[Inhoud]

XXI

EEN VERLIES EN EEN TROOST.

»Kom, zus, wat zit je hier nu te tjingelen op die vervelende rammelkast; ga liever met ons mee!«

»Met jullie mee?« vraagt Clotilde, terwijl ze zich vol verbazing omdraait op haar pianostoel. »Hebt jullie dan geen les vandaag?«

»Neen we hebben vacantie!« juicht Felix, neemt haar hand in de zijne en wil haar meetrekken.

Maar Oscar, die het noodig vindt een einde te maken aan de ongeloovige verbazing zijner zuster, verklaart: »Weet je wat het is, Tilde? Mijnheer heeft een brief gekregen uit Holland en toen zei hij dat we weg konden gaan.«

Clotilde is opgesprongen van haar tabouret.

»Een brief uit Holland?« vraagt ze. »En.… zei hij toen, dat je weg kondt gaan?«

»Ja. Maar wat is er, zus? Wat kijk je raar!«

»Begrijp je dat dan niet?« En als de kinderen haar zwijgend [159]blijven aanstaren roept ze driftig: »Hè, wat zijn jullie toch een paar akelige ongevoelige jongens!«

»Vin je dat?« vraagt Oscar, niet gewoon zoo te worden toegesproken. »Kom Fe, dan hebben we hier niets meer te maken.«

Maar ze houdt den knaap terug met een wenk harer oogen.

»Neen, blijf hier … ik meen het zoo niet … jullie kondt niet weten …« Dan: met een stem, bevend van ontroering: »Mijnheer heeft zeker slechte tijding.«

»Ja, dat kan wel zijn, hij praatte op eens zoo zachtjes.«

»Herinner je je niet wat ik je laatst gezegd heb? Dat je het hem niet lastig maken mocht omdat hij verdriet had? Ik wist toen reeds dat zijn zuster ziek was.«

»Kassian!« zegt Felix. »Zou ze dood zijn?«

»Ik hoop van neen,« fluistert Clotilde nauwelijks hoorbaar. Zóó ontsteld is haar gelaat, dat Oscar het zachtjes begint te streelen met de vraag:

»Heb je zoo’n medelijden met hem, zus?«

Clotilde wendt het hoofd af. De ervaring leerde haar dat wilde jongens scherpe opmerkers zijn kunnen.

»Ja, natuurlijk,« brengt ze met moeite uit. En een oogenblik later als ze meent haar stem beter in bedwang te hebben: »Jullie dan niet?«

»O, jawel! Maar willen we nu gaan cricketten?«

Ze trekt Felix tot zich en terwijl ze hem de krullen van het voorhoofd wegstrijkt, vraagt ze verwijtend: »Zou je daar lust in hebben, terwijl die arme mijnheer Van Beevelant zoo’n verdriet heeft?«

»Maar … we hebben nooit eens vacantie

»Hij is heel alleen,« fluistert ze.

Oscar behaalt een overwinning op zich zelf. »Willen we naar hem toe gaan?« vraagt hij.

»Doe dat Jij ook, Fe. Kom, doe dat!« Dan, als ze nog aarzelen, met de vrees die kinderen koesteren voor droefheid, smeekt ze: »Om mij pleizier te doen!« en nu gaan ze nog wel niet vlug, maar toch gewillig.

Ze blijft onbewegelijk zitten, waar ze daar straks is neergezonken, in den grooten fauteuil bij den vleugel: haar bleek gelaat steekt scherp af tegen de helroode zijde; ze klemt de nagels in [160]de polster en trekt de zware franje uit, de brandende oogen onafgewend gericht op de deur waardoor de knapen verdwenen.

Niet lang duurt die spanning. Oscar komt naar binnen vliegen met de hoogroode kleur van een jongen, die een heldenfeit meent te hebben verricht.

»We hebben het gedaan!«

»Maar hij houdt de deur dicht!« roept Felix.

