De Meester zeide: „De menschen van vroeger waren in Decorum en Muziek „landelijke menschen”; die van latere tijden zijn in Decorum en Muziek Kiün Tszʼ. [229]
Als ik deze dingen gebruik volg ik die van vroeger.”
Met „landelijk” wordt hier eenvoudig, primitief (in den goeden zin) bedoeld. Met Kiün Tszʼ niet zoozeer de overal door Confucius verheerlijkte ideaal-mensch, maar meer de „accomplished gentleman”, waarmede o. a. Legge het hier heeft vertaald. De bedoeling is, dat muziek en decorum vroeger meer simpel van groote, eenvoudige waarheid waren, en de latere menschen, door deze ál te beschaafd en gepolijst te willen maken, het ware wezen er van te veel opofferden aan mooien schijn.
Om hun deugdzaam gedrag waren onderscheiden Yen Yuen, Min Tszʼ Kʼien, Yen Pih Nioe, en Choeng Koeng; om hun talent van spreken Tsae Woe en Tszʼ Koeng; om hunne vaardigheid in het beheeren van zaken Yen Yioe en Kie Loe; om hunne studie van literatuur Tszʼ Yioe en Tszʼ Tszʼ Hia.
Deze vier soorten—deugdzaam gedrag, talent van spreken, vaardigheid in beheeren, en studie van literatuur worden genoemd „de vier klassen” van discipelen en die tien bovengenoemde volgelingen „de tien wijzen.”
Toen Yen Yuen gestorven was, riep de Meester uit: „Helaas! De Hemel vernietigt mij! De Hemel vernietigt mij!”
[230]
Toen Yen Yuen (Yen Hwoey) gestorven was, weende hij van smart. Zijne volgelingen vroegen: „Is uw smart zoo bovenmatig?”
(En de Meester zeide:) „Is mijn smart bovenmatig? (Ik weet dat niet eens!) Als ik om dezen mensch niet ontroerd ware van smart, om wien zou ik het dán zijn?”
Kie Loe vroeg (den Meester) over het dienen van de kwei-shin (geesten der dooden). De Meester zeide: „Als gij de menschen nog niet kunt dienen, hoe kunt gij dan de geesten (van menschen) dienen?”
(Toen) vroeg (Kie Loe) over den dood. (En de Meester) zeide: „Gij kent nog niet het leven; hoe zoudt gij dan den dood kennen?”
Dit gezegde is zeer karakteristiek voor de filosofie van Confucius, die van den dood en een „hiernamaals” bijna nooit sprak, en enkel over het leven en de levenden filosofeerde. Vergelijk ook Boek VI „Pan Chi vroeg enz.” en vergelijk Bespreking van „Choeng Yoeng”, XVI. Men ziet hieruit, dat de overmatige, belachelijke vereering der dooden—zooals wij die in de kleinste bizonderheden in Prof. de Groots standaardwerk „The religious system of China” hebben leeren kennen—absoluut in strijd is [231]met de Confucianistische leer, en deze misbruiken dus allerminst aan háár moeten worden toegeschreven.
Min Tszʼ stond aan zijne zijde, zacht en hoffelijk; Tszʼ Loe stout en energiek; Yen Yioe en Tszʼ Koeng oprecht en open. De Meester was verheugd.
Dit is als een schilderijtje, voorstellende Confucius met zijne vier discipelen, die allen in simpele trekken hun karakteristiek vertoonen. In het chineesch is het nog simpeler, daar voor de door mij gebruikte twee verschillende woorden in het origineel één chineesch karakter voldoet. Zie de Bespreking bij het 1e fragment in Boek X.
Tszʼ Koeng vroeg: „Szi of Shang, wie is de waardigste?” De Meester zeide: „Szi gaat er naast, Shang komt er niet aan toe.” (Tszʼ Koeng) zeide: „Dan is Szi de beste, denk ik.” De Meester zeide: „Er naast gaan is (even verkeerd) als er niet aan toe komen.”
Hier wordt het afwijken of niet bereiken van „Choeng Yoeng” bedoeld. Vergelijk ook „Choeng Yoeng”, Hfdst. IV.
De Meester zeide: „Hwoey! Hij was er bíjna! (En) hij was voortdurend in armoede.”
Bedoeld is: Hwoey was bijna geheel toe aan Tao, het volgen van de Sing. En dan kon hij in armoede ook best rust hebben.
[232]
Tszʼ Loe vroeg: „Wat ik gehoord heb, moet ik dat dadelijk uitvoeren?” De Meester zeide: „Uw vader en uwe oudere broeders zijn er bijvoorbeeld nog (wie gij kunt raadplegen). Waarom wat gij hoort dadelijk uitvoeren?”
Yen Yioe vroeg: „Wat ik gehoord heb, moet ik dat dadelijk uitvoeren?” De Meester zeide: „Voer het dadelijk uit.”
Koeng Si Hwa zeide: „Yioe vroeg, of hij dadelijk moest uitvoeren wat hij gehoord had en gij zeidet: „Uw vader en uw oudere broeders zijn er (wie gij kunt raadplegen)”.—„Kʼioe vroeg, of hij dadelijk moest uitvoeren wat hij gehoord had, en gij zeidet: „Voer het dadelijk uit!”—Chʼih is verward, en durft u vragen (hoe het hiermede is).” De Meester zeide: „Kʼioe is dralerig, daarom laat ik hem vooruit gaan. Yioe is meer dan anderen, daarom laat ik hem achteruit gaan.”
Men vergete niet dat Tszʼ Loe = Yioe, Yen Yioe = Kʼioe, en Koeng Si Hwa = Chʼih is.
Tszʼ, die in energie en dapperheid méér was dan andere menschen, had gebrek aan doorzicht en correctheid, Kʼioe was te verlegen om te ageeren. Confucius lette dus bij zijn antwoord op hun beider karakters, en gaf hierdoor blijk van zijn menschenkennis.
[233]