden geen vleesch kon eten.

„Ik had niet gedacht,” zeide hij, „dat muziek ooit zoo uitstekend als deze gemaakt kon worden.” De hertog King, die Confucius verscheidene malen raadpleegde, was zóó met hem ingenomen, dat hij hem de stad Lin-kjoe wilde geven, die rijke inkomsten opleverde. Confucius, die, blijkens het boven aangehaalde gezegde uit de „Loen [43]Yü”, weinig met den hertog ophad, sloeg dit geschenk af, en zeide tot zijne discipelen: „Een superieur mensch neemt alleen belooning aan voor door hem bewezen diensten. Ik heb advies gegeven aan hertog King, maar hij heeft er niet aan gehoorzaamd; en nu wil hij mij die stad geven! Hoe ver is hij er van, mij te begrijpen!”

Eens vroeg de hertog hem over regeering, en kreeg het merkwaardige antwoord: „Er is regeering als de vorst vorst is, en de minister minister; als de vader vader is, en de zoon zoon.”7 De hertog werd meer en meer met hem ingenomen, en wilde hem voorgoed aan zich verbinden, maar de minister Gan Ying bracht hem hier van af, zeggende: „Die geleerden zijn onhandelbaar en kunnen niet nagevolgd worden. Zij zijn trotsch en lekker met hun eigen inzichten, zoodat zij niet tevreden zijn met inferieure betrekkingen.” Hoewel de hertog in zijn hart Confucius meestal gelijk moest geven, vond hij het—zooals dat ook nú nog overal gaat—eigenlijk lastig, zulk een Mentor bij zich te hebben, en zeide: „Ik ben oud; ik kan deze leer niet gebruiken.”8

Toen keerde Confucius terug naar zijn vaderland Loe. Gedurende vijf jaren bleef Loe ten prooi aan bloedige oorlogen. Hertog Chaou bleef in Tsʼi, en na zijn’ dood kwam niet zijn rechtmatige erfgenaam, maar een ander lid zijner familie, genaamd Ting, in zijne plaats. Zijne [44]regeering beteekende weinig, daar de drie clans Kie, Shoeh en Meng doorgingen onder elkaar en met hunne onderhoorigen te vechten. Confucius ging gedurende die vijftien jaren niet in staatsdienst, maar wijdde zich geheel aan de studie van de „Shi King”, het Boek der Odes, en de Shoe King „Het Boek der Historie”, en aan het vormen van discipelen.

In het jaar 501 v. C. werd de orde nagenoeg hersteld, en toen aan Confucius de magistratuur van de stad Choeng-Toe werd aangeboden, nam hij haar aan. Dit was de eerste gelegenheid, die hij had, om zijne principes van eene ideale regeering in toepassing te brengen, en de resultaten waren schitterend. Hij nam afdoende maatregelen tot behoorlijke voeding van het volk, en voor de betrachting der ceremoniën voor de dooden. Aan ouden en jongen werd verschillend voedsel aangewezen, en de lasten voor oude en jonge koelies moesten verschillend zijn. Mannen en vrouwen moesten gescheiden gaan op straat. Iets, dat op straat was gevallen, werd niet opgeraapt. De binnenste doodkisten moesten vier duim dik zijn, de buitenste vijf. Graven moesten op hoogten gelegen zijn; er mochten geen wallen boven opgericht worden, en geen boomen er om heen. Op de markten was geen loven en bieden, maar één vaste prijs. Enz. Enz.

Binnen een jaar tijds was zijn naam hierdoor zoo beroemd, dat alle vorsten van de omliggende staten zijne maatregelen wilden overnemen. De hertog Ting, zeer verrast over den buitengewonen bloei van Choeng Toe, vroeg [45]aan Confucius, of op die manier ook het geheele land kon geregeerd worden. En Confucius antwoordde: „Wel zeker; en niet alleen de staat Loe, maar het geheele keizerrijk.” Toen werd hij bevorderd tot tweeden Superintendent van openbare werken, in welke betrekking hij zich bizonder onderscheidde op het gebied van agricultuur. Ten laatste werd hij minister van Justitie. Deze enkele benoeming was reeds voldoende, om de misdaad te vernietigen. Het was als in de gelukkige tijden van Yiau en Shoen. Er waren geen misdadigers, en de strafwet was overbodig. Dat Confucius een buitengewoon moedig man was, die den dood durfde trotseeren, toonde hij in 499. Er zou eene vriendschappelijke samenkomst plaats hebben tusschen de hertogen van Loe en Tsʼi, in het plaatsje Shih kʼi. Confucius was ceremoniemeester. Het doel van de samenkomst was het sluiten van een verbond. Maar de hertog van Tsʼi had een verraderlijken overval beraamd, en op een gegeven teeken viel een bende der halfwilde bewoners van Shih kʼi den hertog van Loe aan. Confucius had dit echter voorzien. Hij snelde toe, sprak den hertog van Tsʼi aan met zulke waardige woorden, dat deze vol schaamte zijne huurlingen terugriep, en slaagde er in, zijn’ vorst in veiligheid te brengen. Ten laatste kwamen, door Confucius’ wijze bemiddeling, de twee rijken toch nog tot een verdrag, waarbij Loe al de indertijd door Tsʼi veroverde landen terugkreeg.

Twee jaren bleef Confucius minister van Justitie. Hij was altijd zeer bescheiden, en schaamde zich niet, in [46]ernstige gevallen steeds de adviezen van anderen te vragen. Steeds was de publieke opinie met hem in al zijne uitspraken. Een beroemd geval, dat zich in die tijden voordeed, was het volgende: „Een vader bracht een aanklacht in tegen zijn’ zoon. Confucius liet daarop beiden in de gevangenis opsluiten. Toen men hem hierover interpelleerde, en men hem vroeg, waarom hij, die de Hiao (ouderlievendheid) als eerste deugd van den mensch noemde, den ontaarden zoon niet strenger strafte, antwoordde hij: „Als de meerderen (zelf) hun plicht niet doen en toch hunne minderen ter dood brengen, is dat onrecht. Deze vader heeft zijn’ zoon niet geleerd, om Hiao te hebben; als ik naar zijn aanklacht luisterde zou ik dus den onschuldige dooden. Misdaad is niet eigen aan de menschelijke natuur, en daarom zijn de vader van een gezin en de regeering van den staat verantwoordelijk voor de misdaden tegen de Hiao en de openbare wetten. Als een koning slordig is in het uitvaardigen van wetten, en dan absoluut straft naar de letter, dan speelt hij de rol van een zwendelaar; als hij de belasting willekeurig vergaart zonder waarschuwing te geven, is hij schuldig aan verdrukking; en als hij het volk ter dood brengt zonder het onderwezen te hebben, begaat hij een wreedheid.”

Het was dan ook Confucius’ hoofddoel, het volk te leeren en te onderrichten door voorbeeld, wijze lessen en rechtvaardige wetten. Bij het berechten van overtredingen bedacht hij altijd, dat de staat sedert zoovele jaren in [47]groote wanorde was geweest, en het volk dus geen gelegenheid had gehad tot leeren. Hij handhaafde den in China thans nog heerschenden regel: „In het maken der wetten kan men niet streng genoeg zijn, in hare toepassing niet zacht genoeg”. Hij stelde bovendien zich zelf altijd ten voorbeeld aan het geheele volk. Dit maakte hem bij velen gehaat, die dit verwaand en trotsch vonden, en dit was een van de redenen, waarom Lao Tszʼ hem niet bizonder hoog achtte, maar het had toch stellig zijn goede zijde. In de tegenwoordigheid van zijn vorst was hij vol eerbied en reverentie, ofschoon niet verlegen. Als hij voorbij den troon ging, al was deze ledig, bogen zijn beenen onder hem, en veranderde zijn gelaatskleur. Als hij den koninklijken schepter moest dragen, boog zijn lichaam, alsof het zulk een kostbaren last moeilijk kon dragen. Als hij ziek was, en de prins kwam hem bezoeken, lag hij met het hoofd naar het Oosten, in zijne staatsiekleederen, met den gordel. Als hem een gave in gekookt vleesch werd gegeven door zijn vorst maakte hij eerst zijn mat netjes in orde, en proefde éven van het eten; als het ongekookt was offerde hij het aan de geesten zijner voorvaderen; als het geschenk bestond uit levende dieren hield hij ze in leven.

