(Een ouderwetsch kantoor. Links, eerste plan, deur vàn het kantoor door houten ballustrade gescheiden. Tusschen deur en ballustrade twee banken. Links, derde plan, een oude kast. Achtergrond: drie ramen met uitzicht op de zon-beschenen zee. Voor ’t middenraam een lessenaar. Rechts, eerste plan, schrijfbureau met telefoon, – tweede plan, brandkast, – derde plan, binnendeur. Aan de wanden biljetten van strandvonderij, veilingen, landkaart. In het midden een potkachel.)
Bos. Mathilde. De Boekhouder.
Mathilde.
Clémens …
De Boekhouder
(lezend met pijp in den mond) … de navolgende strandgoederen, als 2447 ribben, gemerkt Kusta, 10 schooten gemerkt M. S. G. …
Mathilde.
Hou effen je mond, Kaps …
[110]
De Boekhouder.
… 4 dekbalke, 2 spiere, 6 brailtjes …
Mathilde
(hem aanstootend). Lees strakkies maar verder.
De Boekhouder.
Jawel, mevrouw.
Bos
(ongeduldig). ’k Heb nou geen tijd.
Mathilde.
Dan máak je maar tijd. ’k Heb de circulaire van de torenklok opgesteld. Toe schel de burgemeester is op.
Bos
(ongeduldig-schellend). Vlug dan! Ansluite met de burgemeester! Ja! – Dat gedonder terwijl ’k ’t druk heb – ’k zit tot over de oore – (lief) Is u daar? M’n vrouwtje …
Mathilde.
… Of mevrouw effen an de telefoon kan komme voor de circulaire.
Bos
(kribbig). Jawel! Jawel! Niet zoo lang. – (lief) Of mevrouw ’n oogenblik voor de toestel … Precies burgemeester – de dames niewaar, hahaha! – Die is héél goed. – (kribbig) Nou? Wat mot ’k zegge. Maak ’t kort!
Mathilde.
Hier, lees de circulaire is voor. Dan kan die na de drukkerij.
Bos
(kwaadaardig). Die heele lap! Ben je dol! Denk je da’k niks an me kop heb! Die verdomde …
[111]
Mathilde.
Hou ’n beetje je fatsoen – Kàps …
Bos.
… Loop naar de hel! – (lief) Jawel, mevrouw. Morgen mevrouw. M’n vrouwtje. – Nee, ze kan niet zelf an de telefoon komme – weet ’r niet mee om te gaan. – (kribbig) Waar is ’t vod? Schiet op! – Me vrouwtje het de circulaire voor de torenklok opgesteld, luister u?… Datum postmerk. M. M.… – Wat zeg u? – Heb u liever L. S.? – Ja. Ja. – Heel juist. – Luister u? – De Nieuwe Kerk is u zeker niet onbekend. – Nee, zegt ze, de stommeling! – ’k Ben al an ’t leze, mevrouw. – Nog is: de Nieuwe Kerk is u zeker niet onbekend. Die kerk heeft, gij weet het, een hooge toren. Die hooge toren wijst naar boven, en dat is goed, dat is gelukkig en waarlijk niet overbodig voor vele kinderen van ons geslacht …
Mathilde.
Lees toch wat duidelijker …
Bos.
Hou je snater! – Pardon – dat was tegen me boekhouer – ja, ja, ha ha ha! – … Maar die toren kon toch iets meer doen, dat ook goed is, ja zeer nuttig. Hij kan ons, kinderen des tijds, ook bij den tijd bepalen. Dat doet hij niet. Hij staat daar sinds 1882 en gaf nog nooit antwoord op de vraag. „Hoe laat is ’t?” Dat kon hij wèl doen. Hij is ’r zelfs op gemaakt. [112]Er zijn vier plaatsen zichtbaar, die gereserveerd zijn voor wijzerplaten. Op allerlei wijze is sinds jaren – zeg u wat? – Nee? – sinds jaren door de bevolking uit den omtrek van dien toren den wensch uitgesproken, dat hij een klok mocht krijgen. Circa ƒ 3000 zijn noodig. Wie helpt nu mee? De commissie. – Mevrouw … Wat zeg u? – Ja, de namen ken u natuurlijk. – Ja, héél aardig, heél aardig opgesteld. – Ja, ja, al de dames van de Commissie teekene natuurlijk in voor ’t zèlfde bedrag. – Honderd gulden, ieder? – Ja – ja. – Héel goed. – M’n vrouw blijft thuis. – Mevrouw! (schelt nijdig af) Verdomde nonsens! Honderd gulden na de weerlicht! Wat raakt ’t joù of ’r ’n klok op dat ding staat!
Mathilde.
’k Zal je maar in je eigen vet late gaarsmoore.
Bos.
Ze komt over ’n kwartier hier met d’r rijtuig. – Nou, bejour!
Mathilde.
Bejour! Bejour! As je ’s avonds wat minder groccies dronk, zou je ’s morges niet zoo’n beroerd humeur hebben – geef effen vijf gulden.
Bos.
Nee. Nee! Je heb vanmorgen pas ’n rijksdaalder [113]uit me beurs genomen, terwijl ’k sliep. ’k Kan an de gang blijve!…
Mathilde.
Heb ik ’n rijksdaalder? Wat ’n infame lengen! Net één gulden! Bah, wat ’n man, om z’n cente te telle voor-ie na bed gaat.
Bos.
Bejour! Bejour!
