Mijn Meester, de filosoof Chʼing zegt: „De Ta Hiŏh is een nagelaten boek van Confucius, en is de poort der deugd van de eerste leerlingen.1 Het is enkel te danken aan de bewaring van dit werk, dat wij nu de orde kunnen zien in welke de Ouden studeerden; de Loen (Yü) en Mencius komen hierná. Leerlingen moeten van hieruit hunne studie beginnen, en dan is het te verwezenlijken, dat zij geen dwalingen maken.
1. De Leer van Ta Hiŏh is: de schitterende deugd helder te maken, het volk te hernieuwen, en te rusten in het opperste Goede. [145]
Met „de schitterende deugd” wordt bedoeld, datgene, die deugdelijke natuur, die de mensch oorspronkelijk van den Hemel heeft verkregen. (Vergelijk „Choeng Yoeng”). Door de slechte lusten en begeerten van den mensch wordt die schitterende deugd dikwijls verduisterd. De wijze mensch, die zijn eigen oorspronkelijke schitterende deugd helder maakt en houdt, maakt ook door zijn Leer, zijne wijze lessen, en zijn voorbeeld, de deugd van andere menschen weer helder, weer nieuw. Nieuw is hier te verstaan in den zin van „rein, na verduisterd te zijn, dus weer helder, weer nieuw geworden.” Steeds zal het volk zijn oorspronkelijke deugd door lust en begeerte weer verduisterd zien, maar door de Leer van de wijzen wordt zij vernieuwd, herreind.
Met het „rusten in het opperste Goede” wordt bedoeld èn te blijven volgen het uitmuntendste gedrag, èn het opvoeren van de twee hierboven bedoelde zaken (n.l. het verhelderen van zichzelven en hernieuwen van ’t volk) tot den hoogsten graad van volkomenheid. Deze drie dingen worden genoemd „de drie hoofden” van de Ta Hiŏh.
2. Weet men, wáár te moeten rusten (in het opperste Goede) dan is (het doel van ons levensstreven) vastgesteld. Is dit eenmaal vastgesteld, dan kan er kalmte zijn. Is er kalmte, dan kan er (stabiele) rust zijn. Is er (stabiele) rust dan kan er (ernstige) meditatie zijn. Is er (ernstige) [146]meditatie, dan zal (het einddoel) worden verkregen.
Het hoofdidee van dezen tekst is dus: „uit het weten wáár te moeten rusten in het opperste Goede volgt ook het verkrijgen van die rust in het opperste Goede.”
Weet men het eenmaal, dan is het levensdoel vastgesteld, en is men dus zeker van het feit, dat het leven niet nutteloos is, maar naar een hoog doel leidt. Dit zal den mensch kalmte geven, d. w. z. dat de gedachten op het innerlijk leven zullen gericht zijn en niet langer naar dingen van buiten, naar dingen van begeerte. Is die kalmte verkregen, dan is er ook rust, dus geen weifeling en verwarring; is die rust in ons, dan is het ook mogelijk, zuiver na te denken zonder afdwaling; en in die zuivere, reine overpeinzing wordt gevonden de rust in, het blijven in het opperste Goede.
3. Dingen hebben een oorsprong en een einde. Zaken hebben een einde en een begin. Weten wát eerst en wát laatst is, is dicht bij Tao zijn.2
Het helder maken van de deugd is de oorsprong, het hernieuwen van het volk is het einde. Te weten wáár te rusten in het opperste Goede is het begin, het verkrijgen daarvan is het einde.
[147]
4. De ouden, die de schitterende deugd door het geheele keizerrijk wilden heldermaken, regeerden eerst hun rijk (goed).
Wilden zij hun rijk regeeren, dan regelden zij eerst hunne families. Wilden zij hunne families regelen, dan verzorgden zij eerst zichzelven (hun eigen karakter). Wilden zij zichzelf (hun eigen karakter) verzorgen, dan maakten zij eerst hunne bedoelingen en gedachten ernstig en oprecht; wilden zij hunne bedoelingen en gedachten ernstig en oprecht maken, dan voerden zij hun kennis tot het allerhoogste op. De kennis tot het hoogste opvoeren bestaat in het doorgronden van de dingen.
Deze acht dingen heeten „De acht détails.”
Voor „bedoelingen en gedachten” staat in den tekst één woord, „i”; voor ernstig en oprecht ook één, „Chʼing”. Ik vreesde met één enkel begrip te weinig van de ware beteekenis te geven. Het laatste „het doorgronden der dingen”, dat ik meen te kunnen doen equivaleeren met „het doorgronden van het ware Wezen van alle dingen en verschijningen” lijkt mij toe, eene geheele, mystieke filosofie apart te wezen. Dit sluit zich aan met de mystiek van de „Choeng Yoeng” waarin de Wijze één met Hemel en Aarde wordt genoemd en zelfs verondersteld met dezen in hare operaties en acties samen te werken. [148]
Evenals in de „Choeng Yoeng” zien we dus hier het regeeren van een staat en transformeeren van het volk slechts als een uitvloeisel van en onvermijdelijk verbonden aan de cultivatie van het Zelf.
5. Werden de dingen doorgrond, dan werd de kennis tot het hoogste opgevoerd. Werd de kennis tot het hoogste opgevoerd, dan werden de bedoelingen en gedachten oprecht en ernstig. Werden de bedoelingen en gedachten oprecht en ernstig dan werden de menschen zelven (hun karakter) verzorgd. Werd hun karakter verzorgd, dan werden hunne families geregeld. Werden de families geregeld, dan werden de staten (goed) geregeerd. Werden de staten (goed) geregeerd, dan was er vrede en rust over het geheele rijk.
