[Inhoud]

XII

DE ZIEKENVERPLEEGSTER.

»Zoo, Gustaaf, ben je daar eindelijk? Wat een schrikkelijke bui is dat geweest van middag! Me dunkt, zoo erg heb ik het nog niet bijgewoond: het geheele huis dreunde, de tuin stond blank en …« [87]

»En mevrouw Verschuere werd bang?«

»Neen, bang was ik niet. Maar ik ben toch geëindigd met het hoofd onder de kussens te steken en ik was blij toen Sarinah wat voor mijn bed kwam zitten. Foei, wat een weer!«

»Ja, ’t was erg! Verbeeld je, Verdijk moest in dien regen naar huis om zijn vrouw … Hij kruipt, zoodra het begint te onweêren, met haar in een donkere kamer. Heb je ooit van zoo iets kinderachtigs gehoord?«

»Toch lief van hem, vind je niet?«

»Lief misschien, maar niet verstandig. Hij moest haar in die dingen niet toegeven. Ik ben ten minste blij dat jij zulke dwaasheden niet van me eischt.«

»’t Zou me niet veel helpen, geloof ik,« antwoordt ze lachend. »Ik zag je van de secretarie naar de Bruinings rijden,« gaat ze voort; »vertel me eens, hoe was het er vandaag?«

»Och, ellendig. Hij had juist een van zijn aanvallen. Ik verbeeld me, Nita, dat de man vreeselijk lijdt. ’t Is een helsche kwaal, die zenuwhoofdpijn. En natuurlijk, hij wil zich nog goed houden, zijn werk doen. ’t Loopt hem niet mee, den armen drommel … Als er nu ook maar eens een raad van Indië dood wou gaan.«

»Foei, man!«

»Daarbij ligt een van de jongens, Jantje meen ik, al drie dagen met zware koorts en is de juf er van door.«

»Er van door?« vraagt Nita verbaasd.

»Ja,« antwoordt Verschuere, terwijl hij zich neervlijt in zijn luierstoel, om tegelijk van het zoete nietsdoen, de heerlijk verfrischte atmosfeer en een geurig kop thee te genieten. »Met een trompetter natuurlijk.«

»Vind je dat natuurlijk?

»Och, wat zal ik je zeggen? Er schijnt nu eenmaal een geheime aantrekkingskracht te bestaan tusschen bonnes en trompetters.«

»Dus zit de arme ziel daar met twee zieken en zonder hulp! En al de andere kinderen, wie zorgt daarvoor?«

»O, die zijn bij goede vrienden. Ik geloof dat de Paerels er een half dozijn hebben.«

Straks heft mevrouw Verschuere met een verlegen blos het hoofd op van haar theeblad. »Gustaaf, je weet dat ik nog al een [88]beetje verstand heb van ziekenoppassen. Wat dunkt je, zal ik niet wat gaan helpen?«

»Dat is geen kwaad idee van je, lieve.«

»Dus je keurt het goed? Laat zien, het is nu vijf uur. Zou je het erg vinden om van avond eens zonder mij te eten?«

»Wel neen, kind, ik heb dat zooveel jaren moeten doen. Ga gerust je gang.«

»Zie je, als ik de zorg voor Jantje op mij neem, dan kan zij bij De Bruining blijven en misschien van avond nog een paar uurtjes slapen. Ik zou dan niet terug komen voor een uur of elf—of is je dat te laat?«

»Neen, volstrekt niet. Ik kom je halen.«

»Je vindt het toch niet vervelend, Gus?« vraagt ze, als ze terugkeert, na een oogenblik te zijn weggeweest om de bedienden hare orders te geven.

»Vervelend? Wel, kind, ik geef algemeen belet, ga in mijn bureau zitten en doe in dezen éénen avond meer dan anders in drie.«

Ze onderdrukt een zucht, schenkt hem zijn derden kop thee in, vraagt of ze nog iets voor hem doen kan en stapt in het rijtuig.

Mevrouw de Bruining is bezig met kleinen Jan een ijsbad te geven; het schijnt zijn koortsig brandend lichaam goed te doen, ten minste hij ligt onbewegelijk stil met een kalme uitdrukking op het hoogroode gezichtje.