In alles, tot in de kleinste bizonderheden van zijn leven handhaafde hij een statig decorum. Al zijne bewegingen waren om zoo te zeggen gestyleerd. En dit alles deed hij zeer stellig, opdat het volk het vooral zou zien. Een mensch, de drager van het principe van [48]den hemel, moest zich ook bewegen met waardige bewegingen en statige gebaren. Er is dan ook op de geheele aarde geen volk, dat zoo volleerd is in decorum als het chineesche. De studie van het chineesche decorum is eene studie apart, waar jaren voor noodig zijn.

De drie grootste oorzaken van de nog steeds niet geheel verbeterde wanorde in het rijk, telkens uitbrekend, waren de drie hoofden van de clans Kie, Meng en Shoeh. Eindelijk, door fijn beleid, en vooral gesteund door de raadgevingen van een zijner discipelen, Tszʼ Loe, slaagde Confucius er in, de steden Pe, van de clan Kie, en How, van de clan Shoeh, tot onderwerping te brengen. Tot op dien tijd waren deze steden als de onneembare kasteelen van roofridders geweest, waarin zij, na gepleegde wandaden, altijd een veilig toevluchtsoord vonden. Alleen Chʼing, de stad der Mĕngs, bleef zich verzetten.

Het geheele volk werd, ten tijde van Confucius’ regeering, ten goede veranderd. Trouw en vertrouwbaarheid werden de karaktertrekken der mannen, kuischheid en zachtheid die der vrouwen. De staat Loe werd zoo bloeiend en machtig, dat van heinde en ver vreemdelingen toestroomden om onder zulk eene gelukkige regeering te leven.

Ten laatste wekte de regeering van Loe de jaloezie en de bezorgdheid op van den hertog van het naburige Tsʼi. „Met Confucius aan het hoofd van het gouvernement,” zeide hij, „zal Loe de suprematie hebben over de staten, en Tsʼi, dat het dichtste bij is, zal opgeslokt worden. [49]Laten wij het gunstig stemmen door een afstand van territorium.” Maar een zijner ministers begreep, dat de hoofdzaak was, in Loe een breuk tusschen Confucius en hertog Ting te veroorzaken. De wijze, waarop dit werd beproefd, bewees, dat de Tsʼische minister een bizonder helderen blik en heel wat menschenkennis bezat. Tachtig mooie meisjes, bedreven in zang en dans, werden uitgekozen, en met honderd twintig van de beste paarden, die in het rijk konden worden gevonden, als een geschenk aan hertog Ting aangeboden. Zij werden eerst geschaard buiten de stad, en het hoofd van de zoo invloedrijke Kie familie ging vermomd uit om hen te zien. Bij het aanschouwen van zooveel schoonheid vergat Kie Hwan de wijze lessen van Confucius, en haalde den hertog om naar die tractatie te komen zien. Ook deze werd er door verbijsterd.

De vrouwen werden in de stad geleid, en hiermede was de wijsheid voorgoed verloren. In drie dagen gaf de hertog niet eens audiëntie aan zijne ministers.9

„Meester!” zeide Confucius’ discipel Tszʼ Loe, „het is uw tijd om te gaan.”

Maar Confucius kón het nog niet gelooven, dat zóó licht [50]zijne wijsheid door vrouwenlachen was verslagen, en hij hoopte, den hertog nog tot inkeer te brengen. Binnenkort zou namelijk de groote ceremonie van de offering aan den Hemel plaats hebben. Maar toen bij die plechtigheid hertog Ting in zijn haast om er doorheen te wezen op allerlei wijzen het decorum—de Lí—schond, zag Confucius in, dat het rijk was verloren. En aarzelend, met kleine passen, alsof hij nog telkens een afgezant wachtte om hem terug te roepen, ging hij heen.

Dit moet het groote tragische moment in Confucius’ leven zijn geweest, het moment, waarin de innigste, heiligste wijsheid van een mensch òf voorgoed uit elkander breekt tot starren dood, òf zich boven de misère van het leven eeuwiglichtend verheft, en gewijd wordt tot onsterfelijkheid.

En al ware de geheele filosofie van Confucius ééne absurde dwaling geweest—wat zij niet was—of één systeem van diep-verdorven slechtheid, dan zou hij nóg een groot man zijn geweest, een groote onder de grooten der wereld, omdat hij in dien merkwaardigen tijd, toen het werk, waaraan hij jaren en jaren had gearbeid, verloren ging, en hij eenzaam en vreemd stond in de koude wereld, die hem verguisde, en die hij groot had willen maken, tóch ook zelfs geen oogenblik aan zijn eigen zielewijsheid twijfelde, en zeer wèl doorzag, dat het onsterfelijke niet kon zijn verslagen door wereld en menschen. Dit sublieme geloof in de wijsheid van eigen ziel is het geloof van martelaren en heiligen, en in elken godsdienst, welke ook, gewijd en adorabel. [51]

Confucius bleef onwankelbaar in het geloof aan zijn leer. „Als eenigen onder de vorsten mij wilden gebruiken,” zeide hij, „zou ik in den loop van twaalf maanden iets belangrijks hebben kunnen doen, en in drie jaar zou de regeering volmaakt zijn.” Zijn discipel Tszʼ Koeng had al eens tegen hem gezegd: „Uw principes zijn uitstekend, maar zij zijn onaannemelijk (onuitvoerbaar) in het keizerrijk; zou het daarom niet goed zijn, ze wat te verminderen?”

„Een goed landbouwer,” antwoordde Confucius, „kan zaaien, maar hij kan geen oogst verzekeren. Een handwerksman kan uitstekend zijn in zijn handwerk, maar hij kan geen markt voor zijn goederen bezorgen. En op dezelfde wijze kan een Kiün Tszʼ zijne principes cultiveeren, maar hij kan ze niet aannemelijk maken.” („Shʼ Ki”.)

Toen Confucius Loe verliet ging hij naar den staat Wei (gelegen, waar nu de provincies Chih-li en Honan samenkomen). Hij was toen zes en vijftig jaar. Kiang Yoeng in zijn „Leven van Confucius” verhaalt, hoe hij zijne melancholie en zijn droefheid uitte in de volgende verzen:

„De wind huilt door de valleien; de motregen valt dik en snel. De jeugdige bruid gaat huiswaarts door de velden, omringd door de menigte. Hoe is het, o! azuren Hemel, dat ik aldus word voortgedreven, om door het land een weg te vinden, zonder vaste woonplaats? Duister, duister zijn de zielen der menschen! Woorden komen [52]vergeefs tot hun geslacht! Mijn leeftijd haast ten einde. Ouderdom verschijnt, troosteloos.”

Toen Confucius, vergezeld van een aantal zijner discipelen, in de stad Ie kwam, op de grenzen van Wei, kwam de grenswachter hun tegemoet en zeide, als vermeld staat in de „Loen Yü”, op troostenden toon: „Mijne vrienden, waarom zijt gij zoo bedroefd dat uw Meester zijn betrekking verloren heeft? Het keizerrijk is lang zonder Tao geweest; de Hemel gaat uw Meester gebruiken als een bel met houten tong.”

