[Inhoud]

XIX

SERENADE EN VUURWERK.

In tegenstelling van den heer Paerel, die ronduit verklaart, dat als de jeugdige Bruinings nog één dag in zijn huis moeten blijven, hij het ontruimen zou; in tegenstelling van mevrouw, die [139]Louis zonder eten naar bed gezonden, Daantje een oorveeg gegeven en de juf flink haar meening gezegd heeft over bonnes, die, in plaats van te doen waarvoor ze betaald worden, er ponyhaar en kuren op nahouden, zijn de Verschuere’s vrij kalm gebleven bij hun wederwaardigheden. En ze waren vele! Maar op den laatsten avond dreigden ook zij hun geduld te verliezen. ’t Is echter niet de schuld der logées, als er al te veel van dat geduld wordt gevergd: hoe toch kunnen die arme menschen vermoeden wat zoo zorgvuldig is geheim gehouden, hoe toch kunnen zij denken, dat er een plan bestaat, een plan, tot welks uitvoering allereerst noodig is dat mijnheer en mevrouw De Bruining »gekleed« zijn!

»Het is kwart voor vijven,« zegt Verschuere, die ongewoon vroeg thuis kwam en sedert zijn thuiskomst reeds één leitje weggezonden en twee leitjes ontvangen heeft.

»Ja,« antwoordt mevrouw De Bruining rustig wippend, »nog vroeg hè?«

»Niet zoo bizonder vroeg,« meent Verschuere. Maar de manier waarop zijn logée zachtjes voortschommelt, bewijst dat ze bij haar eerste meening blijft.

»Nog een kopje?« vraagt Nita, die, wat haar ook niet elken middag gebeurt, reeds gekapt en gekleed is, in zooverre ze slechts haar peignoir voor een japon heeft te verwisselen.

»Ja, zoo straks! Maar er is geen haast bij. Ga gerust je gang met de bloemen.«

»Ik vrees dat er wèl haast bij is,« waagt Nita op te merken, terwijl ze dadelijk ophoudt met het maken van een bouquet en inschenkt; »u zult wel visite krijgen.«

»O, dat wel! Maar niet zoo vroeg.«

»Zoo vroeg? ’t Is vijf uur vóór we allen gebaad en gekleed zijn …«

»Wat ben je onrustig, Verschuere, met die warmte.… ik wou dat we een flinke donderbui kregen,« zegt De Bruining.

»Een donderbui? Om alles te doen mislukken?« roept Nita, onvoorzichtig als vrouwen zijn kunnen.

»Wat?« vraagt Louise, »wat zou mislukken?«

»Och … alles … de oogst bijvoorbeeld.«

»De oogst? Hoe meer regens de sawahs nu krijgen, zooveel [140]te beter!« en De Bruining vraagt zich af, of het mevrouw Verschuere is die zoo’n domheid zeggen kan.

Als Wies één zwak heeft, dat zelfs Daan erkennen moet, dan is het dat ze nooit een trekpot kan verlaten vóór die tot den laatsten druppel geledigd is; als men den heer De Bruining iets ten laste kan leggen, dan moet het zijn dat hij sedert het overdragen zijner betrekking onbeschrijfelijk lui is geworden; en met deze gegevens, gevoegd bij de drukkende atmosfeer, die heden heerscht, ziet het er somber uit voor het plan, tot welks uitvoering allereerst vereischt wordt dat mijnheer en mevrouw De Bruining gekleed zijn.

»Nu wordt het toch onze tijd! Hemelsche goedheid, ’t is half zes,« roept opeens de gastheer met luider stem en springt, schijnbaar ontsteld, overeind, in de hoop ook hen te doen verschrikken.

»Nog tien minuten er voor,« constateert De Bruining met een blik op de hangklok en blijft rustiger dan ooit liggen.

Op dit kritiek moment daagt er ontzet. ’t Is in de persoon van mevrouw Verschuere’s neef.

Hij overziet den toestand met een blik, den toekomstigen veldheer waardig.

»U hier, mevrouw De Bruining?« vraagt hij. »O! daarom hoorde ik zeker dat arme kindje van u zoo schreien. ’t Scheen of er niemand bij was en«.. Maar hij kan zwijgen; reeds heeft de moeder den trekpot in den steek gelaten.

»Mijn waarde heer De Bruining—neen, dank je Verschuere, ik zal niet rooken—misschien doe ik u geen ondienst met u te waarschuwen … ik heb er zoo iets van gehoord dat Zijne Excellentie voornemens zijn zou u nog even te bezoeken.«

Met een snelheid, welke men niet bij hem gezocht zou hebben, verdwijnt ook De Bruining in het bijgebouw, en nauwelijks is hij verdwenen of er ontstaat een luid geroep om bedienden, beantwoord door een trouwe opkomst en gevolgd door een groote drukte.

