[Inhoud]

X

INVITATIES TEN HOVE.

Op de invitatielijsten, die de heer d’Hannecour zijn gebiedster aanbood, werd achter sommige namen een kruisje geplaatst; dit kruisje beteekende in de taal der barones: »alleen geschikt om te laten eten.« De aldus geteekenden zou de kolonel niet gewaagd hebben ook maar te noemen als er sprake was van een soirée, een soirée musicale, littéraire, dramatique, amusante of hoe de veertiendaagsche avondjes ten paleize heeten mochten; maar daar mevrouw Van Waliënhove niet zuinig was met hare kruisjes en de intendant min of meer verantwoordelijk werd gesteld voor het welslagen der soirées, werden deze voor den armen man dikwerf kruizen in den waren zin van het woord.

Wat de toehoorders betrof, die kwamen van zelf bijeen. De mijnheer die zoo mooi viool speelde, bracht zijn drie bruine gansjes mee; de geestige vrouw, onmisbaar voor de jeux d’esprit, [67]haar goeden sukkel van een man; de uitstekende pianiste had haar dooven papa bij zich; het meisje dat zoo lief reciteerde, haar ongetrouwde tante … maar het was niet genoeg dat er menschen verschenen, die geamuseerd wilden worden, er moesten er ook zijn die amuseerden. En zij waren—als overal elders—schaarsch te Buitenzorg.

Bij de troepen, die te Batavia mooie opera’s komen bederven, zijn nu en dan wel eens goede artisten; ook verdwaalt er soms een violist, pianist, ja zelfs een enkele chanteuse, die jaren geleden in Europa wat naam maakte, naar Indië: met hen was de intendant den koning te rijk. Ze werden ten paleize ontboden en op zulk een avond had hij rust, behoefde hij geen dilettanten te smeeken om hun medewerking; de artisten deden al het werk, want daar de heer Van Waliënhove er op gesteld was dat ze ruim gehonoreerd werden, eischte mevrouw waar voor haar geld.

Ze waren er echter slechts zelden. En dus bleef de kolonel steeds zoekende naar nieuwe krachten; ja, hij hield er jonge luitenants op na, die hem waarschuwden zoodra er iets van zijn gading was ontdekt. Dan werd de barones onmiddellijk in kennis gesteld met het feit en het duurde niet lang of de naam van de talentvolle persoon werd genoemd; onder vele mindere bevoorrechten merkte men hem op; weldra kwam er zeer toevallig een plaats open in Buitenzorg en hij werd aangewezen om die plaats te vervullen.

Wèl hem, zoo hij op de eerstvolgende soirée beantwoordde aan den roep, van hem uitgegaan! Voor hem geen reizen of trekken meer, geen nadeelige venduties of dure verhuispartijen: Buitenzorg was en bleef zijn standplaats. Ongelukkig konden de dames d’Hannecour hun echtgenoot en vader weinig tot steun zijn. ’t Is waar, mevrouw d’Hannecour had indertijd wel aan voordrachten gedaan, maar zekere oude hoedendoos, waarin een lauwerkrans bewaard werd, was het eenige wat van deze gave restte; Victoire bespeelde de cither, doch toen ze eens een feest had willen opluisteren, werd haar spel niet gewaardeerd, terwijl een poging van Elmire, om zich in het lierdicht te onderscheiden, met niet bepaald gunstigen uitslag bekroond was. Het eenige wat haar dus restte, was dienst te doen als speurhond [68]en dit deden ze met een ijver, die wel eens wat benauwend worden kon voor de bewoners der residentie.

Van dien ijver werd te haren tijd mevrouw Verschuere het slachtoffer.

Op zekeren vóóravond overvielen haar drie van de jonge dames; haar optreden was zoo onschuldig mogelijk en ze was er verre van daan, eenige bedoeling te zoeken achter haar komst, toen ze op de vraag of het dan nooit zou ophouden met regenen—de vraag, die in Buitenzorg meest gedaan wordt ter opening van het discours—ten antwoord kreeg: »Doet u ook aan de schoone kunsten, mevrouw?«

Eenigszins verbaasd begon Agnita: »Als u wat bloemen maken en teekenen zoo noemen wilt …«

»O, teekenen!« riep nu Elmire minachtend, »daar heeft men niets aan.«

»Hé, vindt u?« vroeg mevrouw Verschuere, weinig vermoedend waarin Elmire’s minachting voor de teekenkunst haar oorsprong vond; »mij dunkt juist, dat men er zooveel aan heeft.«

»Toch veel meer aan muziek,« viel Julia in, »daar houdt de gouverneur zoo van.«

Nog begreep Agnita geenszins, waarom ze veel aan muziek zou hebben omdat de gouverneur er zoo van hield.

