1. De Meester zeide: „Een domme, die gaarne zijn eigen zin volgt; iemand van inferieuren rang, die zichzelf gaarne bestuurt; iemand van tegenwoordig, die strijdig doet aan de wegen der Ouden; over dezulken, die aldus doen, zullen stellig rampen komen.”
In dit hoofdstuk daalt Tszʼ Szʼ weder neer uit zijn mystische bespiegelingen, om weer eenvoudig de woorden van Confucius aan te halen.
2. Alleen de Keizer mag de Lí regelen, de afmetingen vaststellen, en de karakters bepalen.
3. Tegenwoordig hebben over het geheele rijk de wagens dezelfde wielen, het schrift dezelfde karakters, het gedrag dezelfde regels.
4. Men moge (al) den (vorstelijken) rang bezitten, als men de deugd (daartoe behoorende) niet heeft, mag men het niet wagen, Lí of [133]Muziek te maken. Men moge al de deugd bezitten, als men den vorstelijken rang niet (daarbij) heeft, mag men het niet wagen, Lí of Muziek te maken.
5. De Meester zeide: „Ik vertel van de Lí der Hia dynastie, maar Kie kan daar niet genoeg getuigenis van geven. Ik heb de Lí van de Yin dynastie geleerd, die in Soeng overgebleven is. Ik heb de Lí van Chow geleerd, die nu in gebruik is, en ik volg Chow.”
Legge merkt hier zeer juist bij aan, dat uit dit hoofdstuk blijkt, hoe drie dingen noodig zijn om de wet aan het keizerrijk te geven: „de deugd, de rang, en de geschikte tijd.” In No 2 wordt met de Lí bedoeld: „de ceremoniën in godsdienstige bijeenkomsten en in gezelschap”, met afmetingen: „de voorschriften omtrent het bouwen van huizen, den vorm van wagens, van kleederen” enz. enz. Bij No 5 zij aangeteekend, dat Kie een klein staatje was, waar de Hia’sche ceremoniën nog in gebruik waren. Zoowel in Kie als in Soeng waren de schoone kunsten en beschaafde vormen en gebruiken niet meer geëerd, en voor een groot deel verloren gegaan, en er leefden geen wijze mannen, zoodat Confucius niemand had kunnen vinden om voldoende voor de waarheid zijner beschrijving van de ceremoniën der oude Hia dynastie te kunnen getuigen. Daarom gebruikte hij gewillig de nieuwere Lí van Chow.
[134]