[Inhoud]

XIV

IN DE LOOFHUT.

De Hagens wonen op het Koningsplein en ze wonen daar heerlijk. Dames, wier echtgenooten lid zijn in den Raad van Indië, hebben onder de vele voorrechten, die haar door haar zusteren vaak zuchtend worden benijd, dit: ze kunnen haar huis inrichten zooals ze dat wenschen; ze kunnen er alle moeite en zorg aan besteden, zelfs veel geld er voor uitgeven, zonder dat telkens als een dreigend spooksel de vraag bij haar oprijst: voor hoe lang?

Mijnheer Hagen—want hij is het die deze villa uit vele andere koos, die den tuin opnieuw aanlegde, hier wat bijbouwde, daar wat afnam, hij is het die Jakatra afliep, om op de zolders der Chineezen het oud porselein te vinden, waarvoor hij bekend werd; die teekeningen maakte van ameublementen en ideeën aangaf van versieringen—mijnheer Hagen heeft ruim gebruik gemaakt van dit voorrecht.

Agnita had groote marmeren ruimten verwacht, vol mooie [99]meubelen, met reusachtige beelden, reusachtige spiegels en reusachtige gravures, met kostbare portières en alkatieven, alles geregeld naar traditioneele wijs: in één woord een huis zooals men er vele vindt in de Koningin van het Oosten, die er met hun pracht en weelde altijd blijven uitzien alsof ze in orde gebracht waren voor een bewoner, maar nog niet betrokken.

De Hagens zijn rijk; mevrouw heeft fortuin, mijnheer een groot inkomen. Maar ze hebben den takt gehad dit niet te toonen: de eerste indruk, door hun huis gemaakt, is die van gezelligheid, en pas als men heeft opgemerkt, hoe zacht het getemperd licht naar binnen valt, hoe kunstig de hitte is buitengesloten, hoe heerlijk rustig en kalm de omgeving is, dan pas komt men er toe te bedenken, dat er duizenden moeten besteed zijn aan de inrichting dezer woning. Mevrouw Te Leurse is het zich volkomen bewust, dat, wanneer ze niet de hoofdrol vervulde in het stukje voor Gertrude’s feest, misschien mijnheer, maar zeker niet mevrouw Hagen haar zou gevraagd hebben om hun logée te willen zijn. Dit maakt dat zij bij aankomst iets minder zeker van zichzelve blijkt dan gewoonlijk. Maar er is in de waardige beminnelijkheid der gastvrouw zooveel geruststellends, in de vroolijke zetten van Gertrude iets zoo opwekkends, dat ze zich weldra geheel op haar gemak gevoelt.

Straks keert ook de heer des huizes terug: hij is even naar het paleis gereden, om den Landvoogd te begroeten bij diens aankomst.

»Goed dat u komt, papa: mama en ik hebben het erg druk en we rekenen er op, dat u zich met de logées occupeert. U zult niet kunnen zeggen, dat we voor u de minst prettige bezigheid hebben bewaard, is ’t wel?« en ze knijpt hem in het oor met het weinige respekt en de groote liefde die indische dochters gevoelen voor indische vaders.

»Je kunt Gertrude immers wel missen vandaag?« vraagt mevrouw met een blik op de beide dames, een blik zonder eenige jaloezie echter; ze heeft te veel gezond verstand om, waar ze zichzelve nooit geheel kon geven, onverdeelde toewijding te vragen.

»Je weet, ik kan haar geen uur missen,« zegt hij met een teederen blik op het meisje, »zelfs in dit gezelschap. Maar ik [100]weet dat je haar noodig hebt en protesteer dus niet.«

Reeds heeft hij zijn goedig, vriendelijk gelaat naar de bezoeksters gekeerd; reeds verheugt hij zich over het buitenkansje, dat hem verscheidene dagen haar gezelschap zal doen genieten; reeds vraagt hij zich af wat hij doen kan om haar die dagen aangenaam te doen doorbrengen.

De vice-president van Indië’s Raad is, meer dan iets anders, een damesheer. Zijne liefde voor het schoone, die in Europa zich zou geopenbaard hebben in kunstzin, was hier bewondering geworden voor het schoonste werk der schepping. Dankbaar erkent hij het vele goede, dat de aarde hem biedt, maar het beste is toch voor hem het samenzijn met vrouwen—zoo mogelijk jonge en mooie! Dit is echter volstrekt geen vereischte. Als ze maar aardig praten kunnen en vriendelijk lachen, als ze maar verstand genoeg hebben om te begrijpen, dat, zoo hij haar het hof maakt, dit zonder eenige bijbedoeling is; als ze maar goed—d.w.z. in overeenstemming met haar uiterlijk—gekleed zijn, dan eischt hij verder niets.