Mathilde.
Geef ’t niet! Dan kan ’k strakkies de burgemeestersvrouw op ’n glaasje jenever trakteere – drie kruike ouwe snik en geen enkele flesch port of sherry!… (Bos smijt driftig twee rijksdaalders neer)... Zeg ben ’k je meid? Zonder mij zou jij niet met rijksdaalders smijte! – Bah! (nijdig af)
De Boekhouder. Bos.
De Boekhouder
(lezend). IJmuiden, 24 December – Heden ware an de markt vijf sloepe met 800 à 800 levende en 1500 à 2100 dooie schelvisch èn enkele levende kabeljauwe. De levende kabeljauw het zeven en ’n kwart gedaan – de dooie …
Bos.
… Heb-ie niks ànders te doen?
De Boekhouder.
… Dooie schelvisch bracht dertien en ’n halve gulden de mand op – poontjes en rog …
[114]
Bos
(het bureau bekloppend). ’k Weet ’r àlles van! Hier pak an! Boek in! – Sla is op de staat van uitbetaling van De Verwachting…
De Boekhouder
(zoekend) – de Jacoba, née – de Koningin Wilhelmina, ook née – de Mathilde, née – de Hoop van Zegen – da’s voor goed fluite – dé Verwachting…
Bos.
Hoe groot was de bruto-besomming?
De Boekhouder.
… ƒ 1443.47.
Bos.
Dacht ’k wel – hoe kan je dan zoo góddeloos stom zijn, om vièr gulden acht en tachtig voor ’t Weduwen-en-Weezenfonds uit te trekke?
De Boekhouder
(cijferend). Laat ’s zien. – Veertien honderd drie en veertig – drie percent ’r af – da’s veertien honderd – da’s an gage bruto drie honderd zeven en tachtig gulden – ja, dan mot ’t drie gulden acht en tachtig en nièt vier gulden acht en tachtig weze …
Bos
(opstaand). As je van plan ben héelemaal suf te worde – ezelskop! – dan staat ’t gat van de deur voor je open. Jullie vergisse je, goddoome altijd an de verkeerde kant!…
De Boekhouder
(vertrouwelijk-lachend). Daar zou wel wat tegen te zegge zijn, meneer – ik heb toch geen uitbrander gekregen, toen, toen …
[115]
Bos.
Nou, genoeg, genoeg!…
De Boekhouder.
… En dat was ’n vergissing met ’n paar gróóte nulle ’r achter. (Bos gaat ongeduldig rechts af) Hèhèhè! Vandaar ’t spreekwoord nul! (kijkt om, ziet dat Bos weg is, port de kachel op, stopt z’n pijp uit Bos’ tabakspot, gapt voorzichtig een paar sigaren uit het sigarenkistje).
Simon. De Boekhouder.
Simon.
Is Bòs d’r niet?
De Boekhouder.
Ménéer Bos, hè? – Nee.
Simon.
Is-die uit?
De Boekhouder.
Kan je mijn de boodschap niet doen?
Simon.
Ik vraag of die uit is?
De Boekhouder.
Ja.
Simon.
Niks geen tijding?
De Boekhouder.
Néé. Begint dat geloop nou weer? Meneer het toch gezeid dat às-die bericht kreeg …
Simon.
’t Wordt morrege nègen weke.
De Boekhouder.
De Jacoba is wel na 59 dage met 190 kantjes binnengeloope.
[116]
Simon.
Jij staat te lulle! Jij weet meer.
De Boekhouder.
Heb je ’m nòu al om?
Simon.
Nee – geen druppel.
De Boekhouder.
Dan wordt ’t tijd. – Ik ’r meer van wete! ’k Hou de schepe an lijne vast!
Simon.
’k Heb jullie gewaarschouwd toen die op de helling lei. – Wat zijn me woorde geweest?
De Boekhouder
(schouder-schokkend). Allemaal klespraatjes van jou om ’n borrel!…
Simon.
Dat lieg-je! Waar jij bij was en waar de juffrouw bij was – heb ’k gezeid dat ’t schip ròt was, dat kallefatere geen bliksem meer hielp – dat zoo’n drijvende doodkist …
De Boekhouder.
Goed. Dàt heb-ie gezeid. Daar strij ’k niet tegen. En wat zou dat nou? Ben jij zoo’n pièt dat as jij hallef bezopen …
Simon
(driftig). Da’s verdomme gelogen …
De Boekhouder.
… Dan nièt bezopen. – ben jij zóó’n godje dat as jij, as scheepmakersknècht nèe zeit – en je patroon en de assurantie zegge jà – dat dan mijn patroon z’n schip op de veiling mot brenge?
Simon.
Dat dondert niet! Ik héb gewaargeschouwd.[117] – En nou zeg ik – nou zeg ìk – dat as Mees, de anstaande van me dochter – om van de andere niet te spreke – as Mées … dan komt ’r móord van!…
De Boekhouder.
Laat je uitlache! Ga ’n borrel pakke en praat verstandige taal.
De vorigen. Marietje.
Simon.
Had maar buiten gebleven. – Niks geen tijding.
Marietje
(záchtjes-snikkend). Niks geen tijding …
Simon.
… Dan komt ’r moord van … (af).
Bos. De Boekhouder.
Bos.
Wie ware daar?
De Boekhouder.
Simon en z’n dochter. Dreigemente! – Ga u uit?
Bos.