»Dat is lief van je, Nita!« zegt de moeder, als een tengere gestalte zachtjes neerhurkt op het lage stoeltje bij de badkuip, »dat is lief van je. Och, zie mijn arme jongen toch eens aan. Wat is hij vermagerd, niet waar? mijn mollig ventje … Juist, dat laken moet om hem heen geslagen … Neen, hij zal niet bij je willen zijn. Hij laat zich door niemand … Ja toch? Hè Nita wat is dat vreemd!«

»Neen, niets vreemd. Alle kinderen houden van mij. En dat treft nu maar heel gelukkig, niet waar?« gaat ze voort, als ze den zieke in zijn bedje gelegd en onder de dekens gestopt heeft. »Nu kunt u hem gerust aan mij toevertrouwen … dat wilt u immers wel doen en ondertusschen zelf wat rust gaan nemen? U hebt het noodig, mevrouwlief, hoog noodig.«

»O, dat is niets! Ik ben sterk, veel sterker dan iemand denkt. Misschien dat ik in gewone omstandigheden nu wel wat moe [89]zou zijn, maar als Bruining of een van de kinderen ziek is, voel ik niets.«

»Gaat u toch maar een oogenblikje liggen … ik zal alles doen wat noodig is. Ja, ik zie het al. Hij heeft een harde koorts. Nu en dan de thermometer aanleggen en opschrijven hoe hoog de temperatuur is. Mocht die nog stijgen dan moet ik voortgaan met de ijsbaden, is ’t niet? Neen, Jantje, stil liggen, onder de dekens blijven; geef mij maar een hand, lieveling.«

Reeds heeft mevrouw De Bruining gezien dat Agnita berekend is voor den post, dien ze zoo vrijwillig op zich neemt, en een gevoel van rust, van kalmte, gelijk zij dit in geen dagen gekend heeft, komt over haar.

»Ik geloof dat ik zal kunnen slapen,« fluistert ze dankbaar en met een laatsten blik op haar lieveling verwijdert ze zich.

Toen de heer Verschuere mevrouw kwam halen, bleek het niet gemakkelijk haar mede te krijgen. Wel was de moeder na de genoten rust weer vol moed om den nacht in te gaan, maar de patient had zijn bleeke, slappe vingertjes geklemd om de hand der nieuwe verpleegster en wilde die niet loslaten.

»Kom je gauw terug?« fluisterde hij.

»Morgen vroeg. Is dat goed?« vroeg ze.

»Zoo lang!« stamelde Jantje. »Zoo heel, erg lang …« En als ze zich over hem heenbuigt: »Ik zie je gezicht zoo graag! Je lijkt op de engel, je weet wel de engel op de groote schilderij.«

Den volgenden morgen, toen mevrouw Verschuere kwam om haar taak te hervatten, vond zij den toestand er niet op verbeterd. De kleine vent lag stil en bewegingloos in de doodelijke afmatting, die op zware koorts volgt en voor zijn bedje zat de vader met een gelaat zoo vreemd, zoo veranderd, dat Nita zich bedwingen moest om haar ontsteltenis te verbergen. Kon het zijn door de pijnen den vorigen dag geleden? Was het misschien de angst over het kind, of had hij zelf een ziekte onder de leden? vroeg zij zich af, terwijl ze hem zwijgend de hand reikte.

Weldra zou ze het antwoord ontvangen op die vraag. Mevrouw De Bruining trad binnen, schijnbaar kalm.

»Dank je, dat je zoo vroeg komt,« zegt ze met een langen kus. Dan fluistert ze haar in het oor: »Help me! Hij moet hier vandaan!« [90]

En onmiddellijk daarop gaat ze luider voort: »Nu kun je mijn man aflossen, hij zit hier al veel te lang zoo.«

Hij hoort haar niet. Zacht legt zij de hand op zijn schouder, maar niet zoo zacht of hij schrikt van die aanraking.

»Daan, mevrouw Verschuere is hier, zij neemt je post van je over.«

En als hij onbewegelijk zitten blijft: »Kom, lieve, ga even mee naar buiten … we hebben behoefte aan frissche lucht.«

»Neen ik blijf hier,« spreekt hij schor.