Toen Confucius in Wei kwam, werd hij goed ontvangen, kreeg huisvesting in de hoofdstad bij een’ mandarijn, en de regeerende hertog, die evenwel een bandeloos vorst was, gaf hem een vast inkomen van 60000 maten graan, hetzelfde dat hij in Loe had genoten. Hij bleef slechts 10 maanden, en wilde toen naar de staat Chʼin gaan. Confucius leek bizonder veel op den beruchten Yang Hoe, die indertijd rooftochten in het land had ondernomen, en toen hij in de stad Kʼwang in Kʼee Foeng kwam, werd hij voor dien vijand aangezien en door het verwoede volk aangevallen. Zijne discipelen waren zeer ontsteld, maar Confucius stelde hen gerust met de kalme woorden: „Was, na den dood van koning Wĕn, de waarheid niet hier in mij gehuisvest? Als de hemel had gewild dat deze zaak der waarheid zou te niet gaan, zou ik, een toekomstige sterveling, niet in zulk eene betrekking tot haar zijn gekomen. Als de Hemel de waarheid nog niet laat ondergaan, wat kan het volk van Kʼwang [53]mij dan doen?” Hij slaagde er dan ook in te ontvluchten. Dit incident gaf hem echter aanleiding, zijn reis naar Chʼin op te geven en naar Wei terug te keeren. Aldaar teruggekomen woonde hij bij den mandarijn Kioe Pih Yuh.

Hertog Ling had in dien tusschentijd een vrouw getrouwd uit het huis van Soeng, genaamd Nan Tszʼ. Deze vrouw, berucht als zij was om haar slechtheid en haar intrigues, was zoo verlangend Confucius te zien, dat zij hem bij zich liet ontbieden. Confucius weigerde haar verzoek niet, en bezocht haar. Volgens de regelen van het decorum was zij verborgen achter een scherm. Zijn discipel Tszʼ Loe was hevig verontwaardigd, dat Confucius zich met zulk een beruchte vrouw had afgegeven. In de „Loen Yü” staat vermeld, dat hij den Meester hierover interpelleerde. En Confucius antwoordde met den sedert beroemd geworden eed: „Indien ik hierin iets slechts heb gedaan, moge de Hemel mij vernietigen! moge de Hemel mij vernietigen!”

Confucius kon op den duur aan een hof als dat van Wei niet lang met behoud van zijn waardigheid blijven. Op zekeren dag reed de hertog met de vrouw Nan Tszʼ in ’t openbaar door de straten van de hoofdstad, en beval Confucius in een wagen achter hem te volgen. Het volk begreep dadelijk, wat de vorst hiermede bedoelde, en welke positie hij aan den wijze toekende, en het riep ontevreden uit: „Lust vóórop, en de deugd achteraan!” Toen was Confucius beschaamd, en hij zeide smartelijk: „Ik [54]heb nog niemand gezien, die de deugd even liefheeft als de schoonheid.”10

Toen zag hij in, dat hij niet in Wei kon blijven, en ging op weg naar Chʼin, een staat ten Zuiden van Wei. Op zijn gewone reizen vergat hij nooit, ceremoniën te verrichten. Zóó verrichtte hij eene ceremonie onder de schaduw van een pruimeboom op den weg in het staatje Soeng, dat hij door moest trekken. In Soeng leefde toen een mandarijn, Hwan Tʼoey, die reeds lang vijandig was aan Confucius en zijn leer. Deze zond nu een bende op hem af, om den boom te vellen en den wijze te dooden. De discipelen waren hevig verschrikt, maar Confucius bleef kalm, en sprak de schoone, later in de „Loen Yü” vereeuwigde woorden: „De Hemel heeft de deugd in mij voortgebracht; Hwan Tʼoey!—Wat kan hij mij (dan) doen?” Toch was hij met zijn discipelen genoodzaakt te vluchten naar den staat Chʼing, en in die vlucht werd hij van zijne discipelen gescheiden. Zijn discipel Tszʼ Koeng kwam vóór hem in Chʼing aan, en toen hij daar overal naar zijn’ Meester vroeg, antwoordde iemand hem, met de voor Confucius’ persoonlijkheid karakteristieke woorden: „Er was een man, staande bij de oostelijke poort, met een voorhoofd als Yaou, een nek als Kaou Yaou, zijn schouders even hoog als die van Tszʼ Chʼan, maar [55]beneden het middel drie duim lager dan de lengte van Yu, en met geheel en al het troostelooze voorkomen van een verdwaalden hond.” Tszʼ Koeng vond daarna zijn Meester spoedig uit, en toen Confucius hoorde, hoe hij was beschreven, had hij er veel pleizier over, en zeide: „De lichamelijke gestalte is maar een ding van weinig belang, maar te zeggen dat ik als een verdwaalde hond was—die is goed! die is goed!”

Ofschoon men hem in Chʼing niets in den weg legde, was de regeering volstrekt niet van plan hem te onderscheiden en te gebruiken. Na verloop van korten tijd, in 493 v. C., was Confucius weer in Chʼin. In Chʼin was het echter niet rustig, daar de troepen van den staat Woe daar gedurig invallen deden. Daarom besloot Confucius ten laatste maar weer naar Wei terug te gaan. Er is in zijn geheele geschiedenis, en ook aan sommige zijner gezegden in de „Loen Yü” te bemerken, dat hij een onverklaarbare voorliefde voor hertog Ling en den staat Wei had, niettegenstaande de vernedering, die hij daar had ondergaan. Hij had een soort idée fixe dat Wei door den hemel was voorbestemd om zijn modelstaat te worden, hoewel daar geen enkele reden voor bestond. Toch heeft hij tot op het laatste dat voorgevoel behouden, en hij is gestorven zonder er ook maar een schijn van verwezenlijking van te hebben gezien.

Wèl terecht zei hij dan ook eens van zich zelf: „Ik heb de getrouwheid van een hond, en als een hond word ik behandeld. Maar wat doet de ondankbaarheid der menschen [56]er toe? Zij zal mij niet beletten, al het goed te doen dat ik kan. Als mijne lessen onvruchtbaar blijven zal ik ten minste in mij zelf den troost hebben, dat ik trouw mijn plicht heb gedaan.”

Op zijn tocht naar Wei werd Confucius in de plaats Pʼoe tegengehouden en niet losgelaten, dan toen hij zijn woord gegeven had, nooit meer naar Wei te gaan. Dat hij een andere opvatting van een eed had dan de westersche bleek uit de woorden, die hij toen tot zijne discipelen sprak: „Het was een gedwongen eed. De geesten hooren dien niet.” Hij ging daarom toch door naar Wei. Hertog Ling ontving hem heel beleefd, maar luisterde evenmin naar hem als te voren.—In den staat Tsin was in dien tijd een opstand uitgebroken. De mandarijn Peih Heih had zich meester gemaakt van de stad Choung Mow, en verdedigde die tegen zijn wettigen heer. Peih Heih liet Confucius bij zich ontbieden, en hier werd hij voor ’t eerst aan ’t wankelen gebracht. Daar hij in Wei toch niet geapprecieerd werd, en geen verwezenlijking vond van zijn idealen, wilde hij dan maar naar den oproerigen Peih Heih gaan, bij wien hij zeker was, waardeering en voldoening te vinden. Had hij aan zijn plan gevolg gegeven, dan zou hij zijn eigen principes verzaakt hebben. Maar hij zelf had indertijd aan zijn discipelen geleerd, dat de leerling, die vóór alles eerbied en gehoorzaamheid was verschuldigd, toch verplicht was, hem, waar noodig, gepast op zijne fouten te wijzen, en Tszʼ Loe redde hem. Hij zeide tot zijn Meester: „Meester, ik heb u hooren [57]zeggen, dat als een man in eigen persoon schuldig is aan kwaad doen, de Kiün Tszʼ niet met hem kan samengaan. Peih Heih is in rebellie; wat zal men er van zeggen, als gij tot hem gaat?”