Dreigemente? Is die kerel krankzinnig? – ’k Ben in tien minute terug. Wie komt mot wachte.
De Boekhouder.
Hij sprak van …
Bos.
’k Ben niks nieuwsgierig!… (af).
[118]
De Boekhouder. Saart.
De Boekhouder
(krabbelt naar zijn lessenaar terug. De telefoonschel gaat over. Gewichtig luistert hij aan de gehoorbuis). – Kan niks verstaan. – Ik ben ’t de boekhouer. – Over tien minute is meneer terug – mot je nòg maar is schelle.
Saart.
Dag hartje!
De Boekhouder.
Wat mot jìj nou weer?
Saart.
Ik mot jóu. Jessis wat ’n koue wind. Mag ’k effen me hande warme?
De Boekhouder.
Blijf maar àchter ’t hekkie.
Saart.
Lekker dier, ’k heb maling an je! – Meneer Bos slaat zoo net ’t hoekie om (warmt zich) – ’k Zal maar niet vrage na de Hoop – Jessis, zèven gezinne. – Wat ’n geluk, dat ’r behalve de kindere drie òngetrouwde jonges an boord zijn. Nèrges ies angespoeld?
De Boekhouder.
Nee. Nee!
Saart.
Nou vreet me niet op!
De Boekhouder.
’k Wou dat je àchter ’t hekkie bleef. Wat mot je nou?
Saart.
(in zijn zak kijkend). Pas op – breek meneer z’n sigare niet, ouwe dief! (hij glimlachert). [119]Kaps – wil jij ’n gulden an me verdiene?
De Boekhouder.
Dat leit ’r an.
Saart.
’k Ben an ’t verkeere met Bol, de binnenschipper.
De Boekhouder.
’k Feliciteer je!
Saart.
Hij leit hier met ’n lading mest – voor de stád. – En hoe mot ’k nou trouwe?
De Boekhouder.
Hoe je mot …
Saart.
… ’k Mág toch niet omdat ze niet wéte of me man dood is.
De Boekhouder.
De wettelijke termijn die is – die is –
Saart.
Zóó wijs ben ’k ook.
De Boekhouder.
Je mot driemaal pro Deo in de krante oproèpe en as die dan niet komt – en dat zal die niet – de spoke benne de wereld uit – dan mág-ie …
Saart.
As jij dat zaak-ie nou is beredderde, – dan blijve Bol en ik je dankbaar …
De Boekhouder.
Advocate-zaken. Daar mot je voor na de stad.
Saart.
Jessis wat ’n bereddering! As je verstand je ingeeft: ’k heb Jacob in geen driè jaar gezièn – en de Wisselvalligheid…
[120]
De vorigen. Cobus.
Cobus
(beverig-gejaagd). D’r is bericht!… D’r is bericht!…
De Boekhouder.
Bericht? Wát vertelt-ie?
Cobus
(op huilen af). D’r mòt bericht zijn van de jonges – van – van De Hoop…
De Boekhouder.
Niemendal! (vrindelijker) Of jullie hier nou dag an dag ’t kantoor plat loope – ik kan je geen goed en geen kwaad nieuws zegge – ’t kwaje weet je: twée en zestig dage …
Cobus.
… De waterschout het ’n telegram gekregen … Ach, ach, ach, meneer Kaps, help ons toch uit de onzekerheid – me zuster – en me nichie – (hevig bevend) die zijn gewoon gèk van verdriet …
De Boekhouder.
… Op me woord van waarachtig … Loop-je weer vort?…
Cobus.
Me nichie zit alleen thuis – me zuster is uit schoonmake bij de pastoor – d’r mòt ies weze … d’r mòt ies weze.
De Boekhouder.
Wie maakt je de praatjes wijs?
Cobus.
De klerk van de waterschout zeit – zeit. – Ach lieve God … (af).
[121]
De Boekhouder. Saart.
Saart.
Misschien het-ie gelijk.
De Boekhouder.
Alles kan.
Saart.
Het meneer Bos nog hoop?…
De Boekhouder.
Hoop? Négen weke – zoo’n kreng van ’n schip – na diè storm. Alles kan. Néé – ik geef ’r geen cent voor. Zès weke proviand. As ze ’n Engelsche haven ware binnengevalle, hàd je bericht.
De vorigen. Clémentine.
Clémentine.
Dag Saart. Kaps is ’r binnen visite?
De Boekhouder
(door het raam kijkend). ’t Rijtuig van de burgemeester. Commissie-vergadering voor de klok. Wéer ’n ander spannetje. ’k Wou dat ik de cente had.
Clémentine
(haar schetsboek op Bos’ lessenaar leggend). ’k Zag Cobus daar loopen. Stakker. Wat is diè oud geworden. Je zou ’m haast niet herkennen. (’t schetsboek opnemend) Kijk. Zóo [122]was-ie drie maanden gelejen – kras – vroolijk. Je mag oòk wel kijken, Kaps.
De Boekhouder.
Nee, juffrouw, ik heb geen tijd.
Saart.
De dood van Daantje het-ie zich erreg angetrokke … Die twee zag je altijd samen, altijd an ’t redeneere – nou het-ie in de Diakenie niet één vrind – dat scheelt ’n boel …
Clémentine.
– Herken je die?
Saart.
Nou! Da’s Knièr – da’s Barend met ’n mand op z’n nek – en da’s … (de telefoonschel gaat over. Clémentine slaat het boek dicht)...
