[Inhoud]

XX

DE VROUW VAN EEN HOOGGEPLAATSTE.

Een jaar is verloopen sedert meer dan 50 passagiers het stuk onderteekenden, waarbij aan de directie der maatschappij Nederland dringend werd verzocht voortaan te waarschuwen wanneer een harer booten gezinnen met meer dan zes kinderen zou vervoeren; sedert zeker Geldersch landstadje in opschudding werd gebracht door de aankomst eener indische familie; sedert die indische familie dingen begon te doen zóó raar, dat ze weken lang stof tot praten gaven, ja, met den hardnekkigen levensduur aan verhalen op [147]kleine plaatsjes eigen, over een halve eeuw nog in den omtrek zullen voortleven, zij het dan ook als legende.

Een jaar sedert Wies voor de eerste maal asperges ging steken in den groententuin achter het huis en Daan—in een houding door Jantje beschouwd als uitnoodiging om bok, bok, sta vast! te spelen—moest antwoorden op haar vraag of dit nu niet veel prettiger was dan met blauw potlood aanmerkingen te zitten maken op het werk van arme kommiezen; sinds Daan een kloek besluit nam en Wies tranen met tuiten schreide, maar beiden zich onuitsprekelijk verlicht gevoelden door het vertrek van vier hunner zonen naar een instituut, gunstig bekend voor het temmen van indische jongens.

Een jaar sedert, in het paleis onder de palmen, baron Van Waliënhove begon te vinden dat men in zijn familiekring wel eens gelukkige oogenblikken slijten kan.

’t Is waar, zijn jongens bleven nog altijd een paar wilde knapen, maar ’t was nu niet meer drieste onbezonnenheid; ’t was nu gezonde levenslust, getemperd door verstandige leiding, en—wat het voornaamste was—hij heeft nu de gelukkige zekerheid dat al het goede wat in hen sluimert wordt gewekt en ontwikkeld.

Die zekerheid schenkt hem een weldadige kalmte na al de zorg die zijn zoons—meer nog misschien hun mentors?—hem in de laatste jaren hebben gekost, en mocht hij enkele malen pijnlijk getroffen worden door den toon, dien de barones zich tegen Van Beevelant veroorlooft, het gedrag van den tegenwoordigen gouverneur waarborgt hem, dat tooneelen als vroeger somtijds voorvielen nu tot de onmogelijkheden behooren.

Ook—en dit verhoogt zijn geluk niet weinig—ook het hartstochtelijk verzet van Clotilde tegen de onderdrukking harer stiefmama heeft opgehouden. Wijdt ze haar liefde aan vader en broers, ze behandelt haar moeder met al de onderscheiding waarop deze aanspraak maakt—en dit is niet weinig! Zij schikt zich naar luimen en nukken, die haar vroeger ondragelijk schenen; ze zwijgt, zij het dan met pijnlijken blos, op grove hatelijkheden; ze stompt scherpe pijlen af door ze te ontvangen met een vriendelijk woord.

Soms, als haar vader haar gadeslaat—zijn heftig kind zoo stil en zachtmoedig—ontdekt hij op haar gelaat een geheel nieuwe [148]uitdrukking, die aan de kinderlijke trekken iets echt vrouwelijks schenkt, en hij mist ter nauwernood de kuiltjes en lachjes, die langzamerhand verdwijnen, want ze herinnert hem, gelijk ze nu is, een ander gelaat met datzelfde waas van droomerige teederheid en hij bemint in haar het verloren ideaal. Soms echter, als ze de oogen naar hem opslaat, vraagt hij zich af, of ze niet wellicht in stilte bemint? Immers alleen eene vrouw die bemint heeft dien blik.

Maar dit is nu juist de doodzonde, die mevrouw Van Waliënhove haar niet vergeeft: ze bemint noch in stilte, noch in het openbaar. ’t Is dan ook reeds sedert veel langer dan een jaar dat mevrouw Ramsberge ongerust begon te worden, ja, zich ernstig boos maakte over de kuren van die Clotilde.