6. Van den Keizer af tot de massa van het volk toe moeten allen het verzorgen van zichzelf (zijn eigen karakter) als de Oorsprong (van al het andere) beschouwen.
7. Wordt de Oorsprong verward, dan kan er niets wat daaruit voortkomt tot goede orde worden gebracht. Het is nog nooit gebeurd, dat wat van groot gewicht was, licht werd geacht en tegelijkertijd dat wat van geen belang was, van groot gewicht werd geacht. [149]
Het voorgaande hoofdstuk bestaat uit de woorden van Confucius, overgeleverd door den filosoof Tsĕng. De volgende tien hoofdstukken, die het verduidelijken, zijn de opvatting van Tsĕng, zooals die neergeschreven is door zijne discipelen. In oude exemplaren van dit werk zijn nogal eens de tabletten verward.3 (en is dus verwarring in de hoofdstukken. Vert.) Nu heb ik, volgens wat de filosoof Chʼing heeft vastgesteld, en na nog eens den klassieken tekst te hebben bestudeerd, het werk als volgt gerangschikt:
Evenals bij „Choeng Yoeng” zien wij ook hier weder, dat het eerste hoofdstuk eigenlijk reeds de geheele Leer in essentieelen vorm is. Eene geheele filosofie in 204 chineesche karakters! De volgende hoofdstukken, niet ééne aaneengeschakelde logica vormende, zijn slechts fragmenten en toespelingen ter verduidelijking.
1. In de Kʼang Kao wordt gezegd: „Hij kon zijn deugd helder maken.” [150]
2. In de Tʼai Kiă wordt gezegd: „Hij beschouwde en bestudeerde de heldere decreten van den Hemel.”
3. In de Canon van keizer Yaou wordt gezegd: „Hij kon zijne verheven deugd helder maken.”
4. Al deze (artikelen) loopen over het heldermaken van zichzelf.
Dit boven geschreven hoofdstuk van commentaar legt de heldermaking uit der schitterende deugd.
Ik ben het niet met de verklaring in dit Nawoord eens. In stede van eene uitlegging hebben wij hier enkel een aanhaling van een paar oude teksten, die men zou kunnen toepassen op het vorige hoofdstuk van Confucius. De Kʼang Kao of „Aankondiging” aan Kʼang is. een boek uit de Chow dynastie. De aangehaalde woorden werden door koning Woe gesproken over zijn’ vader Wĕn en gericht tegen zijn broeder Foeng. De Tʼai Kia is een boek uit de Shang dynastie, en in de aangehaalde woorden is de „hij” de beroemde koning Thʼang. De „hij” in No 3 is keizer Yaou zelf. Veel van een commentaar, d. i. eene uitlegging, heeft dit hoofdstuk nu juist niet.
[151]
Op de badkuip van Thʼang staat gegraveerd: „Als gij u zelf werkelijk iederen dag kunt hernieuwen, hernieuw u dan dag aan dag, en nóg weer eens hernieuw u élken dag.”
2. In de Kʼang Kao wordt gezegd: „Wek het volk op tot hernieuwing.”
3. De Shi King zegt: „Ofschoon Chow een oude staat was, waren toch zijn verordeningen nieuw.”
4. Daarom, er is niets, waarin de Kiün Tszʼ niet zijne uiterste kracht inspant.
Bovenstaand tweede hoofdstuk van commentaar legt de hernieuwing van het volk uit.
Over die „uitlegging” kan hetzelfde gezegd worden als in de bespreking van het vorige hoofdstuk. Eigenaardig is in No 1, dat die regels op een badkuip gegrift werden, want hierbij vergeleek men het wasschen van het lichaam met het wasschen, dus verreinen, hernieuwen van de ziel.
1. De Shi King zegt: „Het koninklijke domein van duizend lí4 is daar waar het volk rust.” [152]
Hiermede wordt bedoeld: „Ieder mensch en ding heeft een eigen plaats waar hij moet rusten.”
2. De Shi King zegt: „Het zingende gele vogeltje rust op den hoek van den heuvel.” De Meester zeide: „Als het rust weet het wáár te te rusten. Kan het zijn, dat men een mensch is en niet gelijk aan het vogeltje?”
3. De diepe en onbereikbare koning Wĕn! Hoe altijddurend en schitterend vereerde hij zijne rustplaatsen! Als vorst rustte hij in menschelijkheid. Als onderdaan rustte hij in reverentie. Als zoon rustte hij in de Hiao (ouderlievendheid). Als vader rustte hij in liefde. In den omgang met zijn onderdanen rustte hij in waarheidlievendheid.
4. De Shi King zegt: „Ziet naar den kronkelenden loop van de Kʼie! O! Hoe schoon en frisch zijn de groene bamboes! Hier is onze elegante en welopgevoede prins! Zooals wij snijden, zooals wij (daarna) vijlen, zooals wij beitelen, zooals wij (daarna) slijpen! Hoe waardig, hoe streng! Hoe majestueus, hoe gedistingeerd! Onze elegante en welopgevoede prins, wij zullen hem nooit vergeten!”—„Zooals wij snijden, zooals wij (daarna) vijlen” beteekent het werk van leeren. [153]„Zooals wij beitelen, zooals wij (daarna) slijpen” beteekent het verzorgen van zijn Zelf (zijn eigen karakter).
