Yaou zeide: „O Shoen, de orde van successie van den Hemel rust (nu) op úw lichaam. Houdt ernstig het Midden (Choeng) vast! Als er ellende is binnen de vier zeeën zal uw traktement van den Hemel tot een eeuwig einde komen.”
Met „de hemelsche orde van successie”, waar letterlijk [275]staat: „de voorgestelde en berekende getallen van den hemel” wordt bedoeld de nalatenschap van vorige keizers en koningen, die elkaar telkens opvolgden „als de seizoenen van den hemel.” Het „traktement” van den Hemel, welk woord hier eenigszins vreemd klinkt, is in het chineesch niet zoo leelijk, omdat verondersteld wordt, dat het „loeh” van hooge mandarijnen hun door den Hemel beschoren is, en het woord „loeh” eenigszins een heilig woord is.
Dezen last gaf ook Shoen aan Yü.
(Thʼang) zeide: „Ik, het kleine kind Lí, durf gebruiken een donker gekleurd offerdier, en durf u aankondigen, alleropperste Shang Ti, dat ik den zondaar niet durf vergeven, en ik uw ministers niet in het duister zal laten. Het onderzoek van hen is in uw hart! Als ik zelf fouten bega, ligt dat niet aan (het volk) der tienduizenden streken. Als (het volk) in de tienduizenden streken fouten begaat, rust dat op míjn lichaam.”
Vertaler moet bekennen, dat hij hier niet voor zijne versie instaat, daar de tekst hem nog lang niet helder is. Thʼang uitte deze woorden—een mannelijk rund tot offering daarbij gebruikende—tegen het volk en de verschillende edelen, toen hij hen opriep tegen Kjeh Wang, den tyran der Hia dynastie. Met den zondaar wordt bedoeld Kjeh. Ik vermoed, dat zijne aanroeping [276]tot Shang Ti geschiedde (Legge vertaalt het door „God” wat geen chineesch idee is), maar ik ben er niet geheel zeker van. Wat mij wèl duidelijk is, is, dat hij beloofde, de waardige ministers niet in duisternis, d. i. ongebruikt te laten; dat als hij zelf misdaden of fouten beging, dit niet aan het volk lag, maar als het volk fouten beging, dit aan hem, den vorst lag, omdat hij het dan niet goed genoeg geleerd had. Dit laatste werd ook later een der hoofdstellingen van Confucius. De „ministers van Shang Ti” zijn de waardigen en goeden, die dus in staatsdienst moeten zijn.
Chow gaf groote gaven, en de goeden werden verrijkt.
Hij droeg nauwlettend zorg voor maten en gewichten, onderzocht de wetten, herstelde de ten onrechte afgedankte ambtenaren (in dienst) en de regeering ging haar (goeden) weg.
Hij deed uiteengevallen staten weer opbloeien, herstelde families, welker afstammingslinie was afgebroken, hief in den staatsdienst ambtenaren weder op, die zich teruggetrokken hadden, en de harten van het volk in het geheele rijk keerden zich tot hem. Wat hij van gewicht beschouwde was het voedsel van het volk, de rouw, en de offering. Met zijn edelmoedigheid verkreeg hij (de liefde van) allen. Door zijn oprechtheid vertrouwde [277]het volk in hem. Door zijn activiteit verkreeg hij (groote) werken. Door zijn gerechtigheid waren allen verheugd.
Met Chow wordt hier bedoeld Woe Wang.
Tszʼ Chang vroeg aan Confucius, en zeide: „Hoe moet iemand doen, zóó dat hij de regeering (goed) kan leiden?”
De Meester antwoordde: „Laat hem de vijf schoone dingen eerbiedigen, en de vier slechte dingen verbannen; dan zal hij de regeeringen (goed) kunnen leiden.” Tszʼ Chang zeide: „Wat is het, dat gij de vijf schoone dingen noemt?” De Meester zeide: „Weldadig zijn en niet verkwistend zijn; het opleggen van werk (aan het volk) zonder dat het mort; verlangen zonder begeerigheid; waardig zijn zonder trotsch te wezen; majestueus zijn en niet woest.”
Tszʼ Chang zeide: „Wat noemt gij weldadig zijn en niet verkwistend?” De Meester zeide: „De dingen, waar het volk (natuurlijk) voordeel van heeft nog voordeeliger te maken, is dit niet weldadig zijn en niet verkwistend? Uit te kiezen de werken die kúnnen gedaan worden, en die [278]als werk opleggen, wie zal (daarover) morren? Zijn verlangen zetten op menschlievende (regeering), en die menschlievendheid (dan ook) verkrijgen, wie zal dat begeerigheid noemen? Zonder er op te letten of hij met allen of met weinigen te doen heeft, met groote of kleine zaken, geen oneerbiedigheid te toonen, is dit ook niet waardig zijn en niet trotsch? Hij zet zijne kleederen en zijn muts recht, en maakt dat hij waardigheid heeft in zijne blikken, zoodat hij, aldus in zijne gestrengheid, met ontzag wordt aangezien; is dit niet majestueus zijn en niet woest?”
Hier zij even tusschengevoegd, dat met de „iemand” in de beginvraag van Tszʼ Chang natuurlijk wordt bedoeld „iemand die een hoogen regeeringspost bekleedt, b. v. die van minister.”
Tszʼ Chang zeide: „Wat is het, dat gij de vier slechte dingen noemt?” De Meester zeide: „Het niet geleerd hebben en (toch) het volk ter dood brengen,—dit wordt genoemd wreedheid. Niet (eerst) gewaarschuwd hebben en (direct) het volmaakte werk eischen (van het volk),—dit wordt genoemd verdrukking. Zonder [279]aandrang bevelen uitvaardigen en, als de tijd aangebroken is (met de uiterste gestrengheid onmiddellijke opvolging eischen),—dit wordt genoemd mishandeling. Over ’t algemeen, (belooningen of salarissen) geven, en dat op een gierige manier doen, dit is als enkel maar „ambtenaar” handelen (zonder menschelijkheid).”
De Meester zeide: „Zonder de decreten van den Hemel te kennen kan men geen Kiün Tszʼ zijn.
Zonder de Lí (het Decorum) te kennen is het karakter nog niet gevestigd.
Zonder te weten (wat) woorden (zijn) kan men de menschen niet kennen.”