»Mijn hemel, wat was dat nu voor een inval van dat domme schaap om niet te willen trouwen! Neen, maar ik vraag u, waar moet het heen met de meisjes in Indië, wanneer de dochter van den gouverneur-generaal zulk een voorbeeld geeft? ’t Worden compleet europeesche toestanden.«

En hoe Ramsberge het haar ook afraadt, ze kan het niet laten, ze moet nu en dan mevrouw Van Waliënhove eens polsen, ze moet van tijd tot tijd eens informeeren of er nu nòg niets gaande is.

»Neen, niets,« antwoordt onveranderlijk mevrouw Van Waliënhove.

Ze bijt die woorden af, alsof ze gal en alsem bevatten, en om haar mondhoeken vertoont zich een plooi die een minder dom schepsel als de generaalsche zou hebben gewaarschuwd dit onderwerp maar liever niet aan te roeren.

»Foei,« rammelde ze door, terwijl ze zich koelte toewuifde, »’t is ongehoord! Niets, zegt u? heelemaal niets? Men vraagt zich af: wat bezielt zoo’n meisje?«

»Ja,« zei de ongelukkige moeder, »dat moogt u wel vragen. Men moet de inbeelding van Clotilde hebben, om partijen zooals zij heeft kunnen doen af te slaan. Ik heb haar gister nog doen opmerken dat de gekroonde hoofden in Europa allen getrouwd zijn; ’t kon zijn dat ze daarop wachtte.«

»Ze verdient dat ze overblijft,« zegt mevrouw Ramsberge met een heftigheid, waaruit blijkt dat dit de schrikkelijkste straf is die ze bedenken kan.

Mevrouw Ramsberge is niet de eenige die in dezen geest spreekt. [149]Al de aanhangers van de barones—en ze heeft aanhangers!—vinden dat het eigenlijk niet te pas komt, voor de dochter uit een eerste huwelijk, ongetrouwd te willen blijven; ’t is waar, ze is natuurlijk vrij als ieder ander, maar stiefmoeders verwachten nu eenmaal dat haar stiefdochters haar zoo spoedig mogelijk zullen ontslaan van haar tegenwoordigheid en hebben nu zulke meisjes het recht om de tweede vrouw van hun papa teleur te stellen in die billijke verwachting?

Een jaar is ook verloopen sedert aan den morgen van een blijden dag vriendenhanden de villa op het Koningsplein zoo rijkelijk beschonken met kransen en bouquetten dat ze een bloemtuin geleek. Ter nauwernood geloovend aan het geluk hem beschoren, kwam de bruigom uit dien bloemtuin de schoonste roos plukken en niet lang daarna brachten de heer en mevrouw Hagen hun eerste bezoek in de kleine luitenantswoning.

»Ik dank u! o papa, ik dank u!« riep het jonge vrouwtje telkens weer, ook nadat ze reeds voor alles bedankt had, en toen de ouders terugkeerden in hun eigen huis vonden ze het er niet zoo eenzaam en ongezellig als ze indertijd gevreesd hadden dat het er zijn zou zonder Gertrude: ze hadden altijd stof tot praten, ze moesten altijd weer zich verbazen over »die kinderen«, die zoo verwonderlijk verliefd, zoo verwonderlijk gelukkig waren.

Een jaar ook sedert mevrouw Verschuere ten tweeden male werd teleurgesteld in de hoop, dat zij voor veel wat haar in het huwelijk was ontzegd vergoeding zou vinden in het moederschap; dat ze haar hart gebood om stil te zijn en te doen als de kinderlooze vrouwen onder hare kennissen, wier mannen geheel in beslag genomen worden door hun betrekking: tevreden leven zonder de hulp dier mannen.

Eenmaal tot dit besluit gekomen, begon ze na te gaan welke middelen een »vrouw zonder kind en bijna zonder man«, zooals ze zichzelve met een weemoedig lachje noemde, ten dienste staan om de lange indische dagen door te komen.

De huishouding, de keuken, de tuin, lectuur, conversatie, muziek.

En dan, wat de meeste dames missen en zij in de gegeven omstandigheden niet genoeg waardeeren kan, haar liefhebberijen; haar talent voor teekenen, haar studielust, haar botanische kennis [150]en de prachtige gelegenheid, welke de Plantentuin biedt om die kennis te vermeerderen.