„Hoe waardig en streng!” beteekent indrukwekkend en imponeerend. „Hoe majestueus! hoe gedistingeerd!” beteekent een met (eerbiedige) ontzetting slaand gedrag. „Onze elegante en welopgevoede prins, wij zullen hem nooit vergeten!” beteekent, dat als de Tao volmaakt is, en de deugd tot haar uiterste volmaakt, het volk die niet kan vergeten.
De vergelijking van de rivier Kʼie (een zijtak van de rivier Wei in N.-O. Honan) met een’ vorst, dunkt mij niet bizonder zuiver, al is de bedoeling dat een koning, wiens gedrag in de goede richting loopt, het rijk om zich heen vruchtbaar maakt, zooals de rivier dat het land doet. De in dit nummer verheerlijkte vorst was hertog Woe van Wei.
5. De Shi King zegt: „O! De vroegere koningen zijn niet vergeten!” (De latere) vorsten en wijzen vereerden wat zij vereerden, volgden na en hadden lief wat zij liefhadden. En het gewone volk verheugde zich in datgene, waarin zij zich verheugden, en vaarden wel in dat, wat zij tot hun welvaart hadden gedaan. Dit is, hoe de [154]vroegere koningen na hunnen dood niet werden vergeten.
Met de vroegere koningen, hierin verheerlijkt, worden bedoeld koning Wĕn en zijn zoon, koning Woe, van Chow.
Het bovenstaande derde hoofdstuk van commentaar legt uit het rusten in het opperste Goede.
Ook voor deze verklaring geldt wat ik voor de nawoorden der vorige hoofdstukken zeide. In stede van uitleggingen, d. i. breed omschrijven van het idee in den hoofdtekst, zijn het eerder toepassingen en toespelingen. Ik zal deze aanteekening voor de hoofdstukken, die nog volgen, niet telkens weer maken, en nu voortaan als bekend beschouwen.
De Meester zeide: „In het hooren van processen ben ik als alle menschen. Moet niet (de Wijze) stellig maken dat er geen processen zijn? Dan zullen de menschen zonder principes hun redeneeringen niet kunnen ten einde brengen, en een groote vreeze zijn in de neigingen van het volk. Dit is het weten van den Oorsprong. [155]
Het bovenstaande vierde hoofdstuk legt uit den Oorsprong en het einde. (Zie No. 3 van den hoofdtekst.)
Hier wordt dus terecht gezegd, dat het beter is, het volk zelf beter te maken (te hernieuwen) dan recht te spreken in de geschillen en processen. Als de heldere deugd van het volk niet langer verduisterd is, zal het vanzelf goed zijn, en geen processen voeren. Is de oorsprong, het volk hier dus, zélf goed, dan is het einde, het resultaat ook goed. De oorsprong der processen zit niet in de processen zelve, maar in het volk dat ze voert en dat door den Wijze verbeterd, hernieuwd moet worden.
1. Dit noemt men het weten van den Oorsprong.
2. Dit noemt men het opperste van het Weten (de kennis).
Het bovenstaande vijfde hoofdstuk van commentaar legt uit „het doorgronden van de dingen en de kennis tot het hoogste opvoeren” (Zie Hoofdtekst No. 4 en 5), maar is nu verloren. Ik heb gewaagd, de bedoeling van den filosoof Chʼing [156]te nemen om dit aan te vullen als volgt: „Wat men noemt de kennis tot het hoogste opvoeren bestaat uit het doorgronden van de dingen,” beteekent: Als wij onze kennis tot het hoogste willen opvoeren, moeten wij de dingen doorgronden tot wij aan hunne principes komen; want de geest van den mensch is stellig (van eene natuur) om te (kunnen) weten, en er is geen ding onder den Hemel, dat geen principe heeft. Maar als de principes niet doorgrond zijn, is de kennis niet volmaakt. Daarom begint de Ta Hiŏh zijn leer met den leerling, met betrekking op alle dingen onder den Hemel, te leeren om van de kennis hunner principes uit te gaan, en ze dán verder te doorgronden, tot hij het hoogste (weten) bereikt heeft. Als hij zóólang zijne krachten inspant zal hij op eens een reëele, alles doordringende kennis hebben. Dan zal hij aan het uitwendige en inwendige, aan het fijne en grove van alle dingen toe komen, en zal zijn geest in zijn geheele wezen en zijne betrekkingen tot de dingen dan niet helder wezen? Dit noemt men het doorgronden van de dingen. Dit noemt men de kennis tot het hoogste opvoeren. [157]
De uitlegging, in dit Nawoord door Choe Hie gegeven, wordt door anderen betwist, die hunne eigen verklaring er van geven. Ik heb Choe Hie hier gevolgd, omdat de zijne mij het beste toeschijnt. Ik kan niet nalaten, dit hoofdstuk in verband te brengen met de „Choeng Yoeng” (Bespr. Hfdst. XXII), waarin gezegd wordt, dat alle dingen onder den Hemel een Sing hebben. Niet den uitwendigen schijn, den vorm, de gedaante der dingen moeten wij als basis nemen voor onze doorgronding, leert dus de Confucianistische filosofie, maar hun Oorsprong, hun fondamenteele principes, die voortvloeien uit de Sing, en over deze Sing wordt in de „Choeng Yoeng” geleerd.
1. „Wat wordt genoemd de bedoelingen en gedachten oprecht en ernstig maken” is het weren van zelfbedrog, zooals wij haten een slechten geur en liefhebben een schoone kleur. Dit noemt men zelf-voldoening. Daarom moet de Kiün Tszʼ stellig waakzaam zijn over zijn eenzaamheid.