»Heb je dan niet geklopt?«

»Kloppen? We bonsden! Maar hij wou niet antwoorden.«

»Hoorde je niets?«

»Jawel!« antwoordt Oscar. »Ik hoorde och, je weet wel zooals je laatst deedt, toen je je voet had gebrand.«

»Hè, zus!« roept Felix, die, hoewel minder gevoelig dan Oscar, veel zenuwachtiger is, »wat vind ik dat naar om te hooren, zoo’n grooten man die kermt alsof hij pijn had.«

»Ga maar cricketten,« zegt ze. Het kost haar moeite die weinige woorden uit te brengen, en als ze haar vragen in hun spel te deelen, kan ze hen nog slechts antwoorden met een afwijzend gebaar.

De voetstappen der jongens, nu veel vlugger dan daareven, sterven weg in de vestibule, op de trappen; langzamerhand, naarmate het stiller wordt in de muziekzaal, voelt ze de kracht om zich te beheerschen verdwijnen: ze strijkt met de hand over het voorhoofd, ze loopt het vertrek op en neder, ze haalt diep adem; eindelijk vindt ze woorden voor de aandoening, die zoo op eens haar kwamen bestormen.

»Ze hoorden hem kermen … alsof hij pijn had!« fluistert ze. »Alsof hij pijn had! Ze was zijn lievelingszuster … ik weet het van Nita. De Verschuere’s zijn de eenigen met wie hij spreekt over zijn familieomstandigheden. Met mij is hij niet vertrouwelijk … o neen! Hij stoot mij terug … alsof hij bang was voor te veel toenadering. Toch onlangs, op gevaar af van onbescheiden te schijnen, heb ik hem gevraagd, wat de reden was van zijn sombere stemming. Toen vertelde hij me van haar ziekte en van zijn vrees voor slechter tijding En nu moet hij zijn smart alleen dragen. Alleen! Ver van allen die hem lief zijn. Alleen!«

Ze herhaalt dat woord tien, twintig malen, zonder het zelve te weten; ze voelt slechts, terwijl ze het herhaalt dieper en dieper de sombere beteekenis er van. [161]

»Hij kermde … alsof hij pijn had! Dat te weten, en hier te staan, machteloos, werkeloos!«

Als het een vreemde was, zou het gewone medelijden, dat men gevoelt voor ieder die in droefheid is, haar dringen tot hem te gaan. Als hij een vreemde was! Hoeveel te meer dan een huisgenoot! Hoeveel te meer een man, die sedert twee jaren zich aller achting en genegenheid heeft waardig gemaakt; hoeveel te meer de zoon van haars vaders oudsten vriend!

»Was papa maar hier! Of Verschuere! Mijn God, waarom is nu ook iedereen weg! Nita zou nooit zijn meegegaan naar Batavia, als ze had kunnen vermoeden hoe noodig ze hier was! En Van Suylichem, die juist van morgen vertrok met verlof naar Soekaboemi. Iedereen weg … behalve mama!«

Alleen!

Straks vliegt ze overeind. Ze doet een paar schreden. Daar staat ze stil, het hoofd zinkt haar op de borst, de hand, die ze ophief om de portière terug te slaan, valt slap neer; ze keert weder naar haar plaats, langzaam, moedeloos als de gevangene, die een oogenblik zijn ketenen vergat. Ze heeft alle bewustzijn van tijd verloren, zoo vliegen haar de gedachten door het hoofd, zoo snel, zoo pijnlijk snel zijn de kloppingen van haar hart, zoo veel, zoo diep, zoo geheel anders dan ooit te voren gevoelt ze! Wanneer ze eindelijk ontwaakt, is het door het geluid van haar eigen stem, die luide het geheim uitspreekt haar in deze ure onthuld: »O God! heb ik hem dan zóó lief?«

Straks ligt ze op de knieën, het brandend aangezicht verborgen, de handen gedrukt op de zwoegende borst: alsof de storm, daar opgestoken, kon bezworen worden door een paar zwakke meisjeshanden!