En in het antwoord van Confucius was al de opgekropte teleurstelling van zijn leven: „Ja, die woorden gebruikte ik. Maar zegt men niet, dat als een ding werkelijk hard is, het gemalen kan worden zonder fijn te worden; en dat als het werkelijk wit is, het in een donkere vloeistof kan gedompeld worden zonder zwart te worden gemaakt. Ben ik een bittere pompoen? Moet ik ergens langs den weg worden opgehangen zonder gegeten te worden?” („Loen Yü”.)

Maar het eind er van was, dat hij zijn drogreden inzag, en niet naar Peih Heih ging.

In Wei ging het hem maar niet beter. Hertog Ling raadpleegde hem nooit in zaken, waar hij zoo gaarne in wilde gekend worden, maar altijd over krijgskunde. In de „Loen Yü” (Boek XV) wordt verhaald, hoe hij daarom Wei weer verliet:

„De hertog Ling van Wei vroeg Confucius over tactiek. Confucius antwoordde: „Ik heb alles gehoord (ik weet alles) van offervazen, maar militaire zaken heb ik niet geleerd.” Hierna aanvaardde hij den volgenden dag zijn vertrek.”

De staat waar hij nu weer heentrok was Chʼin. Confucius was toen zestig jaar. Hij bleef niet lang in Chʼin, ziende dat men hem daar evenmin waardeerde. [58]

In zijn vaderland Loe, waar hij sinds al die jaren niet was terug geweest, was intusschen èn hertog Ting èn het machtige hoofd van de Kie clan, Kie Hwan, gestorven. Kie Hwan, die indertijd Confucius verloochend had, door de van Tsʼi gekomen vrouwen niet terug te zenden, maar er den hertog mede had doen verleiden, voelde op zijn sterfbed berouw, en droeg zijn opvolger Kie Kʼang op, om Confucius terug te roepen. Ware dit gebeurd, dan zou Confucius zijn vaderland ten laatste nog groot hebben gemaakt, maar Kie Kʼang, naar den raad van een zijner mandarijnen luisterend, zond niet om Confucius zelf, maar om Yen Kʼioe, een zijner discipelen. Confucius, verlangende naar zijn vaderland, en wetende dat Yen Kʼioe nog niet ver genoeg was om eene goede regeering te leiden, riep smartelijk uit: „Laat mij terugkeeren! Laat mij terugkeeren! De kleine kinderen van mijn school zijn te wild en onbezonnen. Zij zijn wèl volmaakt volleerd in de schoone kunsten, maar zij weten zich niet te verbeteren en te vormen.” („Loen Yü”.)

In 490 v. C. ging hij weer uit Chʼin naar Tsʼae, een klein staatje, afhankelijk van het rijk Tsʼoe. Die reis is vol kommer en gebrek geweest, en eens was zijn voorraad levensmiddelen geheel op. Zijn discipelen waren geheel op van vermoeienis en Tszʼ Loe riep uit: „Moet de Kiün Tszʼ werkelijk zóó (ellende) verduren?” Maar waardig antwoordde Confucius: „De Kiün Tszʼ kan werkelijk gebrek te verduren hebben, maar de kleine mensch, als hij in gebrek is, geeft zich over aan toomelooze buitensporigheid [59](„Loen Yü). In de „Kʼoeng Tszʼ Kia Yü” staat vermeld, dat deze ellende zeven dagen duurde, en Confucius al dien tijd even waardig bleef, ja zelfs vroolijk was, op zijn luit speelde en zong.

Hij bleef ongeveer een jaar in Tsʼae, en trok toen naar Shie, een ander district van Tsʼoe, waar de district-mandarijn den titel van hertog had aangenomen. Deze hertog, niet wetende wat hij van zijn’ vreemden bezoeker moest denken, informeerde naar hem bij Tszʼ Loe. Toen Confucius later hoorde, dat Tszʼ Loe niet had durven antwoorden, zeide hij: „Waarom zeidet gij niet: hij is een man, die in zijn ijverig zoeken (naar wijsheid) zijn voedsel vergeet, die in de vreugde (van het verkrijgen) zijn smart vergeet, en niet bemerkt dat de ouderdom naderende is?” („Loen Yü”.) De hertog vroeg Confucius over regeering, en kreeg weer een zijner typische, kernachtige antwoorden: „(Er is een goede regeering als) zij die nabij zijn gelukkig zijn en zij, die ver zijn, komen (worden aangetrokken).”

Van Shie ging hij weer terug naar Tsʼai. Op dien terugtocht had Confucius twee ontmoetingen, die in de „Loen Yü” (Hoofdstuk 18. No 5) zijn vereeuwigd, en waarin hij, niet voor den eersten keer, vermaand werd om zijn hopelooze pogingen op te geven. Ik vertaal daarom deze ontmoetingen hieronder:

„De krankzinnige van Tsʼoe, Tsieh Yü,11 ging zingende [60]voorbij Confucius: „O Feniks! O Feniks! Hoe is uw deugd zoo vergaan? Wat verleden is kan u niet meer vermaand worden, maar voor de toekomst kan gezorgd worden. Houdt op! Houdt op! Wie nu aan de regeering meedoen loopen gevaar.”

Confucius steeg uit en wilde met hem spreken. Maar (Tsieh Yü) ging ijlings weg, zoodat hij niet met hem kon spreken. Onmiddellijk hierop volgt in de „Loen Yü” de volgende ontmoeting, waarin hem ongeveer hetzelfde werd gezegd:

„Chʼang Tsü en Kieh ’Neih waren aan ’t werk op het veld. Confucius ging voorbij en stuurde Tszʼ Loe op hen af om naar het veer te vragen. Chʼang Tsü zeide: „Wie is het, die den wagen daar bestuurt?”—Tszʼ Loe zeide: „Het is Kʼoeng Kʼioe.”12—„Kʼoeng Kʼioe van Loe?” (vroeg Chʼang Tsü).—„Die is hij” (zeide Tszʼ Loe).—„Die weet het veer wel.” (was het antwoord.)13

„Toen vroeg (Tszʼ Loe) aan Kieh Neih. Kieh Neih zeide: „Wie zijt gij?”—„Ik ben Choeng Yioe”14 (was het [61]antwoord).—„Zijt gij niet de discipel van Kʼoeng Kʼioe van Loe?” (vroeg de andere).—„Dat ben ik” (antwoordde Tszʼ Loe). (Waarop Kieh Neih) zeide: „Het geheele rijk is (in wanorde als) een zwellende stroom en wie zal dat veranderen? En dan volgt gij nog wel een Meester, die (van de eene plaats naar de ander trekkend telkens verschillende) menschen ontwijkt! Deed gij niet beter met degenen na te volgen, die zich geheel hebben teruggetrokken van de wereld?”15 (Daarna) bedekte hij het zaad en hield niet (weder) op.

Tszʼ Loe ging het aan Confucius vertellen. Deze zeide, met een zucht: „Ik kan niet met vogels en beesten in eenzelfde kudde (of vlucht) zijn. Als ik niet samenga, met deze menschen (het volk), met wien dan? Als er recht in het rijk was zou ik het niet (behoeven te) veranderen.””