De huishouding.. ja, met de helft van Verschuere’s traktement zou die haar handenvol werks gegeven hebben, maar nu is bijna alles wat ze daarin doet verkiezing, geen noodzaak.

Mingo heeft zes jaar bij haar man gediend toen deze nog ongetrouwd was en is in dien tijd van alleenheerschappij een uiterst bekwaam mandoer geworden. Maar hij wil als zoodanig erkend zijn. En het is vreemd—voor Agnita ten minste, die nog niet weet hoe de inlander met zijn stille tegenwerking ons brengen kan waar hij ons hebben wil—’t is vreemd hoe, zoo dikwerf zij handelend optreedt, een partij of diner minder goed van stapel loopt dan wanneer ze met een vleiende verzekering van onbepaald vertrouwen alles aan Mingo overlaat.

In haar keuken durft ze niet komen. Haar oude kok is een indische Vatel. Hij heeft achtereenvolgens gekookt voor zeven landvoogden, met het gevolg dat hij zeer juiste begrippen heeft over het vergankelijke van alle aardsche grootheid en veel boter gebruikt.

Mevrouw Verschuere zou hem liefst hebben weggezonden, daar hij haar een gevoel geeft alsof het zijner onwaardig was ergens anders dan op het paleis te dienen, maar op raad harer goede vriendinnen behield ze hem, niettegenstaande zijn fabelachtig botergebruik, zijn voorkomen van miskend genie en een andere eigenaardigheid, die haar veroordeelt altijd met afgetreden landvoogden rekening te houden.

Den eersten keer namelijk dat ze hem opdroeg een zekere pudding te maken, had hij gevraagd: »à la Sloet van de Beele of à la Mijer?«; hij maakte de hertenbout gereed à la Lansberge, rissoles à la Loudon en een aspic à la Duymaer van Twist … die trouwens zóó verrukkelijk was, dat hij zelfs Multatuli zou gesmaakt hebben.

Wanneer zij een enkele maal het waagde een aanmerking te maken, dan wierp hij haar een half dozijn excellenties naar het hoofd, die den door haar gelaakten schotel dus en niet anders gewenscht hadden, en met dit wapen wist hij haar, zoo niet geheel van zijn domein te verdrijven, dan toch op eerbiedigen afstand te houden. [151]

Ook aan haar toilet behoeft ze weinig tijd en nog minder gedachten te wijden. Thuis maakte zij zelve haar kleedjes en droeg ze met de grootste voldoening, tot … ze at van den boom der kennis. Een kunstenares in het vak kleedde haar gedurende hun verblijf in de wereldstad; ze moest zichzelve bekennen, dat dit toch nog heel iets anders »was« en stemde gaarne toe, toen Gustaaf het plan opperde tweemaal ’s jaars een bestelling te doen in Parijs.

In het kort, ze behoefde, om een onder huismoeders geijkten term te gebruiken, geen vinger uit te steken.

Dus wandelde ze en botaniseerde en herboriseerde; dus speelde ze piano tot de buren haar weg wenschten; dus teekende ze aquarellen en schilderde stillevens; dus studeerde ze en verdiepte zich in allerlei geleerde betoogen; dus maakte ze cadeautjes voor alle bruiden en kransen voor alle begrafenissen en jurkjes in alle luiermanden en lieve attenties voor alle jarigen.

Wanneer dit alles niet baatte, liet ze haar coupé voorkomen en ging dikwijls ’s morgens om half elf reeds visites maken.

Visites maken was de eenige bezigheid, waartoe ze door het heilige Moeten gedwongen werd. Men leed in Buitenzorg aan de conversatiemanie, die het leven in Indië tot een last kan maken, meer dan muskieten of warmte.

Ofschoon de residentie er langzamerhand te groot voor was geworden, huldigde men er nog steeds het systeem der buitenposten, dat iederen nieuw aangekomene dwingt bezoeken af te leggen bij de notabelen, en ieder die deze bezoeken niet aflegt beschouwt als een wezen zonder opvoeding, voor niets geschikt dan voor een spoedige overplaatsing.