En zooals nu de beide jonge vrouwen daar zitten op dat aardig canapeetje, met de granaatroode portière tot achtergrond, frisch en jeugdig, in de doorschijnende witte kabaia, waarvoor ze haar reistoilet verwisselden, vindt hij het een waar genot naar haar te kijken, met haar te praten en te schertsen.

Hij heeft van morgen reeds vroeg en buitengewoon hard gewerkt om zich ongestoord aan dat genot te kunnen wijden. Want hij heeft het altijd druk op zijn manier. Lang vóór de zon aan den hemel staat, ziet men hem in den stormpas het Koningsplein omloopen en na middernacht kan men hem nog vinden in zijn voorgalerij, verdiept in lectuur of muziek. Hij is een man van orde: klokslag zeven—wanneer hij reeds gebaad, gewandeld en ontbeten heeft—verdwijnt hij in zijn bureau en behartigt de belangen des lands tot klokslag elf, behalve des vrijdags, wanneer hij diezelfde belangen in de vergadering van den raad behandelt. Wanneer hij niet werkt moet Gertrude bij hem zijn. Gertrude is voor hem de vervulling van den wensch, die gedurende twintig jaren zijn gemoedelijk hart vervulde; den wensch naar eene gezellige vrouw.

Als zijn dochter er niet lief had uitgezien of minder talentvol [101]geweest ware, dan zou hij dit alleen jammer gevonden hebben; was ze ongezellig geweest, hij zou het beschouwd hebben als een vreeselijke teleurstelling, als een ramp bijna.

Maar gelukkig, Gertrude aardde naar hem, en vader en dochter amuseeren zich koninklijk te zamen. ’t Is waar, ze laat hem allerlei werkjes doen, die eigenlijk beneden zijn waardigheid zijn: patronen teekenen, charades uitdenken, menu’s schrijven zelfs! Maar er komen ook dagen dat ze onder zijn leiding leert en zich inspant om te begrijpen; er komen dagen dat ze samen gaan schetsen of zich opsluiten in de zitkamer, half boudoir, half atelier.

De Hagens hebben iets uitgedacht, dat aan het meest prozaïsch gedeelte van een indische woning, de achtergalerij, een poëtisch waas schenkt en het de »loofhut« genoemd. De loofhut schijnt een prieel, maar is eigenlijk een serre, ongewoon hoog van verdieping: ze vormt den overgang van het huis naar den tuin. Daar hebben ze hun planten en vogels, hun kleine fonteinen, lieve marmergroepjes, heerlijke luierstoelen, aardige rieten tafeltjes; daar brengen papa en dochter te midden van hun bloemen al de uren door, die ze maar kunnen uitsparen op hun altijd bezetten tijd; dat noemt Hagen zijn Capua; daar beweert Gertrude dat ze verliefde denkbeelden krijgt en zich zachter gestemd gevoelt jegens haar pretendenten; daar gaat mevrouw zoeken, als ze behoefte gevoelt aan het bijzijn van haar dochter, wat zeer dikwijls, of aan dat van haar echtgenoot, wat zeer zeldzaam gebeurt; daar worden alleen enkele intiemen toegelaten, maar die er toegelaten worden vinden het de bekoorlijkste plek van geheel het fraaie huis.

Des avonds, als de familie Hagen met mevrouw te Leurse naar de opera is gegaan, na te vergeefs beproefd te hebben de Verschuere’s over te halen om hen te vergezellen, troont Agnita haar man mede naar die loofhut.

De volle maan giet haar schijnsel door het bladerdak, Nita draait de gaspitten neer en het wordt koel en stil rondom hen, terwijl de fonteinen klateren en de bloemen geuren, door het avondwindje bewogen.

»Zitten we hier nu niet oneindig prettiger dan in die volle, warme opera?« vraagt ze dan vleiend.

»O, voor mij,« antwoordt Verschuere, terwijl hij met een zucht [102]van genot zich uitstrekt in zijn luierstoel, »voor mij is het een ware verademing na den dag die achter me ligt. Maar je hadt toch eigenlijk mee moeten gaan, Nita … Geloof me, ik zal geen amusant gezelschap voor je wezen.« Met moeite onderdrukt hij een geeuw. »En ’t kan misschien wel aardig zijn,« voegt hij er dan lusteloos bij.

»Aardig? Ja, voor anderen; maar niet voor ons. Dáárvoor hebben we diezelfde Romeo en Juliet te prachtig zien opvoeren in Parijs! Weet je nog? ’t Was den eersten avond dien we doorbrachten in de opera. Voor geen geld zou ik den indruk willen verliezen, dien ik toen heb meegebracht.«

»Daar is wel iets vóór te zeggen.«

»Mevrouw te Leurse vond het een dwaas idee van me, dat kon ik merken. Maar je bent het met me eens, niet waar? Wanneer men eenmaal het hoogste genoten heeft, dan kan het mindere niets geven dan ergernis.