Alle jongens en meiden komen toeschieten: een grijpt het theegoed weg, een ander zet de stoelen en tafels ter zijde, een derde maakt alle deuren en vensters open, een vierde komt aandragen met groote bladen vol champagneglazen, een vijfde begint de lampen te ontsteken, alles onder leiding van James, die beloofd [141]had een handje te komen helpen en zijn belofte schitterend gestand doet.

Ook Hooglaan komt nu aangetreden—hij kon onmogelijk zoo haastig toilet maken als zijn collega—en met zijn afgemeten pasjes, zijn zwaaiend badientje en keurige kleeding zou hij reeds van verre een zeer goeden indruk maken, zoo niet, met dezelfde kleine pasjes, allen achter elkaar, zes inlanders hadden voortgestapt, wat hem deed gelijken op den aanvoerder van een troep ganzen. De zes inlanders waren de dragers van zes reusachtige bouquetten.

»Van mevrouw van Waliënhove?« vroeg Nita, toen ze uit haar voorgalerij den stoet zag naderen.

»Neen! Die neemt het zeer kwalijk, dat, als zij een afscheidsdiner geven wil, De Bruining het wagen durft zóó ziek te zijn dat hij het niet kan bijwonen. Clotilde stuurt ze. Ik heb haar gezegd dat ze gelijkt op de toovergodinnen, die, als ze niet zelf komen, zich laten vertegenwoordigen door haar geschenken. Word ik niet galant? Durf je nu nog zeggen dat ik den hoftoon niet heb?«

De heer Verschuere daalt nu af naar de ruime gewelven onder het huis, waar hij zijn wijn bewaart; mevrouw gaat naar haar kleedkamer: bij hun terugkomst vinden ze de voorgalerij herschapen in een bloementuin, bestraald door een zee van licht.

»Hoe keurig!« roept Nita. En dan vriendelijk: »Ik wou dat je onze adjudant waart, James.«

»Ik wou het ook, Nita.«

»Nu, daar behoef je zoo’n sentimenteel gezicht niet bij te zetten! Kijk eens, Verschuere, ziet het er niet allerliefst uit? Je moogt de heeren wel eens vriendelijk bedanken … Waar is Hooglaan?«

Deze komt met een min of meer onthutst gezicht Verschuere op zijde. »Hebt u misschien ook een vrouwelijk wezen bij de hand?« vraagt hij dezen geheimzinnig.

»Jawel«, zegt Verschuere en wijst lachend op Nita.

Maar zulke aardigheden vallen niet in mijnheer Hooglaan’s smaak.

»Ik bedoel een dienstbare. Om mevrouw De Bruining te gaan waarschuwen.«

»Ik zal haar roepen. Ze zal nu wel klaar zijn, denk ik.«

»Integendeel, mevrouw. Ziet u, ik had misschien niet zoo indiskreet moeten wezen, maar daareven wierp ik—natuurlijk bij [142]toeval—een blik in haar voorgalerij en—excuseer mij, mevrouw Verschuere—ik zag daar uw logée in nachttoilet.«

»In nachttoilet!« herhalen allen verbaasd. »Onmogelijk!«

»Ik verzeker het u.«

»Onmogelijk! Op dit uur van den dag!«

»O ja«, roept Hooglaan nu met zijn meest gemaakt stemmetje, »’t is waar ook, u noemt dat anders: in sarong en kabaia, meen ik. Maar ziet u, bij ons op het paleis is de geijkte term.…«

Reeds is James uitgebarsten in »dien ruwen lach die zijn collega zoo agaceert«; reeds heeft Verschuere zich haastig omgekeerd om Mingo te roepen, wien hij niets te zeggen heeft; reeds is Agnita de trappen afgevlogen naar de logeerkamer, waar ze Louise vindt.… erger dan in nachttoilet.

»Mijn hemel! juf, neem Jantje! Maar in ’s hemelsnaam, wat voert u uit, mijn lieve mevrouw?«

»Jantje heeft zich bezeerd. ’t Ventje.…«

»Och, hij doet immers niets anders!« roept Nita, voor het eerst ongeduldig.