2. Voor den in ledigheid wonenden kleinen mensch is er niets slechts, waar hij niet toe zal komen. Als hij een Kiün Tszʼ ziet, zal hij dadelijk daarna, van schaamte zich vermommende, zijn slecht verstoppen, en zijn goed ten toon spreiden. De andere mensch ziet hem, alsof hij zijn long [158]en lever zag, en waar diende (dat verbergen) dan voor? Dit noemt men: „Wat werkelijk van binnen is manifesteert zich naar buiten.” Daarom moet de Kiün Tszʼ stellig waakzaam zijn over zijne eenzaamheid.
De laatste regels van No.’s 1 en 2 hierboven vindt men terug in „Choeng Yoeng” Hfdst. I, No. 3. Vergelijk ook voor No. 2 de „Loen Yü” fragmenten, onder Boek II („Kijk naar iemands daden” enz.).
3. De filosoof Tsĕng zeide: „Wat tien oogen zien, waar tien handen naar wijzen, moet in hooge majesteit worden gehouden.”
Wat de filosoof hier bedoelt is eene illustratie van No. 2. Het binnenste van den mensch, dat hij toch niet kan verbergen, en waar de wijzen en de geesten om hem heen in kunnen zien, en naar wijzen, moet in hooge eere worden gehouden en altijd vol majesteit zijn. Altijd moet hij er over waken.
4. Rijkdom siert een huis, de deugd siert een persoon (een karakter). Het hart is verruimd en het lichaam is in rust. Daarom maakt de Kiün Tszʼ stellig zijn bedoelingen en gedachten ernstig en oprecht.
Het bovenstaande zesde hoofdstuk van commentaar [159]legt uit „het ernstig en oprecht maken der bedoelingen en gedachten.”
1. Wat bedoeld wordt met: „Het verzorgen van het zelf (het karakter) bestaat uit het rechtmaken van het hart,” (beteekent het volgende:) Als iemand in woede is, zal hij het rechtzijn niet verkrijgen. Als iemand in vreeze is, zal hij het rechtzijn niet verkrijgen. Als iemand onder den invloed van liefde is, zal hij het rechtzijn niet verkrijgen. Als iemand onder den invloed van smart is, zal hij het rechtzijn niet verkrijgen.
Met recht bedoel ik hier meer ’t engelsche „right”, het absoluut rein en zuiver zijn als een rechte lijn, zonder afwijking of buigen, absoluut rechtvaardig, absoluut puur.
2. Als het hart er niet bij is kijken wij, en zien niets, luisteren wij en hooren niets, eten wij, en proeven den smaak niet.
3. Dit is de bedoeling van: „Het verzorgen van het zelf bestaat uit het rechtmaken van het hart.”
Het bovenstaande zevende hoofdstuk van commentaar legt uit het rechtmaken van het hart en verzorgen van het zelf. [160]
1. Wat bedoeld wordt met: „Het regelen van de familie bestaat in het verzorgen van zijn karakter,” (beteekent het volgende:) Als menschen genegenheid en liefde voelen, zijn zij partijdig; als zij verachten en haten, zijn zij partijdig; als zij in vreeze en in eerbied zijn, zijn zij partijdig; als zij in droefheid en medelijden zijn, zijn zij partijdig; als zij hooghartig en onverschillig zijn, zijn zij partijdig. Zij, die liefhebben en (toch) het slechte (van wat zij liefhebben) kennen, en zij, die haten en (toch) het goede (van wat zij haten) kennen zijn weinigen onder den Hemel!
2. Daarom luidt een zegswijze: „Een mensch kent niet de slechtheid van zijn zoon, en kent niet de rijpheid van zijn groeiend graan.”
3. Dit wordt bedoeld met: „Als het zelf (karakter) niet wordt verzorgd, kan men er de familie niet mede regelen.”
Het bovenstaande achtste hoofdstuk van commentaar legt uit het verzorgen van het zelf en het regelen der familie. [161]
1. Wat bedoeld wordt met: „Om het rijk te regeeren moet men stellig eerst zijne familie regelen,” beteekent: „Als men zijne familie niet kan leeren, kan men (ook) andere menschen niet leeren. Daarom behoeft de (Vorst die een) Kiün Tszʼ is, niet buiten zijne familie te gaan om zijn leer voor den staat te volmaken. De Hiao, daarmede moet men zijn’ vorst dienen. De Ti (liefde en eerbied voor den ouderen broeder), daarmede moet men zijne superieuren dienen. De Tszʼ (compassie), daarmede moet men de menigte behandelen.
2. In de Kʼang Kao staat: „Als wakende over een kind”. Als het hart er ernstig en oprecht naar streeft, ofschoon het niet altijd het precies juiste zal doen, zal het er toch niet ver van af zijn. Er is nog geen (meisje) geweest, die (eerst) opvoeden leerde, om later te huwen.
Dit artikel wil uitdrukken, dat Hiao, Ti, en Tszʼ (Compassie), zie No. 1 hierboven, geen dingen zijn, die men met geweld expresselijk moet krijgen, maar dat zij ingeboren en natuurlijk zijn en in het menschelijk hart hun oorsprong hebben. De vorst moet over het volk waken als een moeder „wakende over haar kind.” Het kind kan niet spreken en zeggen wat het noodig heeft, [162]maar als de moeder ernstig streeft naar zijn welzijn, zal zij wel niet altijd precies alles doen wat het noodig heeft, maar er toch ook niet ver van af zijn. Dit is de grootheid van een liefhebbend hart, dat het vanzelf doet wat voor het voorwerp dier liefde goed is. Zóó wordt een meisje niet vooraf geleerd, hoe een kind op te voeden, en toch weet zij het na haar huwelijk vanzelf. Zóó ook met den vorst. De Hiao, de Ti en de Tszʼ, waarmede hij het volk bewaken en regeeren moet, zijn eigen aan zijne natuur en in zijn hart geworteld.