»Dat is zoo. Maar kindlief, mevrouw te Leurse beschouwt het uitgaan van een geheel ander standpunt. Zij gaat niet om muziek of zang; zij gaat om te genieten van den opgang dien ze maken zal in dat prachtige gele toilet.«

»Wat stond het haar goed! Wat was ze mooi van avond!«

»Ja heel mooi!« en weer geeuwt hij.

»Me dacht, het zou zooveel prettiger zijn ons samen alles nog eens te herinneren: ’t is een van mijn gelukkigste avonden geweest.«

»Ja? Hoe dat zoo?«

Een glimlach komt om haar lippen spelen, terwijl ze zich naast hem zet op den langen stoel. »Ik was toen toch nog erg romantisch, Gus. ’k Herinner me, dat ik telkens mijn oogen toedeed om den tenor niet te zien en me te kunnen verbeelden, dat het mijn Romeo was die sprak.«

Hij antwoordt door een kus te drukken op het gelaat dat ze naar hem opheft. »Dwaas kindje,« zegt hij eindelijk na een lange pauze, nauw hoorbaar.

Het ruischen der fonteinen klinkt droomerig door de stilte, tot eindelijk de muziek van hare stem die verbreekt.

»Wanneer men zich er eens goed in wegdenkt, Gus, wat is het dan toch een vreemde wereld. Daar zaten nu in die loges [103]honderden vrouwen, gedecolleteerd en geblanket, vrouwen voor wie het woord liefde zijn heilige beteekenis verloren heeft; daar zaten die oude heeren met hun kale hoofden, die viveurs met hun vermoeide gezichten … en hoe werden ze allen geboeid, ja, tot schreiens toe bewogen door een stuk, dat eigenlijk niets anders is dan de verheerlijking der eerste liefde!«

»Weet je nog,« vraagt ze dan en streelt de hand die zij in de hare houdt, »hoe wij onder den indruk waren, in welk een teedere stemming wij thuis kwamen? Weet je nog … den volgenden morgen zouden we naar Versailles gaan; we vergaten het. Zeg, Gustaaf? Verschuere?«

»Wat? Zei je iets? O, neem me niet kwalijk, lieve! Ja, ’t was beeldig; ze zong uitstekend en …«

»Ben je zoo moe? Zoo moe, dat je inslaapt terwijl ik …«

»Neen ik sliep niet! ’k Was maar wat aan het dommelen. Geloof me, ’k heb alles gehoord wat je zei. ’t Is zoo, de tenor was wat dik!«

»Wil je niet liever naar bed gaan, beste?«

»Neen, volstrekt niet.«

»’t Was zeker een erg vermoeiende dag.«

»Ja; je weet, ik ben vanmorgen al vroeg begonnen. We hebben tot zes uur doorgewerkt, van dat we aankwamen af, en ’t is hier zoo schrikkelijk heet op dat Batavia.«

Ze legt haar hand op zijn arm. »Kom, span je maar niet in om wakker te blijven. Je hebt de rust verdiend. Neen … ik zou nog niet kunnen slapen; ik heb niets uitgevoerd vandaag en van middag een lekker dutje gedaan.«

Ze bracht hem zelve weg naar de logeerkamer, keek zorgvuldig of de klamboe zoo goed gesloten was dat zelfs het kleinste muskietje er niet in kon doordringen, onderzocht of de deuren en ramen wel wijd genoeg openstonden om den noodigen tocht door te laten en wenschte hem goeden nacht.

Nu ging ze terug naar de loofhut en zat op het plekje van daareven … maar hoe geheel anders!

De maan is schuilgegaan en het is er vol schaduwen. Ze beproeft zich voor te houden, dat het Gustaaf’s schuld niet is als het avondje, waarvan zij zooveel heeft gehoopt, op een teleurstelling uitliep; ze vermaant zich om het toch te waardeeren dat ze [104]zoo’n degelijk man heeft die niets hoogers kent dan zijn werk; ze berispt zich omdat ze niet, als hij, eerzuchtig zijn kan en het goedkeuren dat hij, door zich te onderscheiden, aanspraak tracht te krijgen op promotie; ze scheldt zichzelve kinderachtig veeleischend, ondankbaar; ze tracht mevrouw De Bruining na te spreken, die betrekkelijk kalm verklaren kon: »Ja, zie je, onze mannen, dat zijn eigenlijk onze mannen niet; die zijn van de secretarie, en ze neemt zich voor, evenals zij, afstand te doen ten behoeve dier secretarie.«

Maar dan wordt het opeens kil en donker in de loofhut.