De Boekhouder.
Meneer is uit. D’r wier strakkies al gescheld.
Clémentine
(luisterend). Ja? – Papa is ’r niet – Hoe lang zou ’t duren Kaps?
De Boekhouder.
’n Minuut of twee, drie …
Clémentine
(verschrikt). Wat zeg u? – ’n Luik gemerkt 47 – en (bevend) – ik versta u niet – (geeft een schreeuw, laat de gehoorbuis vallen).
De Boekhouder.
Wat is dat? Wat is dat!
Clémentine
(smartelijk-verschrikt)... Ik durf niet meer luisteren.. O. O!
De Boekhouder.
Was dat de waterschout?
[123]
Clémentine
(hartstochtelijk)... Barend is angespoeld. O God, nou is ’t gedaan!
Saart.
Barend?… Bàrend …
Clémentine.
’n Telegram uit Nieuwediep – ’n luik – en ’n lijk …
Bos. De vorigen.
Bos.
Wat gebeurt hier? – Waarom huil jij?
De Boekhouder.
Bericht van de Hoop van Zegen.
Bos.
Bericht?
De Boekhouder.
De waterschout is an de telefoon.
Bos.
De waterschout? – Ga op zij. – Ruk uit jij: wat sta je te gape!
Saart.
Ik – ik – (schuw af).
Bos
(schellend). Hallo! Wie is daar? – De waterschout? – ’n Telegram uit Nieuwediep – benoorden de Haaks – ik versta geen woord! Hou op met je gehuil! – ’n Luik, zegt u? – Zèven en veertig … – Wel da’s vervloekt beroerd – das – ’t Lijk – in staat van ontbinding – [124]van Barend, as oudste gemonsterd … – Herkend door wie? – Dóór? – O – is de Verwachting met averij in Nieuwediep binnengevallen en het schipper Maatsuiker ’m herkend? – Oorringe, ja, ja, zilveren oorringe – dat doet ’r verder niet toe. – Dus is ’t nièt noodig dat ’r hier vandaan mensche gezonden worde voor de identiteit? – Ja, verdomd beroerd! – Onze plaats wordt geteisterd. – Ja – ja – Enfijn – tegen Gods wil staan wij machteloos. – Ja. ja. – Ik twijfelde al niemeer – Dank u. – Ja. – ’t Officieel rapport krijg ’k graag zoo spoedig mogelijk. ’k Zal de assuradeur waarschouwe. Bejour! (hangt heftig de gehoorbuis in den haak). Daar ben ’k gewoon kapot van – twáalef man.
De Boekhouder.
Barend – de zoon van Kniertje angespoeld – da’s – da’s ’n wònder. – Ik dacht dat we nooit meer iets van ’t schip zoue hoore. Toen met de Clémentine…
Bos
(driftig) Ja – ja – ja – ja!… (tot Clémentine) Ga asjeblief naar binnen bij je moeder! De stommiteit om daalijk waar die vróuw bij was – over te kletse wat je hoorde. Nou duurt ’t geen vijf minute of ’t halve dorp is hier! Versta je me niet? Je zit je, god beter, an te stelle asof je liefie an boord was …
[125]
Clémentine.
Wáarom heb u niet geluisterd? (snikt zachtjes).
Bos.
Geluisterd!
Clémentine.
Toen Simon, de scheepmakersknecht …
Bos.
Die vent was dronken!
Clémentine
(heftig). Dat was-ie nièt!
Bos.
Dat was-ie wel! En al was-ie ’t niet geweest – met welk recht steek jij je neus in zake waarvan je geen benul heb?
Clémentine.
Lieve God – nou heb ìk óok schuld …
Bos
(driftig). Schuld? Schuld! Zijn de romannetjes die je leest, je in je hoofd geslagen? – Schuld! – Ben je bezeten om zùlke woorde te gebruike na zoo’n ongeluk!…
Clémentine.
Hij zei, dat ’t schip ’n drijvende doodkist was – toen heb ’k ù hooren zeggen, dat ’t in alle gevallen de láátste teelt zou wezen waaran de Hoop …
Bos
(eerst driftig – dan redeneerend). Die verdomde kostschool, die verdomde kostschoolkure! Loop voor mijn part as ’n zottin door ’t dorp en teeken de eerste de beste schooier of bedelaar! [126]Maar flap ’r geen dinge uit die je niet verantwoorde kan. ’n Drijvende doodkist! Zeg liever ’n dronken autoriteit! – Eerst ik! – De Noord van Pieterse en de Nooit gedacht en de Willem III en de Jonge Jan. – ’k kan wel an ’t noeme blijve, de halve visschersvloot en de halve handelsvloot zijn drijvende doodkiste! – Heb je dat gehoord, Kaps?
De Boekhouder
(schuw). Nee, meneer, ik hoor niks.
Bos.
… As je me zou vrage: vader, hoe zit dat – dan zou ’k je uitleg geve. Maar jullie over ’t paard getilde jonge mensche bemoeit je met alles en nog wat! Is ’r ’n sterker bewijs, dat de assurantie èlk jaar ’n schip laat kéúre. Denk je, dat as ’k straks de assuradeur opschel en ’m zeg: meneer, jij kan veertien duuzend gulden neertelle, dat-ie dat doet op losse gronde? Je most ’n kop as ’n boei krijge, om de ondoordachtheid, waarmee je ’r nonsens uitflapt …! – Nonsens zeg ik! – Nonsens, die me goeie naam zou kunne bederve, as niet iedereen me kende!