De koning van Tsʼoe, die veel van Confucius gehoord had, liet hem ten laatste bij zich ontbieden. Het scheen wel, of nu eindelijk de uitvoering van Confucius’ plannen nabij was, want de koning, die hem eerst als raadsman had gebruikt, wilde hem zelfs een eigen grondgebied geven. Zijn eerste minister bracht den koning echter van dit voornemen af, door hem te doen gelooven, dat een staat in den staat met zulke uitstekende ministers en mandarijnen als Confucius’ discipelen en zulk een [62]hoofd als Confucius gevaarlijk voor Tsʼoe zou worden. Hierdoor argwaan gekregen hebbend, hield nu de koning geheel op, den wijze om advies te vragen. Toen kort hierop de koning stierf wilde Confucius niet langer in Tsʼoe blijven, en ging weer naar Wei. Daar was sinds Confucius’ laatste verblijf veel veranderd. Hertog Ling was gestorven, en zijn kleinzoon Chʼoeh had de regeering geüsurpeerd en moest die verdedigen tegen zijn eigen vader, Ling’s zoon. Dit was wel het ergste, wat, volgens Confucius’ eigen leer, kon gebeurd zijn, want geen ouderlievendheid hebben was de grootste zonde die maar mogelijk was. Geen wonder dan ook dat Confucius, toen Chʼoeh hem als raadsman bij zich liet roepen, die betrekking weigerde, ofschoon Chʼoeh in dezen zijn grootmoeder Nan Tszʼ had geholpen, die door haar zoon, dus zijn vader, bijna vermoord was. Welk een toestand voor Confucius in zijn vaderland! Een zoon, die getracht had, zijn eigen moeder te vermoorden, en een zoon, die met zijn grootmoeder oorlog voerde tegen zijn’ vader en onrechtmatig den troon in bezit had genomen! En dat nadat hij zooveel jaren en jaren zijn leer had verkondigd!

Hij bleef toen vijf jaren in Wei zonder betrekking. In het eerste jaar stierf zijn meest geliefde discipel Yen Hwoey.

Toen hij stierf riep Confucius zuchtend uit: „De Hemel verlaat mij! De Hemel verlaat mij!” Hij had gedacht, dat na zijn’ dood Yen Hwoey zijn leer zou verspreiden, dien hij voor de beste zijner discipelen hield, en toen hij [63]nu stierf, was hij bang, dat zijn principes niet zouden overgeleverd worden. Zijne discipelen wilden Yen een schitterende begrafenis geven, maar Confucius hechtte zóó aan de Lí (’t Decorum) dat hij dit verbood, omdat Yen, die uit eene arme familie was, daar geen recht op had. Confucius, oud als hij nu was, zou toch niet sterven, vóór zijn vaderland te hebben teruggezien. In 483 werd hij, op aanraden van zijn daar vertoevenden discipel Yen Yioe, teruggeroepen. Yen Yioe had zich namelijk zeer verdienstelijk gemaakt in een oorlog tegen Tsʼi en toen hij aan Kie Kʼang had verklaard, dat hij ook zijne militaire bekwaamheden aan Confucius had te danken, besloot Kie hem terug te doen roepen. De regeerende hertog zelf, toen Ngai, nam hiertoe het initiatief. Confucius was toen 69 jaar. Hoewel hij nu met de grootste voorkomendheid aan het hof werd ontvangen, nam hij toch geen deel aan de staatszaken. Hij hield zich verder uitsluitend bezig met literairen arbeid, het bestudeeren en bewerken der Shoe King (Canon der Historie) en de Shi King (Canon der Poëzie); voor de eerste schreef hij een voorrede. Maar zijn geliefkoosde studie was de Yih King. „Als nog eenige jaren bij mijn leven werden gevoegd, zou ik er vijftig wijden aan de studie van de Yih King en dan zou ik misschien zonder groote fouten komen te zijn.”

Ook gaf hij aan den filosoof Tseng Sin de gegevens voor de Hiao King, het later klassiek geworden Boek der Ouderlievendheid. [64]

In het voorjaar van 480 v. C. werd op een jacht een vreemd dier gevangen, dat niemand nog ooit gezien had. Toen het voor Confucius gebracht was, zag hij dat het een „kʼi lin” was, hetzelfde dier, dat bij zijne geboorte aan zijne moeder was verschenen, en het droeg dan ook op zijn hoorns het stuk lint, door zijn moeder indertijd daarop gehecht.

Toen wist hij, dat zijn einde nabij was en hij riep uit:

„Dit is het einde van mijn Leer!16 Dit is het einde van mijn Leer!” Toch stierf hij niet onmiddellijk na de verschijning van de „kʼi lin” maar bleef hij nog twee jaar in het leven. In dien tijd hield hij zich druk bezig niet zijn werk „Chʼoen Chʼioe,” Lente en Herfst (annalen), het eenige, dat hij zelf geheel en al heeft geschreven. Al de andere confucianistische werken heeft hij wel gezegd, in gesprekken en leeringen aan zijn discipelen, maar zijn niet door hem nedergeschreven. Hij zeide van de „Chʼoen Chʼioe”: „Het is de Chʼoen Chʼioe, die zal maken, dat de menschen mij kennen en het is de Chʼoen Chʼioe, die zal maken, dat de menschen mij veroordeelen.” En Meng Tszʼ (Mencius) getuigde later: „Confucius voltooide de Chʼoen Chʼioe, en oproerige ministers en slechte zonen waren geslagen van angst.”

De „Chʼoen Chʼioe” kan opgevat worden als een vervolg op de Shoe King, en bevat de geschiedenis van [65]Loe (Confucius’ geboortestaat) in verband met die der andere staten onder Chow, van 722–484 v. C. Het moet wèl hard voor hem zijn geweest, die geschiedenis van verval en verwarring te schrijven, hij, die zelf zulke droomen van een ideaal-staat had. Voor den liefhebber der historie is zijn werk zeer gewichtig, maar voor het begrijpen zijner filosofie kan het evengoed gemist worden. Ook durfde hij er niet de volle waarheid in zeggen. Nog slechts éénmaal trachtte Confucius invloed op de regeering uit te oefenen, toen de hertog van Tsʼi door een zijner ambtenaren was gedood, en hij den hertog van Loe bezwoer, deze daad te wreken. Deze poging bleef echter zonder gevolg. In 479 ontviel hem zijn trouwe discipel Yen Yioe, of Tszʼ Loe. Toen Confucius uit Wei naar Loe was gegaan, had hij Tszʼ Loe met een anderen discipel, Tszʼ Kaou, daar achtergelaten, waar dezen een ambt hadden gekregen. Confucius had vroeger al voorspeld, dat Tszʼ Loe, de dappere, nog eens zou worden gedood. „Yioe daar! Hij zal geen natuurlijken dood sterven!” is een zijner gezegden uit de „Loen Yü”. Toen er later in Wei een opstand uitbrak en de zaken hopeloos stonden, wist Tszʼ Kaou te ontvluchten. Tszʼ Loe wilde den vorst niet in het ongeluk verlaten, die hem zoo onderscheiden had, en kwam om in den strijd.

Op zekeren morgen voelde Confucius zich ziek, en ging voor zijn deur zitten. Tszʼ Koeng kwam bij hem en hoorde hem zuchtend de sinds beroemd geworden woorden spreken. „De groote berg valt in puin. De [66]stutbalk breekt. De wijze sterft weg als een plant.”

Zooals te verwachten was van iemand als Confucius, die zijn geheele leven lang het Decorum zoo hoog had gehouden, waren zijne laatste beschikkingen over de „Li” die men bij zijn’ dood moest in acht nemen: „Volgens de (regelen der) menschen van de Hia dynastie werd het lijk gekist op de westelijke trappen, volgens die der Chow dynastie op de oostelijke trappen, volgens die der Yin dynastie tusschen de twee pilaren. Gisteren nacht droomde ik, dat ik met offeringen voor mij tusschen de twee pilaren zat. Ik ben van ’t begin af een man van Yin geweest. Zeven dagen daarna stierf hij” („Shʼ Ki”).

Zijn dood was op den 11en dag van de 4e maand van 478 v. C.17 acht jaar vóór de geboorte van Socrates. Hij was toen 71 jaar.