»Maar als ik hem liefheb,« fluisterde het in haar, »als ik hem liefheb … dan mag ik ook tot hem gaan! Dan mag ik het hem ook zeggen dat hij niet alleen lijdt, dat hier dicht bij hem een hart klopt van innig medegevoel«

»Tilly,« vraagt een angstige kinderstem, »Tilly, scheelt je iets?«

Ontsteld ziet ze haar broeder in het gelaat. »Wat doe je hier?« roept ze dan in zenuwachtige overspanning. »Heeft mama je gestuurd om me te bespieden?« En als de knaap haar met angstige nieuwsgierigheid [162]blijft aanstaren: »Ga weg; ga weg, zeg ik je! Ik wil niemand zien!«

»O zus! ik kwam je vragen of …«

»Ga spelen,« roept ze. »Je moest immers volstrekt gaan spelen! Welnu, doe het dan!«

»Maar.… ik kan niet spelen.… ik denk zoo aan mijnheer.…«

In twee stappen is ze bij hem. Ze sluit hem in haar armen, ze kust het bruingelokte hoofd.

»Lieveling! lieveling!«… en ze barst uit in een vloed van tranen.

»Laten we naar hem toegaan, zus.«

Weinige oogenblikken later staan ze te zamen voor de gesloten deur.

»Mijnheer Van Beevelant!« roept Oscar; maar het blijft stil daarbinnen.

»Wilt u niet open doen? Ik ben het … Clotilde.«

Hij hoort die stem, soms zoo overmoedig, voor hem zacht en smeekend, die stem, waarin het hem is of hij pas geweende tranen verneemt. Een smartelijk verlangen doortrilt zijn geheele wezen, een wild, hartstochtelijk hijgen naar troost; een half waanzinnig smachten naar een woord van deelneming.

Hij staat aan de andere zijde der deur en beeft waar hij staat. O, al was het maar voor één enkel oogenblik zijn hoofd te mogen nederleggen in haar koele, zachte handen, al was het maar eenmaal zijn droefheid te mogen uitweenen aan dat edele groote hart! haar te mogen zeggen dat hij haar liefheeft en hoe vermoeid hij is van zijn strijd die deur te mogen openen, ze te verbrijzelen, die deur, al de deuren die hem scheiden van haar!

Hij slaat de hand aan de kruk … Daar, achter hem, ligt de brief, geschreven met stervende hand, de brief, geheiligd door de tranen der zusterlijke liefde en ’t is of een onverbiddelijke macht hem drijft om telkens weer de woorden uit te spreken, die hij daarin las:

»Wees sterk! o Frans, wees sterk!«

»Freule,« spreekt hij, en zijn stem is schor van de bijna bovenmenschelijke inspanning, die het hem kost zoo te spreken, »u weet zeker niet dat ik alleen ben?«

»Ja, dat weet ik, en daarom kom ik tot u.« [163]

Dit is te veel. Reeds is de deur geopend, reeds staan ze tegenover elkander.

Ze heft de oogen naar hem op, en hij weet dat ze geweend heeft om zijnentwil. Ze reikt hem de hand, en de druk dier hand is hem meer dan alle woorden van troost en bemoediging zijn konden.

Straks keert hij zich tot Oscar en kust het naar hem opgeheven gelaat.

»U hebt slechte tijding van huis?« vraagt de knaap.

»Zeer slechte.«

»Wat u vreesde is gebeurd?« fluistert Clotilde.

Hij buigt het hoofd.

Als ze zich heeft neergezet op den stoel, dien hij haar biedt, blijven ze een oogenblik zwijgend tegenover elkander. Dan, met iets plechtigs in gebaar en houding, rijst hij op en geeft haar den brief zijner moeder.

En terwijl ze leest bespiedt hij hoe diep medegevoel haar aangrijpt. Hij heeft het nu zoo bleek en beschreid gelaat lief gehad van het eerste oogenblik af, waarop hij het aanschouwde, een blozend, lachend kindergezichtje met kuiltjes, die guitig wegscholen in ronde wangen, met lokjes, die vroolijk stoeiden rond een onbewolkt voorhoofd, maar nooit heeft hij haar zoo waarlijk schoon gevonden, of liever nooit heeft hij haar schoonheid zoozeer bemind als in dit oogenblik.