3. Heeft ééne familie menschelijkheid, dan wordt de geheele staat menschelijk, heeft ééne familie wellevendheid, dan wordt de geheele staat wellevend. Is één mensch eerzuchtig en verdorven, dan wordt de geheele staat verward en oproerig. Zóó is het met (den invloed) der omstandigheden. Dit is waarom men zegt: „Eén woord kan een zaak bederven, één mensch kan het rijk vestigen (in goed of kwaad).”
Met die ééne familie wordt hier stellig de familie van den vorst, met dien éénen mensch de vorst zelf bedoeld. De vorst heeft den voorspoed of het verderf van den staat in zijne hand.
4. Yaou en Shoen leidden het keizerrijk met menschelijkheid, en het volk volgde hen. Kjeh en Cheu leidden het keizerrijk met geweld en [163]het volk volgde hen. Wat zij bevalen (van wetten) was tegenovergesteld aan waar zij van hielden (van begeerten) en het volk volgde (hunne bevelen) niet. Daarom moet de (Vorst die een Kiün Tszʼ) is, alles (eerst) zelf hebben en dáárna van het volk verlangen dat het zelf (ook) heeft, en moet alles (eerst) zelf niet hebben en dáárna van het volk verlangen, dat het dit zelf óók niet heeft. Een mensch, die zichzelf wegcijfert en (alles) niet wederkeerig op zichzelf doet slaan, en (toch) het volk vermocht te leeren, heeft nog niet bestaan.
Kjeh was de laatste keizer der Hia dynastie, die door zijn wangedrag de dynastie ten val bracht (1818 v. C). Cheu, of Cheu Sin was de chineesche Nero, de laatste keizer der Yin dynastie,5 die, door koning Wĕns zoon Woe, van den troon verjaagd, zichzelf met zijn paleis verbrandde (1122 v. C.).—De vorst, wordt in dit artikel bedoeld, moet alles wat hij als wet of leer uitvaardigt, allereerst op zichzelf doen slaan, en mag zichzelf daarin niet wegcijferen als daarbuiten staande. Want van hém gaat juist alles uit. Met het eerste „alles” wordt natuurlijk bedoeld „alle goede dingen” en niet het tweede „alle slechte dingen.”
[164]
5. Daarom, het regeeren van den staat bestaat in het regelen van zijne familie.
6. De Shi King zegt: Hoe teeder is die perzikboom! Hoe overvloedig is zijn gebladerte! Het meisje gaat naar het huis van haar echtgenoot! Zij zal haar familie (huishouden) behoorlijk regelen. Is de familie geregeld zooals het behoort, dan kan men de menschen van den staat leeren.
7. De Shi King zegt: „Zij dienen hun oudere broeders zooals het behoort, zij doen hun plicht tegenover hun jongere broeders zooals het behoort.” Dient (de Vorst) zijn oudere broeders en doet hij zijn plicht tegenover zijn jongere broeders zooals het behoort, dan kan hij later daarmede de menschen van den staat leeren.
8. De Shi King zegt: „Er is niets verkeerds in zijn houding.” Hij maakt het volk der staten alom recht.—Als (de Vorst) als vader, als kind, als oudere broeder, als jongere broeder geheel aan de wetten (van die kwaliteiten) voldoet, dan maakt later het volk daar hun wet van.
De laatste zin zou, minder getrouw aan den origineelen tekst, maar duidelijker uitgedrukt, ook kunnen vertaald worden: „Als (de vorst) als vader, als zoon, als oudere broeder, [165]als jongere broeder in al die kwaliteiten volmaakt is, dan maakt het volk hem later tot hun voorbeeld.”
9. Dit is de bedoeling van „Het regeeren van den staat bestaat in het regelen van zijne familie.”
Het bovenstaande negende hoofdstuk van commentaar legt uit: „Het regelen van de familie en het regeeren van den staat.”
1. Wat men noemt: „Het keizerrijk tot vrede brengen bestaat uit het regeeren van zijn’ staat” beteekent: Als (de Vorst) den Ouden (den eerbied) geeft die den Ouden toekomt, dan zal het volk Hiao krijgen. Als (de Vorst) zijn’ superieuren geeft wat den superieuren toekomt, dan zal het volk Ti (broederliefde) hebben. Als (de Vorst) medelijdend weezen en hulpeloozen behandelt, zal het volk hetzelfde doen. Daarom, de Kiün Tszʼ heeft een principe van beperking, waarnaar hij zijn gedrag kan afmeten.
Ik heb mij (evenals Wells Williams in zijn dictionnaire deed onder „kieh”) een vrijheid veroorloofd met den tekst, ter verduidelijking. Letterlijk staat er, dat de Kiün Tszʼ [166]een principe heeft in den vorm van een vierkant, waarmede hij kan meten. De bedoeling is: „een principe, waarnaar hij zich moet richten.” Onder „Ouden” is hier te verstaan ouders en ouden van dagen, onder superieuren oudere broeders en oude verwanten.