Uit dit verslag van zijn levensloop, zooals wij dien vooral uit Kiang Yoeng’s Leven van Confucius en Szʼ Ma Tsʼien’s „Shʼ Ki” met nauwkeurigheid kunnen nagaan, blijkt duidelijk, dat zijn leven ééne teleurstelling is geweest, ook zijn huiselijk leven. Hij trok van land tot land, en werd overal afgewezen. Wèl deed zijn treurig leven hem dikwijls wanhopige uitroepen doen als: „Ik ben toch geen rhinoceros of geen tijger, dat ik zoo in ’t wild moet leven. Mijn Leer is toch niet ontaard, waarom moet het dan zóó met mij zijn!” („Shʼ Ki”), maar meestal [67]bleef hij sterk, en rees hij boven zijn smart op. En dan liet zijn hooge berusting en wijze zekerheid hem grandioze woorden zeggen, die zouden vereeuwigd worden, en meer dan tweeduizend jaren daarna nog door een volk van honderd millioenen met eerbied aangehoord uit zijne werken: „Ik murmureer niet tegen den Hemel. Ik toorn niet op de menschen. Laag begint mijn studie en hoog doordringt zij den Hemel. Wie mij kent, dat is de Hemel.” („Shʼ Ki” en „Loen Yü”.)

Dat zijn Leer geen opgang maakte was omdat zij veel te hoog was voor den ellendigen toestand van het rijk en zijne tijden eeuwen vooruit was. Wèl voelde dit zijn discipel Yen Hwoey toen hij zeide: „Als de Tao niet begaan wordt is dat mijn schande. Maar als de Tao eenmaal begaan is en het niet wordt gebruikt (reeds dat voorbeeld hebbende) is dat de schande van de wereld” („Shʼ Ki”). En dat zijne discipelen zulk een onbegrensd geloof in hem hadden, dat zij het eene onmogelijkheid achtten, dat Tao werd begaan zonder in Confucius het voorbeeld te eeren, blijkt uit het gezegde van Tszʼ Koeng: „Lang kan Tao niet begaan worden in het rijk, want men kan den Meester niet vereeren!” („Shʼ Ki”.)

Confucius werd begraven aan de oevers van de rivier Szi, ten Noorden van Loe. Een zijner discipelen plantte op zijn graf den boom „kiai”. Een tronk van dezen boom is nog blijven staan, en een teekening van deze reliquie is onmisbaar geworden in de studeerkamer van literati. Zijne discipelen droegen drie jaren rouw voor hem. Zooals [68]het met alle groote mannen is gegaan, ging het ook met Confucius. Men wacht slechts op hunnen dood om hen te vereeren en te verafgoden.

Hertog Ngai van Loe, die Confucius nooit de volle eer had bewezen die hem toekwam, besefte na zijn dood op eens wat hij in hem had verloren, en riep uit: „De Hemel heeft den ouden man niet aan mij gelaten! Nu is er niemand om mij op den troon te steunen. Wee mij! Helaas! O eerwaardige Ni!”

Wat wij van Confucius’ wijsheid overhebben is, zoo als ik reeds zeide, alleen wat de „Chʼoen Chʼioe” en de voorredes en bewerking der „Kings” aangaat van zijne eigen hand.

De drie voornaamste werken, waarin zijn leer zuiver is bewaard zijn 1o de „Choeng Yoeng”, dat gewoonlijk, doch niet geheel correct met „De Leer van het Midden”, „Het Gouden Midden”, „Het Onveranderlijke Midden” enz. wordt vertaald, 2o de „Ta Hiŏh”, vertaald met „De Groote Leering”, en 3o de „Loen Yü”, of Confucianistische Fragmenten.”18

De „Choeng Yoeng” is geschreven door Confucius’ kleinzoon, dus Li’s zoon, genaamd Kʼoeng Keih, doch gewoonlijk bij zijn studienaam Tszʼ Szʼ genoemd. Deze Tszʼ Szʼ had van jongs af aan veel van zijn’ grootvader [69]geleerd, en het volgende incident doet zien, dat Confucius veel hoop op hem gevestigd had, en als een voorgevoel had, dat door hem zijn leer zou worden vereeuwigd:

Eens, toen Tszʼ Szʼ alleen met zijn’ grootvader was, en hem hoorde zuchten, vroeg hij hem, na driemaal te hebben gebogen: „Is het omdat gij denkt, dat uwe afstammelingen, door hun karakter niet te verzorgen, u onwaardig zullen zijn? Of is het, dat gij in uwe bewondering voor de wegen van Yaou en Shoen bedroefd zijt, dat gij er in te kort komt?”—„Kind,” antwoordde Confucius, „hoe kent gij zoo mijne gedachten?”—„Ik heb dikwijls van u de les gehoord,” zeide Tszʼ Szʼ, „dat als de vader het brandhout heeft verzameld en bereid, en de zoon den bundel niet kan dragen, die zoon ontaard en onwaardig wordt verklaard. Die opmerking heb ik dikwijls in mijne gedachten, en vervult mij met vrees.” Toen zeide Confucius verheugd, met een glimlach: „Nu behoef ik voorwaar niet meer bezorgd te zijn. Mijn onderneming zal niet op niets uitloopen. Zij zal worden voortgezet en bloeien.”

De toekomst heeft geleerd, dat Tszʼ Szʼ inderdaad den bundel heeft gedragen.

Na Confucius’ dood werd Tszʼ Szʼ een leerling van Tseng. Hij leefde in groote armoede. Alleen graan wilde hij aannemen als men hem wilde helpen, maar wijn en andere weelderige spijzen weigerde hij. Er wordt van hem verhaald, dat hij eens in dertig dagen slechts negen maaltijden gebruikte. Hij droeg schamele kleeren, en [70]toen men hem een pels aanbood, wees hij dien af. Eigenaardig is het, dat ook hij, evenals zijn grootvader, in zijn huiselijk leven zeer ongelukkig was, en zich ten laatste van zijne vrouw liet scheiden. In tegenstelling met het lot, dat zijn’ grootvader trof, was hij overal in hoog aanzien, en werd hij in Loe, zoowel als in Wei, Soeng en Pie met groote eer ontvangen. Zijn eenvoud en armoede behield hij echter trouw. Dat hij een democraat was in den grond van zijn hart en tegen de vorsten rond voor zijne meening uit durfde komen, blijkt uit het volgende geval, waaruit men tevens kan zien, hoe hij de beginselen van zijn’ grootvader wist te handhaven.

Toen de hertog van Wei hem bedankte voor de eer, dat hij uit Loe naar hem toe was gekomen en hem verzocht, hem met raad en daad van dienst te zijn, sprak hij:

„Als ik uw vorstelijke gunst zou willen winnen met geld en zijde, dan zouden uwe schatkamers er toch reeds vol van zijn, en ik ben arm. Als ik haar zou willen winnen met goede woorden, ben ik bang dat zij niet met uwe ideeën zouden strooken, zoodat ik tevergeefs zou spreken en niet aangehoord worden. De eenige wijze om haar te winnen is om menschen van waarde onder uw’ aandacht te brengen.” De hertog zeide: „Menschen van waarde is juist wat ik hebben moet.”—„Maar,” zeide Keih (Tszʼ Szʼ) „gij kunt ze niet apprecieeren.”—„Ik zou toch wel willen weten wien gij denkt dat dien naam (mannen van waarde) verdienen,” zeide de hertog. Tszʼ Szʼ antwoordde: „Wilt gij uwe ambtenaren kiezen om [71]den naam dien zij hebben of om hun werkelijke waarde?”—„Natuurlijk om hun werkelijke waarde,” antwoordde de hertog. Toen zeide zijn gast: „Op de oostelijke grenzen van uw staat is een zekere Lie Yin, die een man van werkelijke waarde is.”—„Wat waren zijn grootvader en zijn vader?” vroeg de hertog. „Zij waren landbouwers,” was het antwoord; waarop de hertog in luid lachen uitbarstte en zeide: „Ik houd niet van het landbouwvak. De zoon van een’ landbouwer kan niet geschikt voor eene betrekking zijn. Ik geef zelfs niet al de jongeren van families wier ambten erfelijk zijn, eene betrekking.” Tszʼ Szʼ merkte op: „Ik noem Lie Yin om zijne bekwaamheden; wat heeft het feit, dat zijne voorvaderen landbouwers waren, te maken met dit geval? En bovendien was de hertog van Chow een groote wijze en Kʼang Shoeh een waardig man. Toch, als gij hun begin nagaat, zult gij zien, dat zij van het landbouwvak afkomende stichters van den staat werden. Ik twijfel er nu stellig aan, of gij in de keuze van uwe ambtenaren wel het oog hebt op hun werkelijk karakter en hunne bekwaamheden.” Hiermede was het gesprek uit. En de hertog zweeg.

