[Inhoud]

Hoofdstuk XXIX.

1. Hij, die tot het opperheerschap over het rijk komt, en deze drie gewichtige dingen heeft, zal weinig fouten maken.

De chineesche geleerden zijn het niet eens, wat met „deze drie gewichtige dingen” wordt bedoeld. Ik meen dat Legge, (die deze uitlegging overnam van den commentator Loeh, uit de Thʼang dynastie) de juiste verklaring geeft als te zijn „de deugd, de rang en de geschikte tijd.”

2. De Lí van vroegere tijden, ofschoon (nóg zoo) goed, kan niet door getuigenis bevestigd worden. Niet bevestigd, wordt er niet in geloofd, en niet geloofd, volgt het volk haar niet. De Lí van iemand van lageren rang, ofschoon (nóg zoo) goed, wordt niet geëerbiedigd (door dien lagen rang). Niet geëerbiedigd, wordt er niet in geloofd, en niet geloofd, volgt het volk haar niet.

3. Daarom, de instellingen en wetten van den (Vorst die een) Kiün Tszʼ (is), hebben hun Oorsprong in zijn eigen karakter, en de bevestiging er van gebeurt door de groote massa van het volk. Hij toetst ze aan die der drie Koningen, en bevindt (dan) dat ze vlekkeloos zijn. Hij stelt [135]ze op voor (het gezicht van) Hemel en Aarde, en vindt er (dan) niets in tegen de natuur. Hij houdt ze den geesten voor, zonder er aan te twijfelen. Hij (is voorbereid te wachten) honderd eeuwen daarna tot (de oprijzing van) een Wijze, en weet dat er geen dwalingen in zijn.

4. Dat hij ze den geesten voorhoudt, zonder er aan te twijfelen, bewijst, dat hij den Hemel kent. Dat hij (voorbereid is te) wachten, honderd eeuwen daarna, tot de oprijzing van een Wijze, en weet dat er geen dwalingen in zijn, bewijst, dat hij de menschen kent.

Dit is een der hoofdideeën van Confucius, dat de regeering van den vorst haar Oorsprong heeft in zijn eigen karakter. De Sing van den Vorst de oorsprong van de geheele regeering. Is die rein, dan zullen zijne wetten niets bevatten wat strijdig is tegen den Hemel. De drie bedoelde koningen zijn Yü, Thʼang en Wĕn (met Woe).

5. Dit aldus zijnde, zijn de bewegingen van den Vorst van invloed op het geheele rijk, voor eeuwen. Zijn daden zijn wet voor het geheele rijk, voor eeuwen. Zijn woorden zijn regel voor het geheele rijk, voor eeuwen. Die ver van hem zijn, zien bewonderend naar hem op, die dicht bij hem zijn, zijn hem nooit moede. [136]

6. De Shi King zegt: „Hier niet gehaat, dáár niet benijd, zal men zijn lof dag en nacht roemen.” Er is nog nooit een Vorst geweest, die niet hieraan beantwoordde, en vroeg door het geheele rijk beroemd was.