Clémentine
(triestig). Als ik reeder was … en ’k hoorde …
Bos.
God beware de visscherij voor ’n reeder, die teekeningetjes maakt en huilt bij mooie versies. Ik sta as ’n vàder an ’t hoofd van over de [127]honderd gezinne. Zaken zijn zaken. As je gevoelig wordt, buitel je over je kop. Wat Kaps? (Kaps gebaart dat-ie ’t niet verstaat). – Nou, ga na je moeder. De burgemeestersvrouw is op visite.
De Boekhouder.
Hier heb ’k de monsterrol. (lezend) Willem Hengst, oud 37 jaar, gehuwd, 4 kinderen …
Bos.
… Wacht effen tot me dochter …
Clémentine.
… ’k Zal geen woord meer spreken.
De Boekhouder
(voortlezend). Jacob Zwart, oud 35 jaar, gehuwd, 3 kindere. – Gerrit Plas, oud 25 jaar, gehuwd, 1 kind. – Geert Vermeer, ongehuwd, oud 26 jaar. – Nelis Boom, oud 35 jaar, gehuwd, 7 kindere. – Klaas Steen, oud 24 jaar, gehuwd. – Salomon Bergen, oud 25 jaar, gehuwd, 1 kind. – Mari Stad, oud 45 jaar, gehuwd. – Mees, oud 19 jaar. – Jacob Boom, oud 20 jaar. – Barend Vermeer, oud 19 jaar – en Pietje Stappers, oud 12 jaar.
Bos.
… (terneergeslagen). Zéven gezinne.
Clémentine.
… Zestien kinderen.
[128]
Bos. Clémentine. De Boekhouder. Truus. Marietje.
Truus
(hijgend). … Is ’r tijding?… Tijding van me zoontje? (woest-wanhopig) Ach God! Ach God, maak me niet ongelukkig, meneer!…
Bos.
’t Spijt me, vrouw Stappers …
Marietje
(gillend). Dat kan niet – dat kàn niet – dat lieg je!… ’t Is niet mogelijk!…
Bos
(zacht). De burgemeester-strandvonder van Nieuwediep het de waterschout getelegrafeerd. – Barend Vermeer is angespoeld – jullie weet wat dat zegge wil – èn ’n luik van de 47 …
Truus
(heftig). O, moeder Maria – mot ’k dat kind nou ook misse – dat schaap van twaalf jaar! – (drensend-huilend) Oóóóó! Oòòòò! – Pietje … Pietje …
Marietje
(verwilderd). Dan … Dan … (barst in hysterisch gelach los) Hahaha!… Hahaha!…
Bos.
Geef ’r ’n glas water!
Marietje
(het glas uit Clémentine’s handen slaand). … Weg! Weg!… (op de knieën vallend, de handen om het hekje klemmend) La me [129]nou ook maar krepeere!… La me dood gaan asjeblief, lieve God, lieve God!…
Clémentine
(snikkend). Toe Marietje, bedaar. Sta op …
Truus.
… Op z’n éerste reis – en zoo dapper as-die stond te wuive toen ’t schip … (snikt heftig).
Bos.
’t Kan niet verholpen worde, Truus. ’t Is ’n bezoeking. Zoo’n storm is ’r in geen jare geweest … Denk an Hengst met vier kindere, an Jacob, an Gerrit … En al geeft ’t je geen troost: de gage van je zoontje zal ’k je uitbetale – as je wil vandaag nog. Ga jullie nou na huis – en schik je in ’t onvermijdelijke – Neem háár mee – zij lijkt …
Marietje
(beverig-snikkend). Ik wil niet na huis – ik wil dood, dood …
Clémentine
(haar ondersteunend). Huil maar, Marietje, huil maar arm schaap …
Bos. De Boekhouder. Mathilde.
Bos
(driftig op en neer loopend). … Wat suf jij nou? – Ben je te lui om ’n pen op papier te zette, vandaag?… ’k Vraag je geen antwoord! [130]Heb-je ’t Weduwen en Weezenfonds bij de hand? – Nou!
De Boekhouder
(op de brandkast toeschuifelend). ’t Bovenste loket is nog op slot. (Bos smijt hem de sleutels toe). O, dank u (opent de kast, schuifelt met het boek naar Bos’ bureau). Asjeblief, meneer.
Bos.
… Vijf en negentig weduwe – veertien ouwe zeelui en visschers …
De Boekhouder.
Ja, ’t fonds komt al lang te kort. – Maar weer is ’n advertentietje plaatse …
Mathilde.
– Clémens, wat ’n ongeluk! De burgemeestersvrouw vraagt of je niet effen binnen kan kom me – ze zit gewoon te huile.
Bos.
Nee! Gehuil genoeg hier. En geen tijd!
Mathilde.
Ach! Ach! – Kaps, hier is de copy voor de circulaire. – Spoed, hoor!…
Bos.
Mathilde! – Praat ’r met mevrouw is over – om ’n oproeping te doen voor de verongelukten.
Mathilde.
Ja maar, Clémens – is dat niet te veel – twéé bedelpartijen?
Bos.
Laat mijn ’t dan maar … (af).
[131]
Clémentine. De Boekhouder.
Clémentine
(zachtjes-huilend). Kaps! Kaps!… (gaat over hem aan den lessenaar zitten). Ik voel me zoo ellendig …
De Boekhouder.