Verschuere had bij aankomst in Buitenzorg zijn visites gemaakt, maar sinds het aanvaarden van zijn nieuwe betrekking volgde hij het voorbeeld, door de meesten zijner voorgangers gegeven: hij ging niet meer uit. Van bezoeken in den vooravond was geen sprake: recepties woonde hij alleen bij, als ze ten paleize werden gegeven; voor speelavondjes bedankte hij onvoorwaardelijk; niet dat hij soms niet dollen lust had in een partijtje, maar hij kende zijne Buitenzorgers: als hij de eene uitnoodiging geweigerd, de andere aangenomen had, dan zou de burgeroorlog zijn ontbrand.

Nita ware liefst met hem thuis gebleven. Maar daarvan wilde hij niet hooren. Integendeel, hij wenschte dat zij zou goedmaken [152]wat hij te kort kwam op dit punt. Hij wist, dat het publiek niets zoo moeilijk vergeeft als dit, dat men toont buiten het publiek te kunnen, en daar zijn politiek meebracht het niet tegen zich in het harnas te jagen, gaf hij op gezette tijden groote partijen, opgeluisterd door hooge gasten, fijne wijnen en de lekkerste gerechten die de gouverneur-generaalskok wist te bereiden.

Dan verklaarde hij aan ieder die het hooren wilde, welk een bezwaar het was, aan zijn betrekking verbonden, dat men zoo iets prettigs als visites maken er voor moest nalaten, en men ging verrukt naar huis en was tevreden met de bezoeken die Nita aflegde, zoo geregeld en zoo getrouw, alsof het gouvernement er haar voor bezoldigde. En waarlijk, het geleek dikwerf meer op dienst dan op uitspanning.

James was haar een trouwe cavalier. Overal waar ze verscheen werd ze even hartelijk welkom geheeten en beklaagd dat ze altijd zoo alleen moest uitgaan, maar zij zelve wist niet of ze het wel zoo treurig vond. Als de liefde, die ze voor Gustaaf gevoelde, vatbaar was geweest voor verandering—maar dat was ze niet, daarvoor vervulde ze te veel haar geheele bestaan—dan zou ze hem minder lief gehad hebben wanneer ze met hem in gezelschap was.

Hij kon haar dáár zoo vreemd worden! Hij geleek daar zoo weinig op het ideaal, dat ze in haar hart bewaarde sinds haar eerste meisjesjaren, zoo weinig op den Gustaaf, van wien ze hoorde spreken telkens als ze met haar ouders een bezoek bracht op het oude kasteel te Bloemduin; den Gustaaf, waarmee zijn vier oude tantes dweepten, gebogen over haar theekopjes: wiens brieven werden voorgelezen, wiens portret haar aantrok met geheimzinnige macht, dien ze verwarde met de helden uit hare geschiedboeken.… tot hij eindelijk verscheen in haar eenvoudig dorpje, omstraald door de glorie van een langdurig verblijf in den vreemde, in de volle kracht van zijn overheerschenden geest, van zijn mannelijke schoonheid.

Ze kon het daar ternauwernood gelooven, dat hij niet een dier mooie, trotsche vrouwen gekozen had, aan wie hij nu zoo hoffelijk den arm bood, doch haar, het onervaren kind, dat hem niets had te bieden dan wat hij niet scheen te behoeven, haar liefde; en soms, als ze hem gadesloeg, kon de gedachte haar komen [153]beangstigen, dat hij vroeg of laat zou wenschen een dier schitterrende starren gehuwd te hebben, liever dan zijn nederig bloempje.

Neen, dat was niet haar geliefde, die glimlachende hoveling die met uitgestrekte hand toetrad op den hooggeplaatsten ambtenaar dien hij in stilte verachtte; niet haar Gustaaf, die mevrouw Heylerts noodde om met hem te soupeeren en dan Van Sonnefelt eene plaats aanbood aan hun tafeltje: niet haar Gustaaf, die Amalia te Leurse haar koket spel met hem drijven liet, om er zich later mede te amuseeren; die met mevrouw Van Waliënhove spotte over mannen en vrouwen, door hem—dit wist ze—in andere oogenblikken gevleid en gevierd.

