1. Daarom, de opperste „Chʼing” houdt niet op.
Choe Hie legt dit op de volgende wijze uit: „daar Chʼing geen leêgheid of schijn heeft, heeft het vanzelf geen ophouding of afbreking.”
2. Niet ophoudende, duurt het lang. Langdurende geeft het bewijs van zijn bestaan.
3. Bewijs gevend van zijn bestaan reikt het ver. Ver-reikende wordt het groot en (als stoffelijk) substantieel. Groot en substantieel, wordt het hoog en schitterend.
4. Groot en substantieel, aldus bevat het alle dingen. Hoog en schitterend, aldus overwelft het alle dingen. Ver-reikende en langdurig, aldus volmaakt het alle dingen.
5. (Chʼing aldus) groot en substantieel (zijnde) is hij (die het bereikt heeft) de gelijke van de Aarde; (Chʼing aldus) hoog en schitterend (zijnde) is hij (die het bereikt heeft) de gelijke van den Hemel; (Chʼing aldus) ver-reikende en langdurig (zijnde) is hij (die het bereikt heeft) eindeloos.
Hier gaat de filosoof verloren in mystiek bij zijne apothéose van den idealen mensch. Niet alleen, dat de mensch, die „Chʼing” heeft bereikt, ál-wetend is, maar ook álomtegenwoordig, [128]en in allen en alles. Dit heeft veel van eene absorptie in de universeele Natuur, zou ik bijna zeggen.
6. Aldus is de Chʼing zonder zich (zichtbaar) te vertoonen (vanzelf) helder gemanifesteerd; zonder te bewegen veroorzaakt het (vanzelf) veranderingen; vanzelf, uit den aard zijner natuur, volmaakt het.
7. De Tao van Hemel en Aarde kan met één zin uitgezegd worden: hij is één-in-zich-zelf, en baart de dingen op een ondoorgrondelijke wijze.
Hier ziet men weer, dat Tao in sommige gevallen méér dan Weg moet beteekenen, en meer in den zin „het principe van actie,” indien het niet volkomen onvertaalbaar was. Choe Hie merkt hierbij op dat „Ching” vanzelf dat „één-in-zich-zelf zijn” van Tao medebrengt. Letterlijk staat er niet één-in-zich-zelf, maar „zonder tweede”, „zonder dubbel”.
8. De Tao van Hemel en Aarde is groot en substantieel, hoog en schitterend, ver-reikend en langdurend.
Dezelfde eigenschappen dus als van „Chʼing”. Dat het hier niet zóómaar „Weg” kan beteekenen is duidelijk. Het is ondoenlijk, precies die ìn-chineesche begrippen als „Chʼing” en „Tao” te doorvoelen en dan uit te drukken in een europeesch woord.
[129]
9. De Hemel van nu (boven ons) is maar wat schittering; maar in al Zijn eindeloosheid beschouwd, zijn zon, maan, sterren en sterrenbeelden er in opgehangen, en overdekt Hij alle dingen. De Aarde van nu (vóór ons) is slechts een handvol aarde, maar in al Hare uitgebreidheid en dikte beschouwd, steunt Zij bergen als de Hwa Yoh, zonder hun zwaarte te voelen, beweegt rivieren en zeeën, zonder te lekken, en bevat tienduizend (alle) dingen. De berg nu (vóór ons) is slechts een stuk steen; maar in al de uitgestrektheid van zijn grootte beschouwd, brengt hij gras en boomen voort, vogels en beesten wonen er op, en kostbaarheden zijn er in verborgen. Het water nu (vóór ons) is slechts een lepel vol, maar in zijn onpeilbare diepten worden er de grootste schildpadden, krokodillen, draken, visschen en zeeschildpadden in voortgebracht, en bevat het koopwaren en dingen van waarde in overvloed.
Het verband tusschen dit nummer en de vorige is niet heel direct. Het komt mij voor, een symbool te geven van de tallooze dingen, die door de „Chʼing” van Hemel en Aarde worden voortgebracht, de immense verscheidenheid, geproduceerd door het Ééne. Maar dan zou hier die zuiver stoffelijke werking als symbool moeten dienen [130]ook voor de spiritueele, en het is lang niet met zekerheid te bepalen, of Tszʼ Szʼ dit wel bedoelde.
10. De Shi King zegt: „Hoe majestueus en eindeloos zijn de beschikkingen des Hemels!” De bedoeling is, dat dáárom (juist) de Hemel de Hemel is. (En ook zegt de Shi King:) „O! hoe doorluchtig was de puurheid van koning Wĕn’s deugd!” De bedoeling is, dat dáárom (juist) koning Wĕn Wĕn was. Puurheid is eveneens zonder ophouden (eindeloos).
Men ziet hier, hoe opzettelijk een der oude Wijzen, koning Wĕn van Chow, met den Hemel vergeleken wordt. Hier komt in den tekst een karakter „shoen” voor, dat eigenlijk beteekent „rein, puur als witte zijde.” Met die „puurheid” is vanzelf ook bedoeld „volmaaktheid” van de Sing, den éénen, reinen staat van oorsprong der Sing.