»U doet toch aan de piano?« vroeg nu Marianne.

»Ja, zoo nu en dan,« stemde Agnita toe en ze had moeilijk anders kunnen doen, daar men het gezicht had in de binnengalerij, waar de piano open stond.

»Wat een heerlijke aanwinst!« riep nu Victoire.

»Wat zal mevrouw Van Waliënhove blij zijn!« juichte Elmire.

»Nu, maar papa dan, papa zal opgewonden wezen!« lachte Marianne.

»Ik begrijp niet recht …«

»O mevrouw, wat treft dat goed … En mijnheer? Mijnheer doet zeker ook wel aan …«

»Aan muziek? Neen, hij kent geen noot.«

»Maar hij doet aan bellettrie, niet waar? Ik vond dadelijk dat hij iets over zich had of hij aan bellettrie deed. Is het niet zoo, Elmire? Heb ik je niet gezegd: dat is een man voor bellettrie?« [69]

»Om je de waarheid te zeggen, dacht ik dat je hem voor het drama bestemd hadt.«

»Neen, dat was een idée van Marianne.«

»Dat moet ik je tegenspreken, Victoire; mijn overtuiging was en blijft tragedie.«

Ten derden male beproeft Nita tusschenbeide te komen.

»Tragedie? Verschuere voor tragedie? Lieve dames, ik begrijp hoe wij u moeten tegenvallen en het spijt me verschrikkelijk, maar geloof me, mijn man heeft geen tijd en ik … de geringe talenten, die ik heb, zijn alleen geschikt om er mij zelve wat mede bezig te houden, niet om er de soirées van mevrouw Van Waliënhove mee op te luisteren.«

De meisjes waren diep teleurgesteld. Niet minder de vader. En toen hij eenigen tijd daarna de lijst ontving voor het muziekavondje dat zou gegeven worden, zette hij achter den naam Verschuere een kruis zóó vet, alsof hij er al die teleurstelling in wilde uitdrukken. Groot was echter den volgenden morgen zijn schrik: de barones stond vóór hem, de booze zwarte oogen op hem gericht, den vinger uitgestrekt naar het vette kruis, en vroeg op den haar eigen snijdenden toon wat dat beteekende?

»Alleen geschikt om te laten dineeren,« zei hij met een poging om zich goed te houden.

»Ik geloof dat dit aan mij te beoordeelen staat, kolonel.«

»O zeker, mevrouw. Maar mijn meisjes hebben informaties genomen en …«

»U zult wel zoo goed willen zijn den heer en mevrouw Verschuere een uitnoodiging te zenden?«

»Nog iets van uwe orders, mevrouw?«

Wel krijgt de heer d’Hannecour van vrouwlief telkens de opdracht zich toch maar niet boos te maken, wel herinnert hij zichzelven telkens dat mevrouw Van Waliënhove’s ongenade in zijn geval gelijk staat met pensionneering, maar niettegenstaande dit alles heeft hij oogenblikken, waarin hij vindt dat het een »onaangenaam baantje« is dat baantje van intendant—en dan kan hij zijn drift niet altijd meester blijven.

»Dank u, op het oogenblik niet antwoordt mevrouw Van Waliënhove met een kalmte, die bewijst dat zoo hij satire bedoeld heeft met zijn vraag, dit voor haar verloren ging. [70]

Onder de genoodigden van dien avond werd, behalve de Verschueres, het meest opgemerkt een jong officier, niet om zijn buitengewone persoonlijkheid echter—hij was een officier als een ander—maar omdat men niet gewoon was de gastvrouw beleefdheden te zien bewijzen aan een tweede-luitenant van administratie.

Het raadsel zou echter spoedig worden opgelost.

Er was een huit-mains gespeeld, een bravourstuk, zooals de intendant er altijd gereed moest houden, meer om de gasten tot zitten en de gesprekken tot zwijgen dan om muzikale zielen in verrukking te brengen.

Natuurlijk luisterde niemand.