Tszʼ Szʼ bereisde vele landen, en sleet de laatste jaren van zijn leven in Loe. Treffend is zijne uitlating omtrent de bekendwording van de Leer van groote mannen. Toen de hertog van Loe hem eens vroeg, of hij goed deed zonder daarvoor eenigen lof van menschen te willen ontvangen, antwoordde hij: „Neen, dat is niet mijn sentiment. Als [72]ik betracht wat goed is wensch ik, dat de menschen dit weten, want als zij het weten en mij prijzen voel ik mij aangemoedigd om nog ijveriger in die betrachting te zijn. Dit is wat ik wil, en (maar) niet verkrijgen kan. Als ik betracht wat goed is, en de menschen weten het niet, is het waarschijnlijk, dat zij in hun onwetendheid kwaad van mij zullen spreken. Zoo word ik door al mijn goed doen maar kwaad besproken. Dit is, wat ik niet wil, maar niet kan vermijden. Als iemand opstaande met het hanengekraai begint te betrachten wat goed is, en volhardend met die poging doorgaat tot middernacht, en tegelijkertijd zegt dat hij niet wil, dat de menschen het weten, zou ik van zoo iemand zeggen dat hij zoo niet bedriegelijk dan toch dom is.”

Tszʼ Szʼ gaf in de „Choeng Yoeng” een werk van een’ prachtigen, statigen stijl, dat na meer dan twintig eeuwen nóg een der groote standaardwerken van de chineesche litteratuur is. Kort en laconiek geeft zijn stijl slechts de essence van de bedoeling, zonder noodelooze uitweiding. De ideeën staan onsterfelijk in hun simpelste gedaante, met het hart der divine waarheid bloot, zonder gewaden van daaromheen zwevende en golvende woorden, in de naaktheid van het essentieele Wezen.

Van de „Ta Hiŏh” weet men den auteur niet met zooveel zekerheid als van de „Choeng Yoeng.” Volgens eene oude traditie zou ook dít werk van Tszʼ Szʼ zijn, maar door velen wordt dit betwist. Hoe het ook zij, dat het een werk uit de school van Confucius is, en geheel en [73]al in den geest en volgens de leer van Confucius is, enkel opgebouwd uit zijne principes, is zeker.

De „Loen Yü, „redeneeringen en gezegden” zijn niets dan aanhalingen van Confucius’ eigen gezegden, van stukken van gesprekken, die hij met zijne discipelen had, en gezegden van zijne discipelen onderling. Het is niet één logisch geheel, maar een verzameling fragmenten. Vermoedelijk is het niet door Confucius’ discipelen geschreven, ofschoon velen dit gelooven, maar door de discipelen van zijne discipelen, en wel op het einde van de vierde eeuw vóór Christus. De authentiekheid staat vast, en niemand twijfelt er aan, of het bevat de origineele gezegden van Confucius, door zijne discipelen trouw overgeleverd.

Van groote waarde is de uitgave en de commentaren en inleidingen van den filosoof Choe Hie, die de „Choeng Yoeng” en de „Ta Hiŏh” bestudeerde. De tegenwoordig overal in gebruik zijnde edities zijn allen voorzien van Choe Hie’s aanteekeningen en door hem gerangschikt. Deze filosoof leefde in de Soeng dynastie.19 Zonder Choe Hie zou wellicht alles verloren zijn gegaan of verkeerd opgevat. De klassieken zijn in groot gevaar geweest in den tijd der eerste Tsien dynastie. Toen de verzwakte Chow dynastie was gevallen voor de macht der Tsien vorsten, brak onder de regeering van Chie Hwang Ti, (d. i. „de Eerste Keizer”) voor de Confucianisten een tijd van vervolging aan. Deze keizer, wiens eenige verdienste [74]is, dat hij den grooten muur liet bouwen, en die door geweld zijn macht had verkregen en moest handhaven, vreesde terecht, dat de leer van Confucius een blijvende beschuldiging tegen hem zou worden. Het was dan ook waar, dat zijne wetten en verordeningen door de litterati werden getoetst aan de leer van Confucius, en daardoor vanzelf veroordeeld.

Toen eindelijk zijn eerste minister, om hem te vleien, verklaarde, dat niet hém een nieuwe era zou beginnen, en dus al het oude moest worden weggedaan, en het voorstel deed, aan allen, uitgezonderd het hoogste litterarische College, het bezitten van de Confucianistische boeken, de Shi King (Canon der Poëzie) en de Shoe King (Canon der Historie) te verbieden, volvoerde Chie Hwang Ti dit plan met genoegen. Allen, die zelfs maar over deze boeken durfden spreken, zouden met den dood worden gestraft. Verder werd aan ieder, op straffe van brandmerking en vier jaar dwangarbeid aan den grooten muur, bevolen, de in zijn bezit zijnde boeken onmiddellijk te verbranden. Een jaar na dien brand vluchtten twee geleerden van het keizerlijke hof. De keizer, voorziende, dat het hun te doen was, om de verboden litteratuur weer te doen herleven, en het volk tot opstand aan te zetten, liet hen vervolgen en door de Censoren eene inquisitie instellen. Deze inquisitie had ten gevolge, dat vierhonderd en zestig geleerden en studenten werden betrapt op overtreding van het verbod, en als afschrikkend voorbeeld levend werden verbrand. [75]

Tot overmaat van ramp werd in den strijd, die later ontstond toen de Han’s de Tsien dynastie aanvielen, de hoofdstad (toen Hien Yang) door Hiang Yu, den grootsten vijand der Han’s, verbrand. Drie maanden lang duurde de brand van de paleizen en gebouwen.

Lioe Ping, een beroemd veldheer der Han’s, slaagde er in, de Tsien dynastie te verdrijven en verhief zich tot keizer, onder den naam Kao Tsoe. Met de Han20 dynastie begon een gouden tijdperk voor China, waarin kunsten en wetenschappen een ongekenden bloei bereikten. Onder de Han dynastie werd de oude litteratuur weer in eer hersteld. Natuurlijk waren, niettegenstaande de felle maatregelen der Tsiens, niet alle copieën van de boeken verloren gegaan, die niet op papier, maar op bamboe-tabletten waren geschreven of gegraveerd. De achtereenvolgende keizers der Han dynastie beijverden zich zeer voor de herleving der litteratuur. Honderden verschillende edities der oude werken werden nog gaaf gevonden, en door bekwame handen gerangschikt en gecatalogiseerd. De thans in ons bezit zijnde boeken, zooals die door geheel China worden gelezen, zijn zonder eenigen twijfel de authentieke. Alleen aan de echtheid van de „Chʼoen Chʼioe wordt wel eens getwijfeld.