Straks slaat hij den arm om Oscar heen. Hij zag hem onrustig worden, en ach! hij wil hen zoo gaarne nog een oogenblik houden; hij zou alles geven om de weemoedige zaligheid van dit uur te doen voortduren. Maar Oscar, die de schoolkamer altijd vervelend vindt, oordeelt dat het er heden, met »die stilte en dat huilen en die lange gezichten«, niet is om uit te houden.

»Kun je het niet begrijpen, Oscar,« vraagt hij zacht, »dat ik erg bedroefd ben? Jij, die ook zooveel van je zuster houdt?«

Daar barst Oscar geheel onverwacht los in het luidruchtig gehuil, dat bij jongens van zijn leeftijd de geliefkoosde uiting van smart schijnt.

»O, mijnheer.. ’t was gemeen.. we hebben er spijt van.. geloof me, mijnheer, Fé ook! Hij vindt het ook een gemeene streek.«

»Wat? Wat toch?« [164]

»Dat we u, bij al uw verdriet ook nog het leven hebben zuur gemaakt met al onze luiheid en onzen onwil.«

»Maar mijn jongen, je kondt immers niet weten …«

»Jawel,« gilt Oscar, »we wisten het wel! Zus had het ons gezegd! Zus had ons gevraagd goed voor u te zijn.«

»Hebt u hun dat gevraagd, freule?«

Weer ligt haar hand in de zijne. Straks, als hij plotseling die hand loslaat en opspringt en met groote stappen het vertrek op en neer gaat, roept ze hem tot zich.

»Ik dank u voor de lezing van dien brief. Ik dank u zeer. Hoe stichtelijk is alles wat uw moeder schrijft over haar. Wilt u mij niet wat meer van haar vertellen? Zou het u misschien geen goed doen, als u over haar spreken kondt?… Dat is haar portret, niet waar? Zij was zeker mooi, is het niet? Met die expressie zou zelfs een minder fijn besneden gezicht mooi zijn geweest.«

»Ik weet niet of ze mooi was … Zij had dat eigenaardige in haar oogen, wat alleen lieve vrouwen hebben en wat ons aan haar schoonheid zou doen gelooven, ook al waren ze leelijk. Eigenlijk is ze maar heel kort jong en mooi geweest; toen kwam de slag, die zulk een groote verandering bracht in onze omstandigheden. Van dat oogenblik af was ze oudste dochter, oudste zuster; niets anders. ’t Scheen haast of zij alleen de kracht in zich voelde om de bitterheid der teleurstelling voor ons allen dragelijk te maken: ik weet dat ze het als haar roeping beschouwde. En het is haar bijna gelukt. Als ik nu terugdenk aan dat blijmoedig lachje, aan die heldere stem, aan die onverstoorbare goede luim, waarmede zij bij mama den moed opwekte, waarmee ze papa midden tusschen zijn klagen en brommen, kon doen lachen, dan is het me alsof we nooit ongelukkig geweest zijn.«

»Uw mama schrijft, dat het heengaan haar zwaar is gevallen. Ik kan mij dat nu begrijpen … als men zulk een heerlijke roeping heeft te vervullen.«

»Ja, ’t was niet om haar zelfs wil. Zij wist wel, dat het leven haar niet meer geven zou wat de illusie is van een jong meisje … maar ze moet ten volle hebben begrepen hoe onmisbaar ze was! Ja,« barst hij eensklaps los, terwijl de lang bedwongen tranen hem langs de wangen stroomden, »wèl onmisbaar. Ik ten minste gevoel een leegte zoo groot; voor mij is het een gemis zoo vreeselijk … [165]’t Schijnt overdreven, niet waar? Maar vergeet niet, dat wij te zamen achterbleven, toen pa en ma van verlof terugkeerden naar Indië. De verhouding van twee kinderen, die ver van vaderland en familie, te zamen opgroeien onder vreemden, wordt zoo innig. ’t Was zoo’n moedertje voor me. Ze kon zoo dapper opkomen voor mijn rechten, al was ze jonger en zwakker dan ik. Arme, lieve Louise! Al mijn grootsche plannen heeft ze aangehoord met haar zachten, hoopvollen glimlach, al mijn teleurstellingen met me gedragen …«