Toch had het zware werk meer toejuiching verdiend, maar misschien werd de opgewondenheid getemperd door medelijden, medelijden met de instrumenten, die—nog lang nadat het slotakkoord had weerklonken—stonden te trillen en te zuchten van uitputting; medelijden ook met de beploegers daarvan: ze maakten den indruk van nog maar één begeerte te hebben op aarde: »hun rok uit te gooien« en ieder wist dat die begeerte niet vervuld mocht worden.

Op de huit-mains was een duet gevolgd, een duet van den heer en mevrouw Paerel; ze deden in menig welmeenend gemoed den wensch opkomen, dat ze in andere zaken eenstemmiger mochten wezen.

En nu zou het raadsel van den tweede-luitenant worden opgelost: de man was niet alleen tweede luitenant, hij was ook echtgenoot en wel echtgenoot van een mooie jonge vrouw, in een misschien wat opvallend, maar zeer smaakvol toilet, gekapt op een bijzondere manier, en in dit gezelschap—anders wel geschikt om een nieuwelinge te intimideeren—zoo volkomen op haar gemak alsof al die vreemden goede kennissen waren. Deze jonge vrouw viel de eer te beurt zich op een wenk der barones aan hare zijde te mogen nederzetten.

»Wel, mevrouw te Leurse, hoe gaat het?« vraagt ze vriendelijk. »Reeds uitgerust van de vermoeienis der reis?«

»Dank u, mevrouw. Niet alleen uitgerust, maar ik verbeeld me dat ik me nooit zoo wel, zoo frisch en vroolijk gevoeld heb als hier op dit heerlijke Buitenzorg.« [71]

»Zoo, dat doet me genoegen. Dus ook zeker goed gedisponeerd?«

»Wie zou niet goed gedisponeerd zijn in zulk aangenaam gezelschap? En met het vooruitzicht op zooveel muzikaal genot?«

»Niet alleen muzikaal genot, willen we hopen. Er zal toch ook wel iets op ander gebied worden geleverd?«

»Zoo waarlijk? Dat is nog een verrassing.«

»Een verrassing? Voor u? Komaan, mevrouwtje, houd u zoo onwetend niet. Of wilt u zich misschien eerst wat laten bidden?«

»Ik mevrouw?«

»Ja, u; er wordt stellig op u gerekend. Mijnheer d’Hannecour heeft het u immers gevraagd?«

»Dat heeft hij. Maar ik heb geweigerd,« spreekt de jonge vrouw, nu met hooger blos en op vrij beslisten toon.

Mevrouw Van Waliënhove richt zich op in haar causeuse, ze ziet de spreekster zwijgend aan met haar doordringenden blik.

»Maar heeft de kolonel u mijn antwoord niet overgebracht?« vraagt deze zonder de oogen neer te slaan, zonder ook zelfs de minste verlegenheid te doen blijken. De barones is niet gewoon dat men haar blijft weerstreven, ook als ze iemand heeft aangezien met dien blik.

»U is nog te kort in Indië, mevrouw, dan dat men u een onhandigheid ten kwade zou mogen duiden …«

»Het zou mij zeer spijten, mevrouw, wanneer ik een onhandigheid beging …«

»Waarlijk? Dan raad ik u aan toe te geven.«

»Dat mag ik niet.«

»Komaan, iedereen weet dat we een der eerste sterren van het hollandsch tooneel in ons midden hebben, iedereen rekent er op, dat u ons het genot niet zult onthouden—een genot zoo dikwerf aan het publiek geschonken—van uwe gaven te bewonderen.«

»Wezenlijk, mevrouw,« en er speelt een spottend lachje om den fraaien mond, »wezenlijk, ik had niet durven hopen dat iedereen zoo volkomen omtrent mij op de hoogte zou wezen.«

»O, in Indië weet men alles. U moet denken, de kring van Europeanen waarin wij leven is zoo klein.« [72]

»Dat blijkt;—maar hoe goed men overigens ook moge zijn ingelicht, op één punt schijnt men nog in onwetendheid te verkeeren. En dat is nu ongelukkig in deze het kardinale punt. ’t Is dat, toen ik het tooneel verliet, ik mijn echtgenoot beloofde nooit weer in het publiek op te treden.«

»Ja, ieder onzer doet wel eens van die onvoorzichtige beloften,« zegt mevrouw Van Waliënhove koeltjes.

