[Inhoud]

Hoofdstuk XXXIII.

1. De Shi King zegt: „Om haar beborduurden pels doet zij een eenvoudig kleed aan,” om aan te duiden een afkeer van vertoon van het mooie. Daarom is het de Tao van den Kiün Tszʼ om (zijn deugd) te verbergen, die dan met den dag (juist) mooier uitkomt; de Tao van den kleinen mensch is vertoon, en hij wordt met den dag minder. De Tao van den Kiün Tszʼ (gelijkt) smakeloos, maar men wordt hem nooit moede; hij lijkt kortaf, maar is volkomen beschaafd; hij is eenvoudig, maar volgens de rede. Hij weet dat wat veraf is geworteld is in ’t nabijë. Hij weet van waar de wind komt. Hij weet het (groot-) gemanifesteerde van het (schijnbaar) kleine. Hiermede zal hij de deugd kunnen binnentreden, naar ik meen.

2. De Shi King zegt: „Ofschoon de visch zinkt en ligt op den bodem, wordt zij toch duidelijk gezien.” Daarom onderzoekt de Kiün Tszʼ zijn [141]binnenste, opdat er daar niets verkeerds zij, en hij niets hatelijks zie in zijne neigingen. Dit is het onbereikbare (voor ons) in den Kiün Tszʼ: „dat, wat andere menschen niet kunnen zien.”

3. De Shi King zegt: „Weest vrij van (dingen van) schaamte in uw kamer, waar licht doorkomt. Daarom, (zelfs) al beweegt hij niet, is de Kiün Tszʼ (toch) in reverentie, al spreekt hij niet, is hij (toch) vol oprechtheid.”

Vergelijk voor No 2 hierboven Hfdst. I. No 3. De bedoeling van No 3 is, dat de Kiün Tszʼ vooral in het private leven, al is hij alleen in zijn kamer, waar het licht (van den Hemel) hem toch altijd ziet, het gevoel van reverentie moet hebben, en volkomen oprechtheid.

4. De Shi King zegt: „In eerbiedige stilte wordt geofferd, en wordt (den geest) genaderd; er is geen oogenblikje wanklank (strijd).”

Daarom, de Kiün Tszʼ geeft geen belooningen en (toch) is het volk (tot de deugd) vermaand. Hij toont geen toorn, en het volk vreest voor hem als voor bijlen en strijdaksten.

5. De Shi King zegt: „Wat geen vertoon behoeft, is de deugd.” Alle vorsten maken er hun voorbeeld van. Daarom, als de Kiün Tszʼ [142](die Vorst is) ernstig en reverent is, is er rust en vrede over het geheele rijk.

6. De Shi King zegt: „Ik zie met blijdschap uw heldere deugd, die geen vertoon maakt met klanken en kleuren.” De Meester zeide: „Klanken en kleuren zijn maar kleinigheden voor de hervorming van het volk.” De Shi King zegt (ook): „De deugd is licht als een haar.” Maar haren zijn nog te vergelijken met elkaar (naar de grootte). De verrichtingen van den Hemel hebben geen geluid en geen reuk. Dít is de opperste deugd.