Hij heeft haar geleerd, dat de wereld zulke onoprechtheden eischt: hij heeft haar gezegd, dat dit de valsche munt is, waarmede men elkaar in zekere kringen betaalt, dat niemand dwaas genoeg is om ze voor echt te houden, en ze heeft er ook niet meer zooveel tegen dat andere dit doen, maar dat hij, hij, wien ze hooger schat dan al die anderen, dat hij er zich toe vernedert!…

Soms, bij het naar huis rijden, sprak hij voort in dienzelfden lossen, wereldschen toon.… Ach, ze had hem zoo gaarne opheldering gevraagd over veel wat haar bevreemdde: zij wenschte niets liever dan van zijn lippen te hooren dat ook hij walgde van dit veinzen en vleien, dit huldigen van grootheid, dit moedwillig niet opmerken van het lage of gemeene, wanneer het voorviel in de hoogere rangen; maar ze durfde niet … ze vreesde zoozeer voor het verlies van haar ideaal! Ze nam slechts zijn hand in de hare en vroeg: »Te Bloemduin, bij pa en ma, deed je je voor zooals je werkelijk was, niet waar? Dit alles is je geen ernst, is ’t wel, Gustaaf?«

Dan sloot hij haar lachend in zijn armen en beproefde de droefheid weg te kussen van het bleek, vermoeid gezichtje en beloofde, dat later, later, als deze tijd van werken en streven voorbij was, dat later ze in hem den Gustaaf zou terugvinden dien ze te Bloemduin had liefgekregen.

En ze geloofde hem. Ze vermaande zich om geduld te hebben, ze beproefde om het heden met zijn raadselen en vragen te vergeten in de herinnering aan het zalig weleer; in de hoop op een niet al te verwijderde toekomst.

’s Morgens waren alle wolken verdwenen van het gezichtje, dat [154]hem toeknikte bij het ontwaken: ze had bij het eerste ochtendgloren gestaard op het gelaat, dat den vorigen avond haar een oogenblik vreemd scheen: ze had de lokken weggestreken tot het edele voorhoofd bloot kwam en er bij de aanraking der geliefde hand een glimlach zweefde om zijn lippen; ze had teruggevonden wat ze zoo noode miste.

Toen Verschuere niet meer met haar kon uitgaan, betreurde Agnita dat slechts ten halve. Immers meer dan wanneer ze haar bezoek, altijd vergezeld van Verschuere, had afgelegd, werd ze vertrouwelijk met de dames, vooral daar ze nogal eens ’s morgens kwam en dan in de achtergalerij werd ontvangen.

Soms, als zij ze zoo bezig zag, den blos der gezondheid op de wangen, vroolijk en opgewekt niettegenstaande de vele drukte, kwam zij op het denkbeeld te vragen naar het middel om zoo opgewekt te blijven en zoo gezond vooral.

Ze gaven raad, zooals we meest raad geven: te veel vervuld van eigen belangen en eigen bezwaren en eigen grieven, om ook maar voor enkele oogenblikken geheel te kunnen opgaan in den toestand van haar die onze hulp en belangstelling komt inroepen.

Ieder bezag haar geval van een verschillend standpunt. De tobbers met groote gezinnen, die ze aantrof in een verkreukelde kabaia, met een gezicht rood van ergernis luie bedienden voortdrijvend, keken half benijdend naar haar geborduurde peignoir, haar zorgvuldig opgemaakte krullen, haar kalm, zacht getint gelaat. »Als u nog klaagt, mevrouw,« riepen ze, »die alles heeft wat u begeert, die rijden en wandelen kunt wanneer u wilt, die uitstapjes kunt maken naar Batavia en nooit van een bal of partij behoeft thuis te blijven om de kleine peuzels, wat moet het dan niet zijn voor ons, voor ons, die..?« en dan volgde een lang relaas van spreeksters groote en kleine misères.

De jonge vrouwen—getrouwd om positie of fortuin, maar daarom niet minder gelukkig; en helaas, zoo zijn er vele—verbaasden zich ten zeerste over haar. Mijn hemel, ze kon uitgaan en menschen zien, zich mooi kleeden, desnoods zich een beetje het hof laten maken … wat wou ze meer? O ja, de dagen zijn lang, dat is zoo; maar als men ’s avonds laat thuis komt, dan kan men den volgenden morgen gebruiken om uit te slapen, en dat helpt enorm om ze door te komen. [155]

De vrouwen die zelve niet denken, maar toch zoo’n ochtendbezoek heel aardig weten te passeeren met te herhalen wat ze hier en daar opvingen—en helaas, zóó zijn er ook vele!—begrepen dat ze best deden met haar mee te praten.