»’t Was geen onvoorzichtige belofte, mevrouw,« spreekt de ex-actrice ernstig, »’t was een vast voornemen. En u zult mij zeker niet van dat voornemen willen afbrengen?«

»O neen, u hebt volkomen gelijk. Het is heel verstandig van u.«

»Niet waar? Om een gelukkige vrouw te wezen moet men wat opofferen.«

»Zeker, zeker. En dus, Buitenzorg bevalt u wel? Beter dan uw vorige standplaats? U komt van Solo, meen ik?«

»Ja, mevrouw.«

»Dat is geen prettige plaats, is ’t wel?«

»O neen! ik voor mij vond het een waar verbanningsoord. Allereerst ontbreekt er, wat nu eenmaal bij Indië behoort, natuurschoon.«

»En de conversatie?«

»Och, om u de waarheid te zeggen, geloof ik dat men in de Vorstenlanden geboren moet zijn om er smaak in te vinden.«

»En—denkt u dat het u op Atjeh nog al bevallen zal?«

»Op Atjeh?« herhaalt mevrouw te Leurse … »Op Atjeh?«

»Ja, daar moet mijnheer immers binnenkort heen?«

»Binnenkort? Ik dacht …«

»Dat u altijd op Buitenzorg blijven zoudt?«

»Niet altijd, maar toch …«

»Nog heel lang. Ja.. ziet u … dat zou ook niet geheel onmogelijk geweest zijn. U moet weten, de legercommandant vertelde me onlangs een en ander; hij had u gehoord in Amsterdam en ik dacht toen zoo, dat met uw talent … u een aanwinst zijn zoudt … Maar mevrouwlief, u is heelemaal bleek geworden! Wat zijn die officiersdames toch allen bang voor Atjeh! Is dat nu om de cholera? Of denkt u dat ze mijnheer zullen tjingtjangen? Of om de berri-berri misschien? Ah! daar zie ik [73]uw man. Laat hij u een glas wijn geven en wandel de galerij eens met hem op en neer.«

Een half uur later treedt mevrouw te Leurse op. Ze boeit aller oog door den glans, die straalt van haar bezield gelaat, door den hartstocht, die gloeit in haar diepe schoone oogen; ze streelt aller oor door het zoetvloeiende harer stem: ze treft aller hart door de kracht van haar woord. En haar echtgenoot lijdt weer al de helsche kwalen dier jaloezie, die hem half krankzinnig gemaakt heeft in den tijd, toen ze niet hem, maar het publiek toebehoorde; en zij geniet weer de bedwelming, die het lang gemis dubbel bekoorlijk maakt … en de landvoogdes glimlacht met den hatelijken glimlach eener heerschzuchtige, die alles doet buigen voor haar wil.

De genoodigden ten paleize werden nooit—als te dikwerf andere genoodigden—slachtoffers van den lust om zich te laten hooren, die de menschheid bezielen kan. Het programma werd vooraf vastgesteld en telde niet meer dan vijf of zes nummers. De lange pauzes echter, tusschen die nummers gehouden, waren niet het minst prettige gedeelte van den avond: er bevonden zich in de ruime vertrekken van die zitjes voor twee of drie personen, die onwillekeurig den lust wekken tot een gezellig praatje en waar het praten bijzonder goed ging; er was een buffet, waar iemand die wist te genieten, heerlijke oogenblikken wachtten; er was een groep planten en varens, die een vriendelijke voorzienigheid scheen te hebben geplaatst om zielen, teeder gestemd door muziek en poëzie, in de gelegenheid te stellen zich uit te storten in andere zielen; voor hen die noch praten, noch drinken, noch minnekoozen wilden, waren tafels vol van het nieuwste wat de wereld biedt in plaatwerken, photo’s en aardigheden.

Wat misschien meer dan dit alles bijdroeg om de pauzes prettig te maken, was de volkomen vrijheid die op deze avonden heerschte: men werd er niet geplaatst in den traditioneelen ronden kring, dien vloek voor de gezelligheid, ieder ging zitten of staan waar hij verkoos, ieder liep rond zoolang en met wie hij wilde; de gastheer eischte bij deze gelegenheid niets dan dat men zich amuseeren zou; de gastvrouw was vriendelijk—iets zoo ongewoons, dat het alleen reeds in staat geweest zou zijn om de stemming te verhoogen. [74]

Na de voordracht van mevrouw te Leurse volgde eene lange pauze.

Er is misschien geen land ter wereld, waar een vrouw van ontwikkeling meer wordt gezocht, een begaafde onder hare zusteren meer op de handen wordt gedragen dan Indië.