Héel onverstandig, juffrouw. D’r vergaan méer schepe. De Hoop van Zegen telt haast niet mee. – Hier heb ’k – waar leit ’t – waar leit ’t? – de opgave van Veritas over October – ènkel van October – vergaan 105 zeilschepen en 30 Stoomschepen – da’s wéinig gerekend: in één maand bij de vijftien honderd dooien, (op de zee wijzend) Ja, as je ’m ziet zoo as vandaag – zoo glad en met al die drijvende meeuwe – dan zou je niet geloove dat-ie zooveel mensche vermoordt …
De vorigen. Jo. Cobus – daarna Bos.
Clémentine
(tot Jo en Cobus die suffig zitten gaan). Kom ’r maar in, Jo – Jo! (Jo knikt langzaam née).
Cobus
(bevend). We zijn effen van huis weggeloope[132] – want Saart – net as ’k zei – net as ’k zei …
Bos
(tot Jo). Hier – ga zitte (schuift een stoel bij de kachel). Blijf jij dàar maar, Cobus – Je het ’t zeker al gehoord?…
Jo
(snikkend). Van Barend, jà – maar van Gèert – ’t gebeurt zoo dikkels dat ze in de roeiboot …
Bos.
Nee – Die troost kan ’k je niet geve. Niet alleen dat ’r ’n luik – maar ’t lijk was in staat van verregaande ontbinding …
Jo
(angstig). … Ja – ja. – Maar as ’t Barend nou nièt is – wie zeit dat ’t Barend …
Bos.
… Schipper Maatsuiker van de Verwachting het ’m herkend … En – de oorringe …
Jo.
Maatsuiker? Maatsuiker? En as – die zich vergist?… Ik kom je vrage om reisgeld, meneer, dan ga ’k zellef na De Helder …
Bos.
Kom, gekheid!
Jo
(huilend). Barend mot toch begrave worde …
Bos.
Daar zal de burgemeester van Nieuwediep wel voor zorge …
[133]
De vorigen. Simon.
Simon
(dof-aangeschoten). Ikke – Ikke – heb gehoord … (gebaart vreemdelijk naar Bos).
Bos
(nerveus-heftig). Marsch, dronkelap!
Simon
(hakkelend). Ik – Ikke – zal jou niet vermoorde – ik – ik – heb niks kwaads in de zin …
Bos
(bevend). … Haal ’n veldwachter, Kaps – mot die bezopen kerel …
Simon
(zich vasthoudend aan het hekje). – Nee – blijf maar – ik zal wel weer gaan – – ikke – ikke wou alleen maar zegge dat ’t áárdig uitgekomme is – met – met – de Hoop van Zegen.
Bos.
Wil je opdondere – en daalijk!
Simon.
Niet zoo dicht bij me komme – je mot nóoit dicht komme bij ’n man die ’n mes … Neèèèè … Ik heb niks kwaads in de zin – ikke wou alleen maar zègge, da’k je gewaarschouwd heb – toen – die op de hélling lei.
Bos.
Dat lieg-je, beroerde kerel!
Simon.
Nou mot je – enkel voor de aardigheid – an je – an je boekhouer en an je dochter vrage – die ’r bij ware …
[134]
Bos
(heftig). ’t Is gelogen! Je ben geen antwoord waard, dronkelap! ’k Heb met je patroon, niet met jou te make!… Heb je me niet verstaan, Kaps!
Simon.
Mijn patroon die – die kallefatert zèlf niet … (tot Kaps, die naar het hekje gekomen is …) Heb ’k gewaarschouwd? Was jij d’r bij?
De Boekhouder
(angstig naar Bos kijkend). Nee – ’k was ’r niet bij – en às ’k ’r bij was, heb ’k niks gehoord …
Bos
(tot Clémentine). En nou jij! – Het die dronkelap …
Clémentine
(angstig – op schreien af). … Papa!…
Bos
(dreigend). Laat jij as dòchter – (grimmig). Geef antwoord!
Clémentine
(angstig). … Ik herinner me niet …
Simon.
… Da’s – da’s gemeen. Da’s verdomd gemeen!… Ik heb gezeid dat ’t schip ròt – ròt – was …
Bos.
Dronkemanspraatjes! – Je sleept ’r me boekhouer en me dochter bij – en je hóort …
Cobus.
Ja maar – ja maar – nou herinner ik me ook …
Bos.
Wat weerlicht – heb jij soms ook gewaarschouwd?
[135]
Cobus.
Nee. Nee. Dan zou ’k liege. Maar uw dochter – uw dochter die zeit noú dat ze niet gehoord het dat ’t schip rot was – en op de tweede avond van de storm – toen ze met me alleen bij me zuster Kniertje was, toen het ze wèl gezeid dàt – dàt –
Clémentine
(bevend). … Heb ik toen …
Cobus
(valsch). Ja – dat heb jij! Die eigenste avond – ware me woorde: juffrouw, juffrouw nou zit je te jòkke – want as je vader wist dat de Hoop van Zegen ròt …
Jo
(onstuimig-opstaand, woest haar woorden uitknersend). Jij, jij liègt! – Jij ben begonnen te huile – je was báng dat ’r schepe zoue vergaan – daar was ’k bij! – daar was Truus bij – daar was!… O jullie àdders!…
Bos
(met z’n vuist het schrijfbureau bedreunend). Adders? Adders, wij die jullie gespuis jaar in jaar uit te vrete geve? Heb je niet genoeg fatsoen om òns te geloove inplaats van die dronken schooier die op z’n beene staat te waggele?