Ja, zekert ’t was een plantenleven, dat leven van de dames in Indië; niet waar, geen afwisseling?

Ja juist, dat was zoo vervelend, dat men geen jaargetijden heeft.

Zeker, dat op- en ondergaan van de zon altijd op hetzelfde uur, ze had wel gelijk—het was vreeselijk eentonig! Maar och … als mettertijd … ze moest maar geduld hebben.

O, daar was het weer! Dat kind! Waarom spraken ze daar toch allen over? Wisten ze het dan niet, de dames, die haar maar steeds vervolgden met een verwachting, welke nooit verwezenlijkt werd, wisten ze het dan niet dat uitgestelde hoop het hart verteert?

Ze wilde niet meer hopen, ze zocht naar een andere oplossing van het vraagstuk haars levens. Toen echtgenoot en vrienden haar hadden gesmeekt, toch de droefheid te matigen, die haar voor altijd dreigde te knakken, toen vroeg ze hen haar te helpen, door niet te gewagen van dat beloofde land, aan welks ingang ze tot tweemalen toe stond zonder het te mogen binnentreden … en nu kwamen die vreemden en dwongen haar telkens weder, naar het gesloten paradijs om te zien.

Neen, daar was geen hulp!

»Je hebt toch alles wat je begeert?« vroeg Verschuere soms, verontrust door die smachtende uitdrukking in haar oogen. »Zeg kind, wat ontbreekt je? Zeg het en ik zal het je bezorgen.«

»Neen, niets lieve! Dank je.«

Wat zou het baten of ze hem zeide wat haar ontbrak? Hij kon het haar immers toch niet geven? ’t Was anders wel weinig, wat zij hem had willen vragen.., alleen wat meer van zijn tijd, van zijn gedachten, van zijn hart!…

Eerst had ze gemeend, dat als ze zich maar eenmaal had losgemaakt van die gedachte aan een kind, alles beter gaan zou. Ze had zich haar bestaan afgebakend, haar dagen van uur tot uur verdeeld, ze had zich aangegrepen, zooals ieder haar vermaande te doen; ze was moedig begonnen met het nieuwe leven en toch, vreemd … ze kon dat gevoel maar niet van zich afschudden, alsof [156]er iets komen moest om het ledig te vervullen, dat grooter en grooter werd, alsof iedere dag eindigde zonder haar te brengen wat ze onbewust van iederen dag vroeg.

Vreemd?… Met die eigenaardige, echt vrouwelijke natuur, die haar dreef om van elk harer gewaarwordingen rekenschap te geven, om het oordeel te vragen, de goedkeuring te verlangen van haar echtgenoot, met die innige behoefte om vreugde en leed te deelen met wien ze liefhad? Met die neiging om niet zelve te handelen, maar nederig een steun te zoeken en zich geheel op dien steun te verlaten?

»Kom eens mee, Gus! toe, kom eens zien. Ik heb een tak orchydeeën geteekend en ’t is zóó beeldig uitgevallen.«

»Ja, lieve, dadelijk; ik zit midden in een stuk … Zoodra ik klaar ben …«

Ze wachtte. Soms een half uur, soms langer. En als hij dan kwam vond hij haar stil en lusteloos; de opgetogenheid was voorbij, ze vond het niet eens meer de moeite waard, hem te laten zien wat ze daar straks zoo geroemd had; bij nader inzien was het niets buitengewoons.

Een ander maal kwam ze zijn bureau binnensluipen, een schetsje in de hand; ze waagde het niet hem toe te spreken, ze kuchte nu of dan eens, tot hij haar hoorde en omkeek.

Ze kon zich niet beklagen dat hij haar niet vriendelijk ontving; hij schreef even den volzin af, dien hij begonnen had, stond op van zijn schrijftafel, ging mee naar het venster om het volle licht te doen vallen op de teekening en prees of laakte met kennersoog. Dan kuste hij het naar hem opgeheven gelaat vluchtig en verstrooid en keerde naar zijn plaats terug.