Is dit omdat talent zoo zeldzaam wordt gevonden onder indische dames—zeldzamer nog dan ontwikkeling—of misschien wijl de mensch, die beseft dat hij langzamerhand ondergaat in materialisme, zich verheugd als hij een oogenblik wordt teruggevoerd naar reiner, hooger sfeer?

Wat er van zij, mevrouw te Leurse, een paar uur geleden nog onopgemerkt, is op eens de heldin van den avond. ’t Is niet genoeg dat men haar heeft toegejuicht, men verdringt zich om haar, men overlaadt haar met complimenten, men dankt haar of ze ieder persoonlijk een weldaad had bewezen.

Schitterend van geluk en schoonheid, in het bewustzijn van haar triumf, is ze weldra het middenpunt van een grooten kring bewonderaars. Buiten dien kring staat één: hij wacht of ze er ook aan denken mocht hem te zoeken, of ze hem wellicht tot zich roepen zal met een wenk harer oogen, met een glimlach harer lippen; hij wacht te vergeefs—de bedwelming van den roem heeft hem ten tweeden male zijn geliefde ontrukt.

Mevrouw Verschuere verdiept zich nog in het genot daareven gesmaakt, als de gouvernante zich naast haar komt zetten, en niet lang zit de gouvernante naast mevrouw als zij ook mijnheer Verschuere tot zich wenkt. Hij brengt op haar verzoek de beide dames een portie ijs, laat zich neerzinken in den lagen stoel, die toevallig naast de gastvrouw openbleef en luistert met een spottend lachje naar de opmerkingen die zij maakt, opmerkingen, die veel te denken geven over de straks betoonde vriendelijkheid.

Vooral mevrouw Heijlerts, die zich in een hoek van het tweede salon heeft teruggetrokken—maar niet zoo of de heer van Sonnefelt is er haar spoedig gevolgd—moet het ontgelden, en Agnita hoort het niet zonder pijnlijke verbazing aan, hoe haar man—anders weinig kwaad sprekend—nu zijn tong gebruikt als een tweesnijdend zwaard, om de gastvrouw te amuseeren.

Gelukkig voor mevrouw Heijlerts en haar bewonderaar komt er afleiding.

De adjudant van dienst, kapitein Hausz, heeft met afgemeten [75]pasjes de zaal doorgewandeld en met suikerzoete beleefdheid, rechts en links buigend, zijn weg gevonden naar den stoel, die een poosje geleden zoo onrustbarend kraakte onder het gewicht dat daarop neersmakte.

Men heeft zich op Buitenzorg honderde malen afgevraagd, hoe het mogelijk was dat de heer en mevrouw Hausz ooit een paar geworden waren—en toch … ’t was zoo natuurlijk. In ’t goede stedeke Hellevoetsluis had een piepjong luitenant kamers boven een bakkerswinkel: hij was een nietig mannetje en de bakkersdochter—dank zij het oude brood levenslang genoten—een groote, knappe meid. Wat kon meer voor de hand liggen dan dat de kleine luitenant de forsche bakkersdochter begeerde? Maar wat ook meer, dan dat hij nu, adjudant van Zijne Excellentie geworden, met haar in zijn maag zat als wijlen haar vader met zijn oudbakken kadetjes?

»Wat is er?« begint ze met een stem, die volkomen bij den vrouwelijken kolossus past en door het plat accent er niet liefelijker op wordt.

»Ik wou je vragen, vrouwlief, of je … je nog al amuseert?«

»Me amuseeren? Een mooie boel! met die nauwe schoenen en dat lamme kersjet! Als je hier komt om me voor den gek te houden, zeg het dan.«

»Neen, volstrekt niet, daar kom ik niet voor. Ik kwam je zeggen, Jeanne, dat het tijd wordt de njonnja besaar te gaan groeten.«

»Dacht ik het niet?« roept Jeanne op een toon alsof in zijn voorstel de vreeselijkste hoon lag besloten; »dacht ik het niet?«

»Natuurlijk dacht je het!« antwoordt hij knorrig; »je weet dat het niet anders kan.« Dan bijna smeekend: »Wees me nu eens een beetje beleefd, wil je?«

»Waarom zou ik niet?« vraagt ze, »mits zij het is? Maar dat beloof ik je, als ze weer begint met haar gewone hatelijkheden, dan zal ik ze dienen.«

De heer Hausz beproeft zelfs niet zijne Jeanne tot andere gedachten te brengen; hij weet dat haar wil dezelfde eigenschappen heeft als de krakelingen, waarvoor haar vader beroemd was: men kon ze breken, buigen niet.