»En u zegt, dat het leven haar niet veel schonk?« vraagt Clotilde opeens. »Een broeder te hebben, voor wien men alles zijn kan …«

»Ja, dat moet u een geluk toeschijnen!«

Er volgt een lange pauze.—»Is het u nooit in de gedachten gekomen,« vraagt Clotilde eindelijk met droeve, zachte stem, »is het u nooit in de gedachten gekomen, mijnheer van Beevelant, dat, bij al mijne schijnbare voorrechten, ik eigenlijk bitter weinig bezit van datgene wat voor andere meisjes het leven vervult. Geen zuster met wie ik sympathiseeren kan, geen broer die mijn troost of deelneming behoeft, geen moeder …«

Er is in het gelaat, dat ze naar hem opheft, iets zoo onbeschrijfelijk nederigs, iets zoo kinderlijk smeekends, dat het hem roert tot in het diepst van zijn gemoed. Met uitgestoken handen, met geheel de aandoening, die hem het spreken belet, uitgedrukt in den warmen blik vol liefde, treedt hij op haar toe … Bij die plotselinge beweging vallen eenige dichtbeschreven vellen papier op den grond. »Wees sterk! o Frans, wees sterk!«

Hij is sterk. De handen zinken slap neder, de gloed en de liefde wijken uit het neergeslagen oog, hij bukt zich.

»Dit is haar laatste brief,« zegt hij zonder te durven opzien naar het arme, droevige gezichtje … »Ik wenschte dat ik u kon laten lezen wat ze schrijft. Wilt u gelooven,« gaat hij nu bedaarder voort, »dat het deze brief is, waardoor ik me heb kunnen doordringen van de waarheid die ik maar niet bevatten kon, dat ze niet langer op aarde is? Terwijl ik las, was het me alsof die woorden tot me kwamen uit hooger, reiner sfeer, alsof het niet een sterfelijk wezen was dat tot me sprak, maar een engel …«

Hij heeft het hoofd gebogen over die laatste herinnering aan [166]de geliefde doode: zacht treedt Clotilde nader, legt de hand op zijn schouder en fluistert: »Al ben ik uw zuster niet, al kan ik u niet zoo begrijpen misschien, als u me een weinig vertrouwen wildet schenken … misschien zou ik u wat kunnen troosten, langzamerhand …« En als hij zwijgen blijft, trillend onder de aanraking der aangeboden hand: »U zijt zooveel voor mijn broers: ik zou, nu Louise is heengegaan, zoo gaarne iets voor u zijn.«

Hij heeft het hoofd opgeheven, hij ziet rondom zich, hijgend als het wild, dat, opgejaagd, te vergeefs een uitweg zoekt: nu grijpt hij naar den brief als zijne laatste redding.

»Clotilde! je zoudt niet willen, dat ik deed wat zij mij smeekt nooit te doen … nooit, nooit. Je zoudt niet willen dat ik haar liefde onwaardig werd …!«

Ze blijft zwijgen, verschrikt door dien hartstochtelijken toon, door dien wilden blik vol zielsangst.

»Clotilde,« klinkt het weer, maar nu zoo toonloos, dat ze moeite heeft te verstaan: »Ik ben zoo zwak, ik smeek je …«

Onhoorbaar wenkt ze Oscar en verlaat met hem het vertrek. Maar als nu de deur dichtvalt tusschen hen, dan weten ze het: al de deuren der wereld kunnen hen niet meer scheiden.