2. Wat men haat in zijn superieuren mag men niet doen aan zijn inferieuren; wat men haat in zijn inferieuren mag men niet gebruiken in ’t dienen van zijn superieuren. Wat men haat in diegenen, die voor ons zijn, daarmede mag men niet diegenen, die ná ons komen, voorgaan; wat men haat in diegenen, die ná ons komen, daarmede mag men niet volgen diegenen, die vóór ons zijn. Wat men haat, van rechts te ontvangen, mag men niet naar links uitdeelen; wat men haat, van links te ontvangen, mag men niet naar rechts uitdeelen. Dit is wat men noemt het principe van beperking, naar welk (de Vorst) zijn gedrag kan afmeten.
3. De Shi King zegt: „Hoe blij zijn wij met deze prinsen, de ouders van het volk.” Als (de Vorsten) liefhebben, wat het volk liefheeft, en haten, wat het volk haat, dan worden zij de ouders van het volk genoemd. [167]
Ook dit, evenals No. 1 en 2, geeft dus aan, waaruit het principe van beperking bestaat.
4. De Shi King zegt: „Hoe verheven is die zuidelijke berg met zijn ruige rotsen! Hoe majestueus zijt gij, onze Meester Yin; het geheele volk ziet tegen u op!” Zij, die den staat regeeren, mogen niet zorgeloos zijn. Als zij afwijken (van het vaste principe) komen zij in het geheele rijk tot schande.
5. De Shi King zegt: „Toen de keizers der Yin dynastie nog niet (de liefde van) het volk hadden verloren, waren zij de gelijken van Shang Ti. Ziet in uw houding naar Yin als (afschrikwekkend) voorbeeld! Het groote Lot (van den Hemel) is niet gemakkelijk (te behouden). Hieruit blijkt als regel, dat als (de Vorst) de liefde der massa verkrijgt, hij ook den staat verkrijgt, en als hij de liefde der massa verliest, hij ook den staat verliest.
Shang Ti is een der alleroudste godheden der chineezen, van lang vóór Confucianisme, Boeddhisme, en Taoïsme, een suprême heerscher in den Hemel. Sommigen personifieeren hem met den Hemel. Dit werk, enkel een werk over Confucianisme zijnde, kan ik hier niet uitvoerig over Shang Ti uitweiden, waarvoor een geheel nieuw [168]werk zou noodig zijn. De protestantsche zendelingen hebben de onvoorzichtigheid begaan, ons God in Shang Ti te vertalen, wat tot groote verwarring aanleiding geeft.
Met „ming”, door mij vertaald het Lot, en dat ook het Noodlot kan beteekenen, wordt hier bedoeld „Het goede Lot, door den Hemel tot geluk aan het rijk beschoren.” Omtrent het uiteinde van den laatsten keizer der Yin dynastie zie men No. 4. (Bespreking.)
Ik wil deze gelegenheid gebruiken om dus nog even te resumeeren, wat wordt bedoeld met het principe van beperking, waarnaar de vorst zijn gedrag moet afmeten. Ten eerste dus, hij moet zijne ouders en de ouden van dagen, en ook zijne superieuren den gepasten eerbied betuigen, ten tweede moet hij niet doen aan inferieuren wat hij haat in inferieuren en omgekeerd, enz. (zie No. 2), ten derde moet hij liefhebben en haten wat het volk liefheeft en haat, dus met het volk één hart hebben, ten vierde moet hij er om denken, dat hij altijd door te zorgen heeft voor zijn eigen gedrag, niet enkel voor dat van het volk, ten vijfde moet hij begrijpen, dat met de liefde van zijn volk het rijk voor hem staat of valt.
6. Daarom zal de Vorst allereerst zorg dragen voor (eigen) deugd. Als hij de deugd heeft, heeft hij (ook) de (liefde der) menschen. Als hij de (liefde der) menschen heeft, heeft hij (ook) het grondgebied. Als hij het grondgebied heeft, heeft hij (ook) bezittingen. Heeft hij bezittingen, dan [169]heeft hij (ook) middelen voor zijne uitgaven.
7. De deugd is de Oorsprong. De bezittingen zijn het einde (het gevolg).
Hier heeft men de toepassing van den Hoofdtekst No. 3.
8. De Vorst, die den Oorsprong bijzaak maakt, en het einde hoofdzaak, zal met het volk in strijd komen, en maken dat overal roof gebeurt.
9. Daarom, als de bezittingen zich verzamelen (bij den Vorst), dan zal het volk zich verspreiden; als de bezittingen zich verspreiden, dan zal het volk zich verzamelen.
10. Daarom, als de woorden (van den Vorst) uitgaan tegen recht in, dan zullen zij ook tegen recht in weer tot hem inkomen. Als de bezittingen (van den Vorst) tegen recht in bij hem inkomen, dan zullen zij ook tegen recht in (weer) van hem uitgaan.
11. De Kʼang Kao zegt: „Waarlijk, het Lot kan niet altijddurend (blijven)”, dat wil zeggen, goedheid verkrijgt het, slechtheid verliest het.
„Lot” hier weer als Besluit des Hemels omtrent het heil des lands, welks besluit door goedheid voor zich gewonnen, door slechtheid voor zich verloren gaat.
12. In het Boek van Tsʼoe staat: „De staat [170]van Tsʼoe beschouwt dit niet als een kostbaarheid. Het beschouwt alleen het Goede als een kostbaarheid.”
Toen een afgezant van Tsʼoe in den staat Tsin was, vroeg een Tsinsch mandarijn hem, wat de kostbare gordel waard was, dien hij droeg, en de afgezant uit Tsʼoe antwoordde met deze beroemd geworden woorden. Dit No. evenals het volgende illustreert het gezegde in No. 7. „Deugd is de Oorsprong, bezitting is het einde (het gevolg).