»Nita-lief, laten we kalm blijven.«

»Kalm blijven! En er komt een serenade!«

»Een serenade!«

»Ja. Baboe! Kassi kous!«

»Een serenade?«

»Ja. Hebt u uw schoenen? O neen, eerst de kousebanden; hier zijn ze.«

»Maar kindlief.…«

»Waar is de tournure? Baboe, kassi tournure!«

Jantje gilt—en geen wonder! Zijn wondje bloedt en er is niemand die naar hem omziet, want nauwelijks heeft juf het woord »serenade« gehoord, of ze is weggevlogen om haar gezicht te bedekken,—haar eerste beweging bij elke omstandigheid haars levens—en de anderen zijn bezig om naar de tournure te zoeken … die, helaas, niemand vindt.

Intusschen beginnen zich hier en daar in den tuin, die tot punt van samenkomst is gekozen, reeds flambouwen te vertoonen; ze worden talrijker, steeds talrijker; ze beginnen zich in rijen te scharen; er ontstaat een geraas van rijtuigen, waarschijnlijk gevuld met dames die komen »nonton«, een gewoel van het inlandsch publiek dat samenschoolt[143]—Verschuere laat vragen of de dames gereed zijn.…..

En de tournure?

»In ’s hemel naam, dan maar zonder,« en drie paar handen gooien mevrouw De Bruining haar japon over het hoofd.

Er is in de tropische natuur altijd iets, dat aan tooneeldecoraties denken doet, en dit is nooit sterker het geval dan wanneer er tusschen het zwartgroen der palmen vuur speelt; de flambouwen geven wonderschoone vormen aan het majestueuse geboomte, dat ze verlichten met haar rooden gloed. Als vanzelf rijst De Bruining overeind; als vanzelf plaatsen de wachtenden in de voorgalerij zich rondom hem: de muziek komt tot hen. Het wordt doodstil.

»Blijf zitten, mijnheer De Bruining;« zegt James vriendelijk; »u zult straks nog genoeg moeten staan.«

De vermaning blijkt overbodig: hij zinkt reeds terug in zijn stoel.

»Een serenade,… dat hadden ze niet moeten doen … waarachtig … het maakt me … Wies! Kom hier bij me.«

»Stil, Daan! Hou je nu bedaard, Daan! Kom, je waart altijd flink …«

Nita, die, terwijl ieder aan champagne dacht, zenuwstillende druppels gereed maakte, komt nu nader met haar medicijn.

Haastig drinkt hij het glas ledig, maar hij is zoo bleek en zoo bevend, dat de omstanders vreezen voor de mislukking van het plan.

Gelukkig ontbreekt het in de familie De Bruining nooit aan afleiding. Juist op het oogenblik dat de stoet het erf opkomt, rent van de andere zijde Toetie de voorgalerij binnen: zij rijdt paardje op papa’s wandelstok en—op de plaats, daartoe door een even onzinnige als onkiesche mode aangewezen—draagt ze mama’s tournure.

Nu is het iets anders een tournure te bezitten en wederom iets anders die tournure voor het oog der geheele wereld te zien rondrijden in een voorgalerij; iets anders uw vrouw zoo’n dwaas ding te zien aanbinden en wederom iets anders te moeten bekennen dat ze dit doet.… de De Bruinings schamen zich diep.

Mijnheer kan zoo gauw niet overeind komen, maar dit is ook overbodig; ieder wordt gaarne bereid gevonden het ongelukskind [144]een of meer gevoelige vermaningen te geven, terwijl ze de trap letterlijk afrolt onder de vereende duwen van alle aanwezigen.

Het incident heeft goed gedaan. Als er achtereenvolgens een vijftigtal heeren binnenkomen in zwarte jassen en met gelegenheidsgezichten, is het voorwerp hunner hulde ten minst in staat ieder hunner de hand te drukken en te danken zonder die dwaze tranen, die hem tegenwoordig te pas en te onpas in de oogen komen.

Aan den heer Verdijk, den pas benoemden gouvernements-secretaris, is opgedragen het woord te voeren.

»Zul je het vooral kort maken?« fluistert Verschuere hem toe; »de man is op van de zenuwen.«

Het is zijn voornemen kort te zijn, niet zoozeer uit medelijden met den jubilaris—welke feestredenaar heeft ooit medelijden met zijn slachtoffer gehad?—maar omdat hij moeielijk spreekt en door het minste of geringste in de war raakt. Toch maakt hij het nog veel korter dan eerst zijn plan is geweest.

»Mijnheer De Bruining! Uit naam van Buitenzorg’s burgers, uit naam van de ambtenaren der secre …« Pif! paf! pif! paf! pif!

Men hoopt dat het op zal houden, dit onzinnig pif! paf! en men wacht.

Men wacht. Maar het wordt harder, steeds harder, de slagen schijnen vertien-, verhonderdvoudigd te worden.