Het is wel nagenoeg aan iedereen bekend, dat Confucius thans door geheel China als zijn grootste wijze vereerd wordt. [76]

Van af 57 n. C. verspreidde zich de aanbidding van Confucius, die eerst uitsluitend in Loe werd betracht, over het geheele rijk, en werd er bepaald, dat in het keizerlijke college en alle colleges van het rijk offeringen aan hem moesten worden gedaan. En op dezen tijd zijn in China bijna twee duizend tempels voor hem opgericht. Vroeger werden in deze tempels beelden van hem aangebeden, maar deze zijn thans bijna overal vervangen door tabletten, zooals die nu ook voor de afgestorvenen bij het geheele volk in gebruik zijn. In die tempels zijn niet alleen de tabletten van Confucius, maar ook die van zijne voorvaderen en al zijne discipelen, en wel in een zaal achter die, waar de tablet van hemzelf is. Op den 1en dag van elke maand worden er offeringen van vruchten en groenten aangeboden, en op den 15en van wierook. Tweemaal in het jaar, in de middenste maanden van lente en herfst, gebeurt de grootste, plechtigste ceremonie. In Peking wordt deze door den keizer zelf geleid, die, na tweemaal geknield en zesmaal het hoofd gebogen te hebben, den geest van Confucius aanroept met de woorden: „Groot zijt Gij, o volmaakte Wijze! Uw deugd is volkomen, uw leer is volmaakt. Alle koningen eeren U. Uwe statuten en wetten zijn in glorie overgeleverd. Gij zijt het voorbeeld in deze keizerlijke school. Eerbiediglijk zijn de offervazen uitgezet. Vol van eerbiedigen angst slaan wij onze trommen en bellen!”

In de plechtige aanspraak na het aanbieden der offeringen worden ook zijne discipelen herdacht met de woorden: [77]„Met U zijn saamverbonden de filosoof Yen (Hwoey), voortzetter van U; de filosoof Tseng (Sin), uitlegger van uwe fondamenteele principes; de filosoof Tszʼ Szʼ, uw overleveraar; en de filosoof Meng,21 de tweede na U!”

Het graf van Confucius is thans nog te zien, en wordt door Dr. Williamson die het in 1865 bezocht, aldus beschreven: „Een mooie avenue van cypressen leidt noordelijk van de noordelijke poort (van de vroegere hoofdstad van Loe) naar de begraafplaats. Het graf ligt in een bosch van eiken, cypressen, en andere boomen, omringd door een hoogen muur. Het kerkhof binnentredend, gingen wij door een mooi geornamenteerde poort, en toen door een tweede laan, met leeuwen en anderen beesten, in steen, aan elke hand, en de onvermijdelijke cypresboomen22 boven onze hoofden. Bij het graf staan twee steenen beelden, grooter dan levensgroot tegenover elkaar, wijzen, met plechtig gezicht. Voorbij het huis gaande, waar de offeringen worden bereid, en de aanbidders komen rusten, werd ons een boom gewezen, indertijd geplant door zijn discipel Tszʼ Koeng, en een paviljoen, opgericht door keizer Kien Loeng. Het graf van Confucius is een kolossale wal, overgroeid door boomen en struiken, met de gebruikelijke gelegenheden voor offering in het front. Naast het graf staat een tablet, 25 voet hoog bij 6 voet breed, waarop de namen van den wijze en zijne daden zijn gegraveerd.—Ten Westen van het [78]graf van den wijze is dat van zijn’ zoon Lí, en overal in ’t rond de graven van de hoofden van zijn clan.”23


Behalve uit de Confucianistische werken, hebben wij vaste en correspondeerende gegevens omtrent zijn levensloop in het werk „Shʼ Ki” (Historische Annalen) van den beroemden historieschrijver Szʼ Ma Tsʼien,24 het leven van Confucius door Kiang Yoeng, de „Kʼoeng Tszʼ Kia Yü” (Familiegezegden van Confucius), en de werken van Kʼoeng Toe, „Kʼoeng Tsʼoeng Tszʼ”, een afstammeling van Confucius, die bij de uitvaardiging van het gebod tot verbranding de werken van Confucius in den muur van zijn huis verborg. Het zijn deze werken, vooral de „Shʼ Ki” (in het hoofdstuk over Confucius „Koeng Tszʼ Shi Kia”), die door de westersche geleerden, o. a. James Legge, als voorbeeld en bron voor hunne beschrijving van Confucius’ leven zijn gebruikt. [79]


1 De familienaam van dezen Shoeh Liang Heih (dat zijn aparte mandarijnennaam is) was Khʼoeng, dien dus later ook zijn zoon droeg, dien men „Khʼoeng Foe Tsoe” ging noemen. Foe Tsoe is een titel, die ongeveer ons „Meester” beteekent en aan vele geleerden werd gegeven. 

2 De naam „Kʼioe” is heilig geworden, en mag niet uitgesproken worden met dien klank maar als „moh”. Moet de chineesche geleerde of student het karakter schrijven, dan zet hij het eerbiedig in een vierkantje □, om het te onderscheiden. 

3 „Loen Yü.” 

4 In een volgend deel van dit werk hoopt de schrijver meer speciaal de taoïstische filosofie te beschouwen, en zal hij bij die gelegenheid ook de gesprekken tusschen Confucius en Lao Tszʼ behandelen. 

5 Hwang Ti (de Gele Keizer), een keizer uit de oudheid, die van af 2697 v. C. 100 jaar regeerde. Thʼang of King Thʼang bevrijdde het rijk van den tyran Kjeh Wang (1765 v. C.) of Kjeh Kwei en werd zelf keizer. Hij is een der beroemde „Ouden”, de eerste van de Shang dynastie. 

6 Yiau en Shoen (2356 v. C. en later) zijn twee keizers, onder wier regeering een tijd van volmaakten bloei moet hebben geheerscht. Zij zijn dan ook het ideaal gebleven van keizers, die zich beschouwden als de vaders van het volk. 

7 „Loen Yü” XII. 

8 „Loen Yü” XVIII. 

9 Eigenaardig is dat de eerwaarde abbé Grosier hiervan zegt: Quel système de philosophie aurait pu tenir contre un essaim aussi redoutable de jeunes beautés folâtres, empressées de plaire, et armées de tous les moyens de séduction?” En dat nog wel een abbé! (Zie zijn „De la Chine, ou Description Générale de cet Empire.” Paris, Pillet. 1820.) 

10 Waar ik in vertalingen in dit werk „schoonheid” gebruik, lett. „kleur”, is dit volgens de chineesche beteekenis van dat woord altijd in slechten zin b. v. schoonheid van vrouwen als verleiding tot lust en slechte hartstochten. 

11 Tsieh Yü was niet werkelijk krankzinnig; hij hield zich maar [60]zoo, om niet geroepen te worden tot een publiek ambt. Zijne woorden zinspelen er op, dat Confucius verkeerd deed, zijne principes in zulk een’ tijd van wanorde aldoor maar tevergeefs, zonder de minste kans op succes, te verkondigen en als weg te werpen. Tsieh Yü’s echte naam was Loeh Tʼoeng. 

12 Zooals in ’t begin van dit hoofdstuk reeds door mij is vermeld heette Confucius ook „Kʼoeng Kʼioe.” 

13 De bedoeling was ironisch „dat hij (Confucius), die zoo voortdurend van land naar land trok, en zoo overal een betrekking bij de regeeringen zocht, dan ook dat veer diende te weten. 

14 Andere naam van Tszʼ Loe. 

15 Den zin heb ik tot goed begrip niet letterlijk van den tekst naar de letter vertaald, maar naar de bedoeling, verduidelijkt in den commentaar. 

16 Lett.: „mijn Leer is uitgeput.” 

17 Volgens anderen was Confucius’ dood in 479 v. C. 

18 Met de werken van Meng Tszʼ (Mencius) samen vat men deze werken samen onder den naam „Szʼ Shoe”, „De vier Boeken.” 

19 Deze heerschte van 960–1127 n. C. 

20 De chineezen noemen zich dan ook volgaarne „Han Jen” d. i. Han-menschen. 

21 Mencius. 

22 Symbool van trouw en onvergankelijkheid. 

23 Een verre afstammeling van Confucius leeft nog, en wordt met groote onderscheiding behandeld en aan het hof toegelaten. 

24 Szʼ Ma Tsʼien is een der beroemdste geschiedschrijvers van China, wien europeesche geleerden den naam van „de Herodotus van China” hebben gegeven. In zijn werk „Shʼ Ki” wordt de geschiedenis van China gegeven van af keizer Hwang Ti tot den tijd van Woe Wang van Chow.