»Dwaasheid! Je moet een oogenblik verademing hebben! Kom man, wees nu verstandig.«

En als hij zwijgen blijft: »’t Is niet beleefd van je tegenover Nita; zij komt hier om ons te helpen en nu wil je niet eens van die lieve hulp gebruik maken.«

Nu ziet hij op met dien vreemden, dwalenden blik, die mevrouw Verschuere zoo trof bij het binnentreden. Dan, alsof hij Agnita voor het eerst gewaar werd, wenkt hij haar tot zich en vraagt: »Hij is heel erg, niet waar?«

»Ja,« zegt Nita kalm, »hij zal onze hulp nog dagen lang behoeven. Daarom moeten allen, die hem behouden willen, hun krachten sparen.« Dan treedt ze voor het ledikant, legt het hoofdje terecht op het kussen, schuift de klamme blonde krullen terug van het bleekblauw gezichtje en wuift het koelte toe.

»Dag … engel!« fluistert Jantje en een zwak glimlachje komt om zijn lippen spelen.

»Zie!« zegt Nita zacht en wijst op dat lachje. De vader rijst langzaam van zijn stoel om haar zijn plaats te geven. Maar hij heeft geen drie stappen gedaan of hij wankelt. Reeds is mevrouw De Bruining toegetreden; ze vangt hem op in haar armen; en nu, op haar schouder geleund, barst hij los in een snikken zoo droef, zoo weinig bedwongen, zoo onmannelijk, dat Nita niet om durft zien naar die beiden, dat ze het hoofd dieper en dieper buigt over den kleinen zieke, dat ze zich uren ver wenscht, liever dan getuige te zijn van dit tooneel.

De strijd om het zwakke kinderleven duurde vier lange dagen, vier eindelooze nachten.

Hij werd gestreden met de kracht, die slechts aan vrouwen gegeven is; vereend bevochten moeder en vriendin den dood, [91]voet voor voet drongen ze hem terug uit het vertrek aan welks drempel hij grijnzend stond; geen oogenblik lieten ze de plaats ledig bij het kleine bedje, waaraan hij zich scheen te willen neerzetten, al de wapenen, die wetenschap en liefde hebben uitgedacht, keerden ze tegen hem.

Eindelijk—aan den morgen van den vijfden dag—liet hij zijn prooi los en de moeder kuste de handen die haar kind hadden verpleegd en bevochtigde ze met haar tranen en Jantje fluisterde: »Dag, engel,« en de heer De Bruining bracht haar naar het rijtuig en zeide niets, omdat hij niet durfde spreken; maar zij zag hem in het gelaat en wist wat hij had willen zeggen.

Toen Verschuere dien middag terugkeerde van de secretarie, trof hem de stilte op zijn erf. Er was geen menschelijk wezen te zien; deuren en vensters waren gesloten, de putemmer, anders in altijddurende beweging, hing rustig aan den haak, de naaimachine ratelde niet, kokkie’s sissen en braden werd evenmin gehoord als spen’s messenslijpen; kebon zat, niet als meest op dat uur, de oorverscheurende muziek te maken, die het weg krabben van het gras uit het kiezel veroorzaakt, de kinderen van Mingo en Sarinah speelden niet voor de bijgebouwen.

Van zelf verzachtte hij zijn tred, en als hij zoo de achtergalerij komt binnensluipen, ziet hij in het halfdonker, dat daar heerscht, een gestalte van den grond oprijzen.

»Stil, als het u belieft, mijnheer! Mevrouw slaapt!« fluistert Sarinah en neemt haar plaats weder in op het matje voor Agnita’s kamerdeur.

»Mevrouw slaapt,« fluistert ook Mingo ter verontschuldiging; hij heeft het selterswater, dat hij zijn heer altijd komt brengen bij diens thuiskomst, buiten ontkurkt.

»Mevrouw slaapt,« schijnt het wachtwoord, dat allen drijft om zacht te spreken, om onhoorbaar te loopen, om voorzichtig te zijn in elke beweging.

»Ze moeten haar die rust wèl gunnen,« denkt Verschuere, »ze moeten haar wèl genegen zijn, de bedienden; voor de meeste mevrouwen hebben ze zulke attenties niet.«

Trouwens—niet de bedienden alleen. Daareven heeft hij dokter Bosschaert gesproken. Wat was hij vol lof! Wat roemde hij haar kalmte, haar geduld, haar zachte fermiteit! En die arme De Bruining … hij wordt al zenuwachtig van louter dankbaarheid, [92]als hij haar naam maar noemt. Ook Van Beevelant. Verschuere zocht hem gister in zijn eenzaamheid op en telkens herhaalde hij ’t, hoezeer hij haar miste aan tafel, in huis. Hij, die toch van kind af aan gewoon was edele, lieve vrouwen rondom zich te zien, hij sprak over Agnita met een vereering … Gelukkig dat kleine Jan gespaard bleef, ’t is toch bij al zijn ondeugendheid zoo’n lief ventje!

