[Inhoud]

Boek VII.

De Meester zeide: „Een overleveraar, en geen maker, geloof hebbende in de Ouden en hen liefhebbende, vergelijk ik mij nederig met den ouden Pʼang.”

Dit is een gewichtig punt, want hieruit zien wij, dat Confucius zelf heel goed wist, dat hij geen geheel nieuwe dingen verkondigde, maar die der Ouden—waaronder vooral Yaou, Shoen, koning Wĕn en de hertog van Chow—weder overleverde en hernieuwde. Pʼang was, volgens Choe Hie, een talentvol mandarijn uit de Shang dynastie.


De Meester zeide: „Het stilzwijgend kennis (verzamelen); het studeeren zonder (het) moe te worden; de menschen onderrichten zonder luiheid; wát daarvan is aan mij?”

Hier bewondert de chineesche lezer Confucius’ nederigheid.


De Meester zeide: „Erg is mijn verzwakking. In lang heb ik niet weder gedroomd dat ik Chow Koeng zag.”

Hier vindt men een der bijgeloovige zwakheden van Confucius. Als hij niet meer van Chow Koeng, den hertog van Chow droomde, beschouwde hij dat als een slecht voorteeken.


[209]

De Meester zeide: „Van af hem, die mij zijn bundeltje gedroogd vleesch bracht tot diegenen, die hooger (gaven schonken) heb ik nooit iemand mijn onderricht geweigerd.”

Het was de gewoonte, om bij een bezoek voor den Meester iets mede te brengen ten geschenke. Confucius was met wat gedroogd vleesch tevreden, als hij ernstigen wil tot leeren zag.


De Meester zeide: „Aan diegenen, die geen begeerigen ijver (toonen) open ik (de waarheid) niet; diegenen, bij wie de goede wil niet is, help ik er niet uit. Als ik één hoek (punt van een zaak) heb aangetoond, en men er dan niet de (andere) drie uit grijpt, herhaal ik mijn les niet.”


Als de Meester at aan de zijde van een rouwende, at hij zich niet verzadigd. Als de Meester op een’ dag geweend had, zong hij (dien dag) niet.


De Meester zeide tot Yen Yoeën: „Als men gebruikt wordt (in den staatsdienst) de plichten (daaraan verbonden) doen; als men (daarvan) uitgestooten is, verborgen (onbekend) (te leven)—, dit is, wat alleen ik en gij kunnen zijn.”

Dit correspondeert met Boek IV. Hfdst. XIV. [210]

Meermalen doet Confucius voelen, dat de Staat het zelve moet weten, of hij hem dienst laat doen of niet, maar dat híj zich altijd tevreden zal voelen.


Tszʼ Loe zeide: „Als gij drie „kiün” troepen te leiden hadt, wien zoudt gij dan met u samen doen ageeren (als veldheer)?”

De Meester zeide: „Hem, die als een wilde tijger is, die een rivier oversteekt en dan sterft zonder dat hij er spijt over heeft, dien zou ik stellig niet nemen, maar (wèl) hem, die vol zorgzame vrees is bij het aanvaarden der zaken, die goed zijn plannen verzint en ze volvoert.

Men ziet hieruit, evenals men zal zien uit mijn laatste fragment uit Boek XIII, dat het het chineesche volk niet ontbroken heeft aan goede lessen uit de oudheid, om het te waarschuwen vóór den oorlog met Japan. Een „kiün” troepen is 12500 man. Een groote staat had er drie.—De vergelijking van den enkel woesten, maar niet verstandigen man met den tijger, die, niet kunnende zwemmen, zijn vijand in het water aanvalt of vervolgt, lijkt mij zeer juist.


Toen de Meester in Tsʼi was, hoorde hij de Shau, en in drie maanden kende hij niet den smaak van vleesch. Hij zeide: „Ik had niet gedacht, [211]dat muziek zóó uitstekend kon worden gemaakt.”

Reeds in „Het Leven van Confucius” aangehaald. Zie ook het voorlaatste door mij aangehaalde fragment uit Boek II.


De Meester zeide: „Grove rijst om te eten, water drinken, mijn gebogen arm als kussen—te midden van deze dingen is óók geluk. Op onplichtmatige wijze verkregen rijkdom en aanzien is voor mij als drijvende wolken.”


De hertog van Shie vroeg Tszʼ Loe over Confucius. Tszʼ Loe antwoordde niet.

De Meester zeide (toen hij dit later hoorde): „Waarom zeidet gij niet, hij is een man die in zijn ijverig zoeken (naar wijsheid) zijn voedsel vergeet, die in de vreugde (van het verkrijgen) zijn smart vergeet, en niet weet (en bemerkt) dat de ouderdom naderende is?”


De Meester zeide: „Ik ben niet een, die bij zijne geboorte het weten (reeds) had; ik ben er een die (enkel) de Ouden liefheeft en het daar ernstig zoekt.”

Zie over de Wijzen, die reeds bij de geboorte het àlweten [212]bezitten, de Choeng Yoeng. Confucius was te nederig om zich daar zelf onder te rekenen.


De Meester zeide: „De Hemel heeft de deugd in mij voortgebracht. Hwan Tʼoey,—wat kan híj mij (dan) doen?”

In het „Leven van Confucius” heb ik dit reeds besproken.


Het volk van Hoe Hiang was moeilijk om mede te spreken. Toen een jongentje (daarvan) den Meester kreeg te zien in een onderhoud twijfelde men (of hij daaraan wel goed deed).

De Meester zeide: „Ik heb te doen met zijne nadering tot mij, ik heb niet te maken met zijn alleen zijn (en wat hij dan doet); waarom zóó erg (streng) zijn? Als iemand zich verreint om bij mij te komen, heb ik (enkel) met zijn verreind zijn te maken, zonder te waarborgen wat zijn verleden (geweest is).”

Het volk Hoe Hiang was berucht om zijn slechtheid. Dit fragment geeft een schoon blijk van Confucius’ grootmoedigheid en zijn liberaal oordeel.


De Meester zeide: „In de literatuur ben ik niet minder en wel gelijk aan andere menschen; [213]maar zélf mij gedragen als een Kiün Tszʼ, dát heb ik nog niet verkregen.”

Men ziet hieruit, hoe Confucius den superieuren mensch, den oppersten goeden mensch, dien hij Kiün Tszʼ noemde, boven den literator stelde.


De Meester was zacht en (toch) streng, majestueus en (toch) niet woest; vol eerbied, en (toch) rustig.