Jo
(razend-van-drift). … Jùllie geloove? – Júllie! – Zij liegt en jij liègt!…
Bos
(dreigend). … Me kantoor af!
Jo
(onstuimig). Barend heb je met de politie [136]na boord late sléépe! – Geert was te trotsch om gehááld te worde! – Schurk! Schurk! Driedubbele schurk! (overspannend-zenuwlachend) Née, née, je hoeft niet na je dèur te wijze! We gaan wel – As ’k langer hier bleef zou ’k je in je gezicht spoege – in je gezicht spoege!… (gebaart dreigend).
Cobus
(haar tegenhoudend). Kom … Kom …
Bos
(na een stilte). Voor je tante zal ’k anneme, dat je overspannen ben … anders – anders. – De Hoop van Zegen wàs zeewaardig, wàs zeewaardig! – Heb ik geen verlies – al is ’t schip geassureerd? – En al hàd die kerel me gewaarschouwd – wat gèlògen is! – mot ik as man van zake ’n dronkelap vertrouwe, die nerges meer werk vindt omdat-ie te onbekwaam is om z’n gereedschap te hanteere?
Simon
(hakkelend). Ikke – ikke heb jou en hèm en haar gezeid – dat zoo’n drijvende doodkist. … Da’s vást hoor!
Jo
(uitbarstend). O! O! Geert èn Barend èn Mees èn de andren! O God hoe kon jìj ’t toelate!… (zakt op den stoel, snikt). Geef me dan reisgeld om zèllef na Nieuwediep te gaan – dan zal ’k over niks meer prate …
[137]
Bos
(grimmig). Nee! Geen rooie duit! ’n Meid, die me zoo vlegelachtig uitscheldt …
Jo
(verward-huilend). ’k Weet niet wat ’k gezeid heb – en – en – ik geloof niet dat je – dat jij – dan zou je erger zijn dan ’n duvel …
Bos.
De waterschout zeit dat ’t nièt noodig is om mensche na Nieuwediep te zende.
Jo
(naar de deur waggelend). … Niet noodig – nièt noòdig – wat mot ’r nou van me worde … (Cobus en Simon loopen achter haar aan).
Bos. Kaps. Clémentine.
Bos
(loopt heen en weer. Kaps kruipt op z’n kruk). En as jij ooit weer ’n stap op me kantoor zet.…
Clémentine
(starend-verschrikt). Nee – nooit meer (een lange stilte) Vader, ik vraag mezelf af (barst in snikken uit) hoe ’k oòit weer achting voor jóu – ooit weer achting voor mezelf zal krijgen … (af).
Bos. De Boekhouder.
Bos.
Dòl! Ze zou in staat zijn me goeie naam [138]met d’r kostschoolfratse te bederve! – Wie ’r verder komt, zend je weg, begrepen? – Tuig! – Rapalje! – Dat hééle nest deugde niet. – Die vérdómde dronkelap! – Die kerel die na jenever stinkt! (weerklinkt buiten Jelle’s viool) – Dat mot ’r nog bijkomme! (voor het raam) Ruk uit! Nee, geen cent! (de muziek houdt op) ’k Ben gewoon ondersteboven … (smakt in zijn stoel, neemt vinnig Clémentine’s schetsboek op, bladert er in, smijt het op den grond, bukt zich, rukt er eenige blaadjes uit, verscheurt die. Een oogenblik zit hij in gedachten, schelt aan de telefoon) Hallo! – Met Dirksen – Dirksen, zeg ik – de assuradeur! (wacht somber kijkend) – Hallo! Ben jij daar, Dirksen? – ’t Is mis met de Hoop van Zegen – ’n Luik met mijn merk angespoeld en ’t lijk van ’n matroos (in ruzietoon overgaand) Wat zeg-je? Kan je begrijpe! – Geen kwestie van! Twéé en zestig dage! De waarschijnlijkheidskans is zóo groot – (gekalmeerd) Goed – ’k Zal je bij me op kantoor wachte – Maar ’n beetje spoed, hè? – Ja – voor veertienduuzend gulden – Bejour! (schelt af – bij de laatste woorden is Kniertje binnengekomen).
[139]
Kniertje. Bos. De Boekhouder.
Kniertje
(gedachteloos). Ik – (zij zakt geduldig-schreiend op de bank).
Bos
(zonder haar te zien, bij de brandkast). – Heb je de portefeuille met polissen verlegd? – Jij haalt, goddorie, àlles van z’n plaats …
De Boekhouder
(van af z’n taboeret wijzend). – De portefeuille leit hooger – àchter de effectentrommel.
Bos
(snauwend). Hou je mond maar weer! – (zich omkeerend met de portefeuille in de handen) – Kan jij niet kloppe?…
Kniertje.
Ik wou …
Bos
(kregel). Je komt vijf minute te laat. – Die mèid, die bij je inwoont het hier ’n schandaal geschopt, dat ’t weinig scheelde of ’k had om ’n veldwachter getelefoneerd. (snauwend) Kom ’r in. – Doe ’t hekkie achter je dicht …
Kniertje
(moeilijk). … Is ’t waar – is ’t wáár dat … De pastoor zei … (Bos knikt somber) O, o. (Zij staart voor zich uit, haar armen vallen slap).
Bos.