»En hoe gaat het thuis, mevrouw Hausz?« vraagt de gouvernante niet onvriendelijk, schoon met een blik vol onverholen afschuw [76]op de grasgroene zijde, waarin de adjudantsche heden voor het eerst ten paleize toog.

»O, heel goed,« antwoordt kapitein Hausz voor zijn gade; want niet volkomen gerust over de gedragslijn die zij denkt te volgen, heeft hij het veilig geacht in de nabijheid der beide dames te blijven.

»Heel goed?« roept nu Jeanne. »Heel goed! Heere, Hausz, hoe kun je ’t zeggen? U moet weten, mevrouw, Sijaantje leit met de koorts op bed en Allebertientje heit een steenpuist … zoo’n bommert! en dat op een heele lastige plek.«

»Dan verwondert het me, dat u niet liever thuis zijt gebleven,« spreekt de barones koel en verdwijnt achter haar waaier.

Hausz is doodelijk ontsteld; hij ziet het, Jeanne vat vuur, ze zal haar boos voornemen volvoeren, de njonnja besaar dienen.

»Als u denkt dat ik hier voor me pleizier ben,« zoo barst ze los met een verheffing van stem, die hem het angstzweet doet uitbreken; »als u denkt dat ik hier voor me plezier ben, dan hebt u het mis. Ik verzeker u—nee Hausz, laat me uitspreken!—ik zou veel liever mijn arme wurmen zijn blijven oppassen dan hier opzitten en pootjes geven. Maar Hausz beweert altijd, dat ik het niet laten kan—och, schei toch uit, je trekt me de kleêren van ’t lijf—dat ik niet gemist mag worden.«

»Dat zou anders volstrekt niet hinderen,« spreekt mevrouw Van Waliënhove snijdend. Dan maakt ze die beweging met het hoofd, waarvan ze het geheim bezit en die den ongelukkigen adjudant geen andere keus laat dan zijn wederhelft weg te voeren.

»Dat wordt nu toch wat erg! daar moet een einde aan komen,« roept de barones buiten zichzelve. En dan, na een weinig ijswater te hebben gebruikt, gaat ze kalmer voort: »Men moest eigenlijk alleen ongetrouwde adjudanten hebben. Kapitein Hausz, op zich zelf genomen, is werkelijk niet kwaad, ofschoon, ’t is waar wat de legercommandant altijd beweert, rust roest, en de heeren adjudanten moesten, welbeschouwd, nooit langer dan twee jaar op Buitenzorg blijven. Weet u niet een geschikten plaatsvervanger voor hem, mijnheer Verschuere, in geval het door de militaire autoriteiten mocht noodig geoordeeld worden mijnheer Hausz weer eens in actieven dienst te laten treden?«

»Misschien, mevrouw, ik zal …« [77]

»Verschuere, wat zou je denken van onzen James?« roept Nita op eens.

»Uw James! Is dat een broer?«

»Pardon, een neef. Hij is pas gedecoreerd op Atjeh. En een uitstekend danseur, is ’t niet, lieve?«

»Dat is hij,« zegt Agnita met een lachje bij de herinnering aan zijn dolle galoppades en onvermoeid walsen.

»En hij speelt ook comedie, is ’t niet?« vraagt Verschuere met een onmerkbaar glimlachje.

»Zeker, we hebben menig stukje samen opgevoerd. Daarbij heeft hij een mooien bariton en … ik durf zeggen, een bijzonder innemend voorkomen.«

»En,« vraagt mevrouw Van Waliënhove, terwijl ze den blik laat rusten op het gezichtje, dat zich met hooger blos kleurde bij den lof van den beminden neef, »zoudt u wenschen dat hij hier geplaatst werd?«

»O mevrouw, natuurlijk.«

»En u, mijnheer Verschuere?« vraagt ze weer, en bij die vraag gloeit er in de zwarte oogen een vonkje, dat het jonge paar wellicht zou hebben verontrust, als ze het hadden opgemerkt.

»Ik, mevrouw? Wel, ’t was gister pas een jaar dat we trouwden—natuurlijk dat haar wenschen nog de mijne zijn!«