[Inhoud]

Uit Boek I.

De Meester zeide: „Mooie woorden en een mooi (gemaakt) gezicht gaan zelden samen met menschelijkheid.”


De filosoof Tsʼeng zeide: „Ik doe dagelijks drie onderzoekingen in mijn karakter: of ik in mijn handel voor andere menschen wel loyaal ben geweest; of ik in mijn’ omgang met vrienden wel oprecht ben geweest; of ik de lessen (van mijn’ Meester) wel heb opgevolgd.”


De Meester zeide: „Om over een rijk van duizend wagens te regeeren, moet men eerbiedige toewijding aan den dienst hebben, en getrouw zijn; moet men zuinig zijn in de uitgaven; moet men het volk liefhebben en op (gepaste) tijden gebruiken.”


[179]

De Meester zeide: „Een jongeling moet thuis ouderlievend zijn en buitenshuis eerbied hebben voor zijn meerderen; hij moet ernstig zijn en de waarheid spreken; hij moet alle menschen overvloedig liefhebben, en met de menschlievenden omgaan. Als hij daarna nog kracht over heeft moet hij die gebruiken voor de studie van de litteratuur.”


Tszʼ Hia zeide: „Als een mensch de deugd eert en zijn gedachten van de schoonheid aftrekt; als hij zijne ouders dient met uiterste inspanning van krachten; als hij zijn vorst dient met opoffering van zijn eigen leven; als hij in zijne woorden waar is in den omgang met zijne vrienden; ofschoon men van dezen zegt, dat hij niet geleerd heeft, noem ik dat toch stellig geleerd hebben.”


De Meester zeide: „Als de Kiün Tszʼ niet ernstig is, zal hij geen eerbied inboezemen, en is zijne studie niet degelijk.”


Beschouw loyauteit en oprechtheid als uw hoofdplicht.

Hebt geen vrienden die uwe gelijken niet zijn. [180]

Hebt gij fouten, wees dan niet bang ze te veranderen.


Tszʼ Kin vroeg aan Tszʼ Koeng: „Als onze Meester ergens in een staat komt, dan hoort hij stellig alles over de regeering daar. Is het doordat hij er naar vraagt, of geeft men hem (vanzelf) die inlichtingen?”

Tszʼ Koeng zeide: „Onze Meester is zacht, oprecht, reverent, gematigd en bescheiden, en daarmede verkrijgt hij het. De manier waarop onze Meester inlichting vraagt, is dat niet iets geheel anders dan als andere menschen inlichtingen vragen?”


De Meester zeide: „Als iemands vader in leven is, kijk dan naar zijn neigingen; als zijn vader gestorven is, kijk dan naar zijn gedrag. Als hij na drie jaren niet afwijkt van den weg zijns vaders kan men zeggen, dat hij Hiao heeft.”

De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ zoekt met eten geen verzadiging (van zijn eetlust), en zoekt in zijne woning niet naar gemak. Hij is actief in zijn zaken, en voorzichtig in zijn spreken. Hij zoekt het gezelschap van menschen van rechte [181]principes om er door verbeterd te worden. Dit mag met recht liefde voor de studie worden genoemd.”


Tszʼ Koeng zeide: „Wat denkt gij wel van iemand, die arm is en (toch) niet vleit; van iemand, die rijk is en toch niet trotsch?”

De Meester zeide: „Die mogen er wezen; maar dat is tóch nog niet (zoo mooi) als iemand die arm is, en (toch) gelukkig; als iemand, die rijk is en van het Decorum houdt.”


De Meester zeide: „Het bedroeft mij niet, dat de menschen mij niet kennen; het bedroeft mij, dat ik de menschen niet ken.”