Soms bleef ze toeven aan de deur; schoorvoetend, hopend dat hij haar wellicht nog tot zich zou roepen, wachtend of hij haar misschien nog iets te zeggen had.. Ze zag hoe hij het hoofd weer boog over zijn papieren, ze wist dat ze hem hinderen zou, als ze langer bleef … en weer gingen dagen voorbij dat ze geen potlood of penseel in handen nam.

Dan zeide ze tot zich zelve, dat ze niet knap genoeg voor hem was en wierp zich op de boeken. Ze had geen hoofd voor diepzinnige studies, maar ze had den scherpen blik, die vrouwen doet begrijpen waar mannen zich moeten inwerken, en zoo kon [157]ze een enkele maal, wanneer de heeren een of ander vraagstuk behandelden, meespreken, zij het dan ook aarzelend en met een blos die vergeving scheen te vragen voor haar vermetelheid.

Verschuere luisterde gaarne, als ze sprak met haar melodieuse stem, die ook het meest dorre onderwerp aantrekkelijk maakte; hij knikte haar bemoedigend toe wanneer ze schroomde met haar meening voor den dag te komen: hij noemde haar zijn madame De Stael en vroeg lachend of ze voornemens was om, wanneer hij eens lid in den raad van Indië mocht worden, hem de rol te laten spelen van den heer Hagen.

Maar wat ze zoozeer had gehoopt, wat haar moed had gegeven tot zooveel inspanning, dat hij nl. met haar spreken zou over wat hem bezig hield, dat hij een enkele maal haar oordeel vragen zou, dat hij een deel van den last door hem gedragen, zou willen leggen op haar schouders, dit gebeurde niet. Niet dat hij een dier mannen was van halve beschaving, wie de ontwikkeling der vrouw een ergernis is, omdat die ontwikkeling hen beschaamt! o neen, als hij mevrouw Hagen ontmoette of mevrouw Heylerts, genoot hij van het zoo zeldzaam geboden voorrecht, verstandig te kunnen spreken zonder in den schertsenden toon te vervallen, welken mannen bewaren voor vrouwen met wie ze niet praten kunnen en die zoo vermoeiend wordt op den duur. Hij zag echter in Nita nog altijd »het kleintje«, dat hem geboeid had door haar kinderlijken eenvoud, haar onbekendheid met het leven; ze was hem nog altijd »de jongste«, van wie niemand iets anders verwachtte dan dat ze lief was en mooi;… hij gaf zich geen rekenschap van de groote verandering die met haar had plaats gegrepen.

Verre van haar aan te moedigen tot de studiën, die haar tot hem moesten opheffen, bracht hij haar terug tot vroeger dagen, sprak hij over de herinneringen harer jeugd, over het ouderlijk huis, over het vriendelijk Bloemduin, over de tantes en haar eigenaardig bestaan, over de boeren en hun kinderlijk bijgeloof en hun grappige gewoonten.

Dat was ontspanning voor hem! Dat was vermakelijk en belangwekkend en nieuw. Want hij had bijna geen jeugd gekend, noch den onwaardeerbaren zegen van op te groeien in een gelukkig thuis, te midden van gelach en liefde, van bloemen en feestjes; hij was vroeg verweesd, het kind van een groote stad, van een [158]strenge kostschool; hij had als knaap, als jongeling slechts kunnen droomen van zijn liefelijk geboorteland en het noodlot leeren verwenschen, dat hem zoo jong daaruit verdreef.

Als ze van »thuis« vertelde boeide ze hem misschien dubbel, omdat dan het ernstig mondje weer zoo vroolijk lachte, omdat dan de droomerige oogen weder iets herwonnen van den ouden warmen gloed.

Maar hij luisterde slechts zooals men na ingespannen arbeid luistert naar lieve muziek. Hij zelf had geen behoefte om te spreken, geen behoefte om haar deelgenoot te maken van zijn gedachten. En zoo gingen ze dan naast elkander voort, schijnbaar nauw vereend en toch even ver van elkaar verwijderd als de palmen op regelmatigen afstand geplaatst langs den weg dien zij betraden; hunne kruinen verheffen zich te zamen, ze wuiven elkander kussen en groeten toe, maar hunne wortels blijven gescheiden.