[Inhoud]

Boek XVII.

De Meester zeide: „Door hunne natuur zijn de menschen elkaar nabij. In de practijk gaan zij ver van elkaar.”

Choe Hie teekent hierbij aan, dat hier niet de „Sing” wordt bedoeld (uit de „Choeng Yoeng”) maar de complexe, actueele natuur, „met haar elementen van het materieele, het animale, en het intellectueele.”

De Meester zeide: „Alleen de opperste wijzen en de laagste dommen (kunnen niet) veranderd (worden).”

De Meester zeide tot Poh Yü: „Maak werk van de Chow Nan en de Shaou Nan. De mensch, die geen werk maakt van de Chow Nan en de Shaou Nan is als iemand die recht tegenover een muur staat. Is dat niet zoo?”

De Chow Nan en Shaou Nan zijn de eerste twee boeken in de Shi King. Hij, die deze boeken, waarin zooveel [261]over deugd en regeering staat, niet had gelezen, kon volgens Confucius evenmin vooruit als iemand, die tegenover een muur staat.

De Meester zeide: „(Het is volgens) de Lí, zeggen zij. Zijn edelsteenen en zijde (alles) wat zij bedoelen met de Lí? Muziek, zeggen zij. Zijn bellen en trommen (alles) wat zij bedoelen met muziek?”

Ziehier dus een klacht van Confucius, dat in zijn’ tijd de menschen alleen het uitwendige, den schijn van Decorum en Muziek hoog achtten, maar het waarachtige wezen daarvan verwaarloosden.

De Meester zeide: „Hij, die een uiterlijk vertoont van ernstige strengheid, en van binnen zwak is, is als een klein mensch; is hij zelfs niet als een dief, die zich door een muur heendringt, of er overheen klimt?” (en ieder oogenblik bang is, betrapt te worden?)


De Meester zeide: „Het volk van de oudheid had drie fouten, die tegenwoordig misschien verloren zijn gegaan.”

„Het hoogvliegen van de oudheid was een niet achtslaan op kleine dingen; het hoogvliegen van heden is losbandigheid. De strenge waardigheid van de oudheid was een ernstige teruggetrokkenheid; [262]de strenge waardigheid van heden is twistzieke gemeenheid. De domheid van de oudheid was oprechtheid; de domheid van tegenwoordig is enkel bedrog.”

Eigenaardig is deze wijze, om uit het falen van de oudheid hare deugd te bewijzen.


De Meester zeide: „Ik zou wenschen, niet te spreken.”

Tszʼ Koeng zeide: „Als de Meester niet spreekt, hoe moeten uwe kleine kinderen (discipelen) dan overleveren?”

De Meester zeide: „Spreekt de Hemel dan? De vier jaargetijden gaan (hunnen loopgang). Alle dingen worden geboren. Maar spreekt de Hemel?”

Ziehier een episode, die eerder in een werk van Lao Tszʼ of Chuang Tszʼ te verwachten ware dan in een van Kʼoeng Tszʼ (Confucius). Ching Tszʼ geeft van dezen tekst de dichterlijke verklaring: „De Leer van Confucius had de helderheid van de zon en de sterren.” Zijn leer behoefde dus geen woorden om duidelijk te zijn, maar straalde uit van zijn persoon en al zijne daden. Om in Lao Tszʼs zin te spreken, zijn Leer was „Wu Wei,” behoefde geen actie van woorden, maar werkte vanzelf, zooals ook de natuur doet.


De Meester zeide: „Hard (is het geval van) [263]iemand, die zich den geheelen dag zat eet, zonder zijn geest ergens voor te gebruiken. Zijn er (dan) geen spelers en schakers? Daar één van te zijn is (nog) waardiger dan niets te doen.”


Tszʼ Loe vroeg: „Waardeert de Kiün Tszʼ dapperheid?” De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ houdt rechtmatigheid voor het hoogste. De Kiün Tszʼ, die dapperheid heeft en geen rechtmatigheid, zal insubordinent worden; de kleine mensch, die dapperheid heeft en geen rechtmatigheid zal gaan stelen.”

De Meester zeide: „Alleen meisjes en dienstknechten zijn moeilijk te onderhouden. Komt gij dicht bij hen (dus: wordt gij familiaar met hen) dan zijn zij niet eerbiedig. Houdt gij u ver van hen dan zijn zij boos.”

Door sommige vertalers is dit „meisjes” ook voor „vrouwen” in ’t algemeen genomen. Dit „meisjes” beteekent hier, zooals ook Legge zegt, meer het engelsche „girls”, dus concubinen. Dienstknechten in den chineeschen zin van slaven hier te nemen.


De Meester zeide: „Yioe, hebt gij gehoord van de zes woorden en de zes overschaduwingen?” (Tszʼ Loe) antwoordde: „Neen.” [264]

„Ga zitten, ik zal het U zeggen” (zeide Confucius). „Houden van menschelijkheid en niet houden van de studie, deze overschaduwing (veroorzaakt domme) naïeveteit. Houden van wijsheid en niet houden van de studie, deze overschaduwing (veroorzaakt) losbandigheid (van den geest.) Houden van oprechtheid en niet houden van de studie, deze overschaduwing (veroorzaakt) kwetsing (of benadeeling). Houden van openheid en niet houden van de studie, deze overschaduwing (veroorzaakt) grofheid. Houden van dapperheid en niet houden van de studie, deze overschaduwing (veroorzaakt) insubordinatie. Houden van onwankelbaarheid en niet houden van de studie, deze overschaduwing (veroorzaakt) dolzinnigheid.”


De Meester zeide: „Als iemand, als hij veertig jaar is, met haat wordt aangezien, zal hij zijn geheele leven blijven zooals hij is.”

Choe Hie merkt hierbij aan, dat „veertig jaar is de tijd van de volmaking der deugd,” de tijd „om te verhuizen naar het goede en de fouten te verbeteren.” De stelling dat iemand, die bij de menigte gehaat is, slecht moet zijn, en dus ook, dat iemand, die bij de menigte geliefd is, goed, komt mij zeer gewaagd voor, en is lijnrecht [265]in strijd met andere principieele uitingen van Confucius. Had hij er, zooals elders bijgezegd „Als er Tao is in het rijk” dan ware het iets anders geweest.