De vreeselijke waarheid dringt zich aan de wachtenden op. Het moet een dier lange trossen voetzoekers zijn, zooals de Chineezen ze ontsteken bij hun feesten, en die, eenmaal ontstoken, klappen en klappen tot de laatste is opgebrand.

Met den moed der wanhoop zet Verdijk borst en longen uit. »Van de ambtenaaren der secretarie, die u hierbij het bewijs geven«.… een dikke rookwolk.… de spreker kan niet voortgaan.

Pif! paf! Verdijk staat De Bruining, De Bruining staat Verdijk aan te zien, alle gelegenheidsgezichten zijn uit de plooi, sommigen om te proesten van den rook, anderen om te proesten van lachen, velen om ssst! te roepen, alsof mortions zich tot zwijgen laten brengen vóór ze hebben uitgeraasd!

Gelukkig komt Verdijk op den inval om het huldeblijk—een prachtalbum—maar zonder speech over te reiken.

»Muziek!« roept een stentorstem boven het rumoer uit, en nu roept iedereen om muziek en dadelijk klinkt het: [145]

»Lang zal hij leven!«

’t Ziet er niet naar uit of die wensch vervuld zal worden, als een half uur later de voorgalerij is leeggestroomd en het verdwijnen van al die bekende, bevriende gezichten hem zich zoo eenzaam voelen doet, dat hij omziet naar zijn reisgezellin op den tocht door het leven, om in een innige omhelzing de zekerheid te erlangen, dat die toch niet zoo eenzaam zal zijn als hij een oogenblik heeft gemeend.

»Papa! U bedankt iedereen behalve ons!« en op eens duikt Frits op uit den donkeren tuin, vergezeld van een Paerel.

»En waarvoor moet ik je bedanken, jongelief?« vraagt papa aangedaan: hij gelooft zich het voorwerp van een niet genoeg gewaardeerde attentie zijner kinderen.

»Wel, voor dat vuurwerk! Vond papa het niet mooi? Wat paften ze, hé? die mortions?«

»Hebt jullie dat gedaan?« vraagt de vader met onverholen afschuw.

»Ja. ’t Was voor twee kwartjes,« spreekt de jeugdige Paerel fier.

»En,« voegt Frits er bij, terwijl hij zijn vuile zwarte hand uitsteekt, »als pa er ons niet voor bedankt, zou pa ons dan het geld willen teruggeven.«


»Zijne Excellentie!«

Hij komt onverwacht, onverzeld; alleen om zijn secretaris nog eens te groeten; om mevrouw een gelukkige reis te wenschen; hij blijft slechts kort; maar iedereen weet het, het is iets zeer buitengewoons wat de gouverneur-generaal hiermede doet; een blijk van waardeering, van vriendschap bijna.

De arme De Bruining kan geen woord zeggen op zijn hartelijk: »Tot weerziens!« en als hij het beproeft, dan barsten de tranen los, die dwaze tranen, den geheelen avond zoo manmoedig teruggedrongen.


»Ik zal dus naar Bloemduin gaan, Nitalief?«

»Ja, en u moet hen alles vertellen. Van mijn huis en mijn tuin en mijn bloemen. En hoe goed ik het heb getroffen met mijn bedienden. En dat ik weer muzieklessen neem! Daar was papa erg op gesteld, moet u weten.«

»En dat je zooveel studeert en zoo’n geleerde dame wordt.« [146]

»Neen, zeg hun dat maar niet.… ze mochten eens vragen met welk doel … dan moet u hun ook van Gustaaf vertellen: dat hij alles voor mij is; alles ten minste wat hij in zijne betrekking voor me wezen kan; en ook hoe James hier elken dag komt en welk een prettige afleiding me dat geeft. U zult hun zeggen, dat ik gelukkig ben, niet waar?«

»Moet ik dat zeggen, lieve?«

»Ja,« en ze ziet Louise vast in de oogen, »dàt moet u zeggen: gelukkig en gezond!«

Dan vallen de vriendinnen in elkanders armen en weenen.

Den volgenden morgen.…. ach, we maken het elkaar wèl zwaar, het heengaan, wij Indischlui, met onze afscheidspartijen en afscheidsbezoeken, met ons komen aan den trein en ons uitgeleide doen naar de boot, met onze handdrukken en kussen, met ons wuiven tot het laatst.

Maar toch, we zouden het niet willen missen, ’t weemoedig genot van ons nog eens te overtuigen, dat er waren die ons liefhadden op het smaragden-eiland: we zouden haar niet willen missen de herinnering aan die oogenblikken, die ons zoo zenuwachtig maakten; immers, we hebben den tijd om onze zenuwen weer tot rust te laten komen in Holland—waar men er niet zooveel van vergt.