Wat een idee van het kind, dat er een engel stond bij zijn bed! Of neen! zoo’n heel dwaas idee toch niet! Ze heeft van die oogenblikken …

Eensklaps springt hij op van den stoel, waarop hij in gedachten verdiept is neergevallen; hij gevoelt een onweerstaanbaren lust om naar binnen te gaan, maar Sarinah zit daar!… Hij grijpt het eerste het beste boek uit den trommel van het leesgezelschap. Maar hij kan er zijn aandacht niet bij bepalen. Nu werpt hij zich op den divan en kijkt van onder de half geloken oogleden naar de bedienden die langzamerhand beginnen met tafeldekken en hij vindt het prettig als hij ziet dat spen weer twee couverts legt.

Wat was het ongezellig de laatste dagen! Gelukkig dat ze straks weer over hem zal zitten aan tafel.

Misschien … ’t zou wel eens kunnen zijn dat ze liggen bleef, dat ze zich te veel vermoeid had; gister en eergister reeds zag ze er slecht uit. ’t Is eigenlijk een dwaasheid geweest, hij had het haar niet moeten toestaan! Is het niet mooi genoeg dat hij De Bruining’s werk doet? Moet Nita nu ook met dat van mevrouw belast worden?

»Makanan soedah klaar!« komt Mingo berichten.

Mijnheer staat langzaam op, maar och, hij heeft geen lust om alleen te eten … als ze niet zoo licht sliep, zou hij wel even … maar ze schrikt altijd wakker van zijn stap …

Sarinah kijkt toe, terwijl haar heer heel voorzichtig zijn schoenen uittrekt, maar als hij de kamerdeur nadert is zij verdwenen, met de bescheidenheid die zoo menige hollandsche dienstbode van de inlandsche zou kunnen leeren.

»Ben jij dat, Gustaaf?« en Nita strijkt met liefkoozende hand over zijn vol fraai hoofdhaar.

»Ik heb je toch niet gewekt?« [93]

»Neen, ik lag er juist over te denken om op te staan en weer te presideeren aan je rijsttafel.«

»Heerlijk!« en ofschoon dit niet bepaald noodzakelijk is, haast de heer Verschuere zich aan spen te berichten dat njonnja aan tafel komt.

»Weet je wel,« vraagt hij, zoodra ze tegenover hem gezeten is, »dat ik in de laatste dagen trotsch begin te worden op mijn vrouw?«

»Wezenlijk?« en ze ziet naar hem op met een gelukkigen lach.

»Zeker. Iedereen is vol van je lof. Zelfs mevrouw Van Waliënhove kon van morgen niet nalaten me te zeggen, hoezeer zij je lieve hulp aan de Bruinings bewezen, waardeerde en de Gouverneur-generaal …«

»Domme man,« roept ze uit en beproeft achter een vroolijk lachje haar teleurstelling te verbergen, »moeten mijnheer en mevrouw Van Waliënhove je dat zeggen? Moeten vreemden je vrouw prijzen, om je op het denkbeeld te brengen dat ze toch werkelijk wel eenige verdienste heeft.«

Hij schrikt van dien uitroep, omdat er zooveel waarheid in is.

»Komaan« zegt hij, »je bent oververmoeid en daardoor zwartgallig. Straks moet je maar eens een flinken dut doen. En morgen … Wat zou je denken van een Zondag in Soekaboemi? Met den trein hier heel vroeg vandaan?«

»Maar Gus! Meen je het?«

Hij ziet verlegen voor zich. Dat opgetogen gezichtje beschaamt hem; menige vrouw is niet zoo dankbaar voor het kostbaarst geschenk als zij voor het genot van één dag met hem te mogen samen zijn.

»Meen je het wezenlijk, Gus?«

Arm, lief kind! hij moet haar eens meer een pleizier doen. Maar als ze wist dat hij de beide laatste nachten aan zijn schrijftafel doorbracht, om eens één dag vrij te zijn—zou het dan nog een pleizier voor haar wezen? [94]