13. Faan, (hertog Wĕn’s) oom, zeide: „Deze waardelooze mensch beschouwt dat niet als een kostbaarheid; hij beschouwt liefde voor zijne ouders als een kostbaarheid.”
Met dit „dát” wordt bedoeld „het verkrijgen van den staat.” Faan was een neef van hertog Chow Wĕn Koung van Tsʼin, die uit zijn rijk was verjaagd. Toen er sprake van was, om dat rijk weer te heroveren, gaf Faan deze woorden vermanend aan zijn’ oom ten beste, zichzelf nederig „waardeloos mensch” noemend.
14. In de Tsʼin Shiʼ. staat: „Als ik kon hebben één minister, die puur en oprecht was, zonder (pretentie op) andere talenten, sober en sereen, en als hebbende verdraagzaamheid; als anderen talenten hebben, dat het voor hem was, alsof [171]hij ze zélf had; die als hij uitstekende en welopgevoede menschen (ontmoet), van hen meer houdt in zijn hart dan zijn mond het uitspreekt, en hen kan verdragen; zúlk een minister zou mijn kinderen en kleinkinderen kunnen behoeden en het zwartharige volk, en bovendien van voordeel zijn voor het rijk. Maar (als de minister er een is die), als hij (andere) menschen van talent ziet, jaloersch op hen is, en hen haat, en als hij uitstekende en welopgevoede menschen (ontmoet) zich tegen hen keert en niet toelaat, dat zij bevorderd worden, en hen dus wezenlijk niet kan verdragen; zulk een minister zou mijne kinderen en kleinkinderen en het zwartharige volk niet kunnen behoeden, en ook gevaarlijk (voor den staat) worden genoemd.
De Tsʼin Shiʼ of Declaratie van Tsʼin is het laatste boek van de Shoe King. Ik zie hierin de bedoeling, dat een minister, die een simpel en oprecht mensch was vóór alles, al had hij niet allerlei bizondere, uitstekende talenten, de man was, waaraan men behoefte had. Iemand zonder jaloerschheid, die het verheugd kon aanzien als er bizonder talentvolle mannen in het rijk waren. „Het zwartharige volk” is een veel voorkomende uitdrukking voor „het chineesche volk.” Het volgende No. gaat hierop door.
[172]
15. Alleen de (werkelijk) menschelijke mensch kan zóó eenen wegzenden en hem verbannen naar de barbaren in de vier windstreken, hem niet met zich samen latende wonen in het Rijk van het Midden. Dit wordt bedoeld met het gezegde: „Alleen de menschelijke mensch kan (andere) menschen liefhebben, of kan (andere) menschen haten.”
16. Menschen van talent en waardigheid zien en ze niet kunnen bevorderen; ze wel bevorderen, maar dit niet spoedig (genoeg) kunnen doen, dit is impertinent; slechte menschen zien en ze niet kunnen wegzenden; ze wegzenden, maar dit niet spoedig genoeg kunnen doen, dit is een fout.
Met „bevorderen” bedoel ik hier, hun een ambt geven, of, als ze er al een hebben, hen promotie te doen maken. Confucius beschouwde het als een hoogsten plicht, menschen van waardigheid en talent onmiddellijk in de regeering te gebruiken. (Zie ook b. v. Choeng Yoeng XX. No. 4), en dit nalaten stond gelijk met een misdaad.—Eveneens was het een hoofdplicht, op staanden voet slechte ambtenaren in stede van ze à tout prix te handhaven, onmiddellijk te verwijderen. Want de regeerende ambtenaren moesten zijn de „vaders van het volk”, die het, ook door voorbeeld, moesten leeren [173]hernieuwen, en het bewaken en verzorgen „als een moeder, wakende over haar kind.”—Confucius’ leer was, dat de regeering niet allereerst moest straffen, maar dat misdaden van het volk vooral dáárdoor voorkwamen, dat het niet werd geleerd en voorgegaan in het goede. Niet de officieel gegeven rang maakte den bestuursambtenaar uitsluitend, maar zijn eigen handel en wandel waren de hoofdzaak, de oorsprong. Van in hem te handhaven prestige was geen sprake, want de bestuursambtenaar maakte zijn prestige zelf met zijn eigen deugd, zijn eigen menschelijkheid.
17. Lief te hebben wat de menschen haten, te haten wat de menschen liefhebben, dit noem ik tegen de menschelijke natuur ingaan. Stellig zullen over het hoofd (lett. het lichaam) van dezulken (die zoo doen) rampen komen.
18. Daarom heeft de (Vorst die een) Kiün Tszʼ is een grooten Weg (van bedrag) te volgen. Met zelfvolmaking en waarachtigheid verkrijgt hij het (rechte daarvan). Met hoogmoed en buitensporigheid verliest hij het.
19. Het voortbrengen van schatten heeft (ook) een grooten Tao.6 Zijn zij, die produceeren, velen [174]en zij die eten weinigen, zijn zij, die maken, actief en zij die gebruiken zuinig, dan zal de weelde altijd voldoende zijn.
Dit schatten, „ts’oi” te verstaan door „alles wat van nut is, dus zoowel bezitting, weelde, als alle voedingsmiddelen.”
20. Hij, die menschelijk is, komt vooruit door (de manier waarop hij) zijne schatten (krijgt en door wat hij er mede doet); hij, die niet menschelijk is, verkrijgt schatten door (het verwaarloozen van) zijn zelf-karakter (lett. zijn lichaam).
