1. Choeng Ni (Confucius) leverde de leer van Yaou en Shoen over, als waren zij zijne voorvaderen, en handhaafde de wetten van Wĕn en Woe als zijn model. Hij harmonieerde met de tijden des Hemels bóven, en was aangepast aan de (natuur) van het water en het land beneden.
„De tijden des Hemels” is „de onophoudelijke, regelmatige beweging van den Hemel”, en „het water en het land” hier in tegenstelling met den Hemel, is gebruikt, omdat die massief en onbewegelijk zijn. Aldus Choe Hie, en op diens gezag Legge. Heel helder is het voor europeesch begrip niet.
2. Hij was als de Hemel en de Aarde in hun steunen en omvatten, hun overschaduwen en overhuiven van alle dingen. Hij was als de vier seizoenen, in hun afwisselenden gang, als de zon en de maan, in hun successievelijk schijnen.
De hoogste verglorieïng van den Wijze, hier Confucius, is dus het gelijk zijn in wezen en actie aan de natuur, daar deze dan ook precies in Tao is.
[137]
3. Alle dingen worden te zamen gevoed, zonder elkaar te kwetsen. De Tao van alle dingen gaat denzelfden weg, zonder botsing onderling. De kleinere deugden zijn als stroomen van een rivier, de grootere zijn machtig transformeerend. Dit is (juist) wat Hemel en Aarde zoo groot maakt.
Werd dus de Sing maar rein bewaard, zoodat alles in Tao ging, dan zou alles naast elkaar vredig kunnen bestaan, zonder kwetsing en botsing onderling. Als men diep doordenkt, zal men zien dat Tao, het precies volgen van de Sing, de hemelsche natuur, ook zeer gerust zou kunnen genoemd worden „De natuurlijke gang der dingen”! In het begin is het volgen van Tao eenvoudig als het stroomen van rivierstroompjes, later wordt het een hooger leven van machtige transformaties. (Zie ook Hfdst. XXII en XXIII.)