Met jou – met jòu heb ’k meelijje. Jou heb ’k gekend as ’n fatsoenlijke vrouw – en je [140]man óok. – Maar je kindere – ’t is hàrd om te zegge bij zoo’n slag – je kindere en die – nicht van je – hebbe nóóit gedeugd (Kniertje’s hoofd zakt weg). Hoeveel jare ben jij niet bij me over de vloer gekomme – tot je zoon Geert me met z’n vuiste dreigde, me grijze hare bespotte, me bijna je deur uitsmeet! – En je àndere zoon … (verschrikt) Knier! Kniertje! (opstaand) Kaps! – Water! (haar voorhoofd en polsen bettend) Verdomd! – Verdomd!…
De Boekhouder.
Zal ’k mevrouw of de juffrouw?…
Bos.
Nee! Blijf hier! Ze komt al bij.
Kniertje
(lang-aangehouden snikkend, na ’n wijle van bewustloos staren).
De Boekhouder.
… Knier …
Bos.
Stil. – Laat ’r uithuile.
Kniertje
(smartelijk, met onderbrekende snikken). Hij wou niet weg! – Hij wou niet weg – en met me èigen hande heb ’k – heb ’k zijn hande van me deurpost lòsgemaakt … (kermt zachtjes).
Bos
(dof). Je heb je niks te verwijte …
Kniertje
(in denzelfden toon). … Vóor-ie ging heb ’k ’m de ringe van z’n vader in z’n oore gehange – as ’n – as ’n òfferdier …
Bos.
Kòm …
[141]
Kniertje
(hijgend). En – me óúdste jongen – die ’k niet genacht heb gezeid … – As je te laat ben – ware z’n woorde – kijk ’k je geen oog meer an – geen óóg méér án …
Bos
(heftig-ontroerd). Hoù op – hou op in godsnaam!…
Kniertje.
… Twaalef jaar geleê – met de Clémentine – heb ’k hier óok zoo gezeten (snikt in de bevende ouwe handen).
Bos
(zich bedwingend). Toe, wees nou sterk.
De vorigen. Mathilde.
Mathilde.
Clémens! – Ach, àrme, bèste Knier, wat ben ’k met je begaan. – ’t Is èrg – ’t Is schrikkelijk – twéé zoons …
Kniertje
(starend). Me man en vièr zoons …
Mathilde
(troostend). Maàr, wees jij maar niet ongerust, hoor. – We hebbe ’n oproeping geschreven – de vrouw van de burgemeester en ik – en die gaat morgen in àl de krante. – Hier Kaps … (Bos wenkt haar heen te gaan)... Laat ’r nog effen wàchte, Clémens – (lief) ’k [142]Heb ’n paar kóúwe kotelette – die ’r op zulle knappe – en – en – late we nou maar weer vrede sluite. – Je heb ’r toch niks tegen dat ze weer komt schoonmake? Wij zulle je niet vergete, hoor. – Dag Knier. – Sterkte. (af).
Bos. Kniertje. De Boekhouder.
Bos.
Nee, we zùlle je niet vergeten.
Kniertje.
Nou is me éénige hoop – ’t kind van me nichie.
Bos
(verwonderd). … ’t Kind?
Kniertje.
Dàt ongeluk komt ’r bij – ze is zwanger van me zoon – (dof-glimlachend). Ongeluk? – Nee, dat is nou geen ongeluk …
Bos.
… En vertel jij dat zóó maar? Heb jij die onzedelijkheid onder je èigen dak? – Ken je dan niet de statute van ’t fonds, dat géén onderstand wordt uitgekeerd an wie ’n ergerlijk leven leidt of zich naar ons gevoelen niet goed gedraagt?…
Kniertje
(dof). De heere motte ’t zellef wete – hoe ze met me wille – de heere …
Bos.
Dàt zal ’n toer met de commissie worde, [143]Knier – met de commissie van ’t fonds. Je zoon, die in de gevangenis – die oproerliedjes – en je nicht die mìj. – Enfijn ik zal me best doen – ik zàl òp mè wòord je voorspraak – maar belove, bélóve kan ’k niks. – D’r zijn zeven nièuwe gezinne, die nou op onderstand wachte – zéstien nieuwe weeze – (opstaand en de brandkast sluitend). Nee, blijf nog maar even zitte … Me vrouw wou je wat meegeve …
Kniertje. De Boekhouder.
Mathilde
(onzichtbaar). Kaps! Kaps! (De boekhouder staat op, verdwijnt een oogenblik, keert terug met ’n schaaltje en een geëmailleerd pannetje).
De Boekhouder
(goedig). Of je de schale bij gelegenheid anreikt – en of je Zaterdag weer wil komme schoonmake. (Zij staart voor zich uit. Vrindelijk legt hij haar willooze handen om schaaltje en pannetje, sloft naar z’n kruk. Een stilte. Kniertje zit onbewogen, smartelijk-versuft, mumt met de lippen, staat moeilijk op, strompelt het kantoor uit)... ’n Oproeping voor de krante (glimlachend komt hij naar den voorgrond, leunt op Bos’ schrijfbureau, leest)... „Weldadige landgenooten! [144]Wederom doen wij met den vriendelijksten aandrang een beroep op uwen weldadigheidszin ten behoeve van een aantal hulpbehoevende weduwen en weezen. De logger Op Hoop van Zegen…” (Doek).
Einde van het Vierde Bedrijf.