De tekst zou licht aanleiding geven tot misverstand, want daar staat letterlijk: „Hij, die menschelijk is, bevordert zichzelf door zijne schatten (wat zou beteekenen: heeft zijn rang gekocht met zijn geld) en hij, die niet menschelijk is, verkrijgt schatten door zijn zelf.” Choe Hie legt het in zijn commentaar uit in den zin, dien ik hier geef.
21. Het is nog niet voorgekomen, dat als de Vorst menschlievendheid liefhad, het volk plichtmatigheid niet liefhad; het is nog niet voorgekomen, dat (het volk) plichtmatigheid liefhad en de zaken (van den Vorst) niet tot het (goede) eind kwamen. En het is nog niet voorgekomen (in een staat als deze) dat de schatten in de dépots en schatkamers niet de schatten (van dien Vorst) bléven. [175]
Voortdurend ziet men aldus in de Ta Hiŏh geleerd, dat als de Vorst maar zelf vóórgaat in deugd en menschelijkheid, hij niet alleen maakt dat het volk zijn plicht doet, maar ook zijn eigen geluk en welzijn daarmede bevordert.
22. „Meng Hien zeide: „Die paarden en rijtuigen houdt gaat niet na of hij wel kippen en varkens heeft. Een familie, die ijsmagazijnen houdt fokt geen koeien en schapen. Een familie van honderd wagens houdt er geen minister op na, die begeerig is op belasting opleggen. Beter dan zulk een minister te hebben, die begeerig is op belasting opleggen, zou het voor die familie zijn om dieven te hebben (die haar zelve berooven). Dit wordt bedoeld met het gezegde: „Een staat moet geen winst als voordeel beschouwen, maar moet plichtmatigheid als voordeel beschouwen.”
Mĕng Hien was een beroemd minister van den staat Loe, die regeerde vóór Confucius leefde. Legge teekent bij dezen tekst aan, dat als een ambtenaar zijn post voor het eerst ging bekleeden, hij vroeger, in Mĕng Hiens tijd, van den vorst een wagen met vier paarden kreeg om te beletten, dat hij op andere, oneerlijke manieren zich zou verrijken. IJs werd door hooge mandarijnen in magazijnen gehouden om in rouwceremoniën te gebruiken. Een chineesch commentator geeft als bedoeling—die [176]ik voor zeer juist houd—„dat de staat moet zorgen, dat de ambtenaren genoeg traktement hebben, zoodat zij niet gedwongen worden het volk te bestelen tot in hun kippen en runderen toe. Maar als zij van den staat voldoende traktement kregen, waren zij ook gehouden, naar plicht en recht te handelen.”
23. Als hij, die aan het hoofd van een’ staat is, zijn schatten (weelde) tot zijn hoofdzaak maakt, dan komt dat stellig door een’ gemeenen (kleinen) mensch (die hem influenceert), naar ik meen. Híj beschouwt hem dan als een goed mensch. Als (deze) gemeene mensch gebruikt wordt in de actie (van regeeren) van een staat, dan zullen er tegelijkertijd rampen en gevaren neêrkomen. Al is (er dan later) een goed mensch (voor in de plaats gekomen) dan zal het niet meer zóó als behoort kunnen worden, naar ik meen. Dit wordt bedoeld met „Een Staat moet geen winst als voordeel beschouwen maar plichtmatigheid als voordeel beschouwen.”
Een commentaar wijst er op, dat het dus de plicht is van den Vorst niet zóó maar argeloos zijn ministers (al zijne ambtenaren) als goede menschen te beschouwen, maar dat hij wel degelijk voortdurend moet onderzoeken. Zulk een gemeen mensch, in de regeering gebruikt, zal èn den [177]toorn van den Hemel opwekken, die dan rampen doet gebeuren, èn het hart van het volk verliezen, wat dan gevaar van opstand geeft. Wordt dan later in zijn plaats een goed mensch tot zijn’ rang bevorderd, die alles wil trachten te redden, dan zal hij toch niet meer redden kúnnen.
Het bovenste tiende hoofdstuk van commentaar legt uit, het regeeren van den staat en het tot (rust en) vrede brengen van het geheele rijk. Er zijn alzoo tien hoofdstukken van commentaar. De eerste vier hoofdstukken bespreken in ’t algemeen de (drie) Hoofden (van het werk) en geven er de essence (lett.: de geur) van aan; de (overige) zes hoofdstukken bespreken nauwkeurig de acht détails en hun werking. Het vijfde hoofdstuk bevat de noodzakelijkheid van de heldermaking van het goede, en het zesde hoofdstuk bevat den oorsprong van het komen tot Chʼing. Deze vorige hoofdstukken moeten door den leerling van het grootste gewicht worden beschouwd. Laat de lezer ze niet minachten om hun (schijnbare) eenvoudigheid. [178]
1 Zooals ik reeds in „Het Leven van Confucius” zeide, wordt het betwijfeld, of Confucius wel dezen tekst ooit uitsprak en of Tsĕng Sin wel de uitlegger en schrijver der volgende hoofdstukken was, en bestaat hieromtrent geen zekerheid. Vertaler geeft echter Choe Hie’s opinie er bij, omdat die nu eenmaal in bijna alle chineesche edities aan den tekst is toegevoegd. ↑
2 Dit zou óók volgens de chineesche constructie kunnen beteekenen: „is dicht bij den Tao (dan hier „Leer”) (van den Ta Hiŏh) zijn” en is ook door velen zoo opgevat. ↑