Wanneer mevrouw Van Waliënhove gezegd kan worden met één Buitenzorger op intiemen voet te verkeeren, dan is dit met den algemeenen secretaris.
Niet dat ze hem werkelijk genegen is, niet dat ze zich eenige illusie maakt omtrent de vriendschappelijkheid zijner gevoelens jegens haar, maar ze weet volkomen wat ze aan hem heeft—en dit is noodig, wil ze haar vertrouwen schenken.
’t Gebeurt somwijlen dat de heer Verschuere, na een bezoek bij Zijne Excellentie, een uitnoodiging ontvangt om tot háár te komen; het verschil van duur der visites aan mijnheer en mevrouw zou aanleiding kunnen geven tot de vooronderstelling dat het afdoen van regeeringszaken vlugger gaat dan dat van partikuliere belangen.
Kort na zijn terugkomst van Batavia, waar de gouverneur-generaal met gevolg een tiental dagen doorbracht, wacht hem een boodschap in de vestibule; reeds wil hij mevrouws kamenier volgen naar het zitvertrek, dat ’s morgens beurtelings als kantoor, als gerechtszaal en als ontvangkamer dienst doet, wanneer deze, met de onbescheidenheid dienstbaren juffertjes eigen, opmerkt:
»Pardon, mijnheer! In het boudoir … ’t is confidentieel.« [176]
Hoe ongepast ook, haar waarschuwing blijkt gegrond; ’t is confidentieel, dat ziet hij bij den eersten oogopslag.
De barones—een geheel andere echter dan die bij het groote publiek bekend—ontvangt hem bleek en zenuwachtig, achteloos gekleed, het altijd zoo zorgvuldig gekapt haar opgenomen in een lossen wrong.
»Goddank dat u gekomen zijt, mijnheer Verschuere,« en ze drukt hem de hand, »Goddank!«
»Te veel eer, mevrouw, waarlijk te veel eer!« zegt Verschuere uiterst hoffelijk, maar daarom niet minder voornemens op zijn hoede te zijn; het optreden zijner vriendin doet hem aan comedie denken.
»Uw conferentie is afgeloopen? En u hebt een oogenblikje voor mij?«
»Uren, mevrouw.«
Nu gaat ze eerst naar de eene deur, dan naar de andere, overtuigt zich dat ze niet beluisterd worden en neemt dan plaats dicht naast den bezoeker om zachter te kunnen spreken.
Ik geloof dat ik moet oppassen, denkt deze: iets meer dan gewoonlijk zelfs.
»O mijnheer Verschuere,« roept nu mevrouw Van Waliënhove, blijkbaar afgemat van overspanning neerzinkend in haar fauteuil, »ik weet het reeds, u zult mij zeer onpolitiek vinden. Als ik u zeg wat ik te zeggen heb, zult u zich verbazen over zooveel onvoorzichtigheid, aan een derde te vertellen wat geheim moet blijven: maar … ik ben ten einde raad!«
Die bekentenis van die lippen verbaast hem, ontwapent hem min of meer.
»Mevrouw!« vraagt hij lachend, »u niet politiek? u niet voorzichtig?« En dan nog ongelooviger: »U ten einde raad?!«
»Ja, ten einde raad. Ik weet niet wat te doen. Den eenen nacht na den anderen breng ik slapeloos door, zonder een uitweg te vinden. En toch, die uitweg moet gevonden. Want ofschoon het een familiezaak geldt … een zeer kiesche …« ze aarzelt en brengt haar waaier in beweging en drinkt een teug uit het glas ijswater voor haar.
»Ik kan u niet zeggen hoe u mij vereert door uw vertrouwen,« begint Verschuere langzaam en als woog hij de beteekenis van [177]elk woord vóór hij het uitsprak; »maar wanneer het een familiezaak geldt, is het dan wel geraden mij er in te mengen?«
»Ik moet. Ik kan niet anders!«
»Ik waag het, mevrouw, u te herinneren aan het fransche spreekwoord: Il faut laver …«
»Ja, ik weet wel … ik weet wel!…«
»Ik ben een vreemde.«
»Een vreemde.… ja. Maar zijn het niet allen eenmaal vreemden geweest, die we later tot onze vrienden maakten?«
Het was onmogelijk zich niet gevleid te gevoelen.
»Mevrouw,« zegt Verschuere met een lichte hoofdbuiging, »ik ben geheel tot uw dienst.«
»Dank u. Ik mag dus op u rekenen? Mijnheer Verschuere, ik zal nooit vergeten … dat u me uit deze moeilijkheid redden wilt;« en ze reikt hem de hand en brengt met de andere den zakdoek aan de oogen. »O, ik wist wel,« gaat ze voort, »dat als ik iemand bereid zou vinden om ons een groot verdriet te besparen, u het zijn zoudt.«
Niettegenstaande deze verzekering is mevrouw Van Waliënhove nog verre van gerust: ze weet het, ze speelt een hoog spel; één niet genoegzaam beheerschte trek in haar gelaat, één onvoorzichtig woord zou voldoende zijn om in den man tegenover haar den koel berekenenden tegenstander te doen ontwaken.
Dus, in plaats van recht op haar doel af te gaan, neemt ze een kleinen zijweg. Ze weet het, hij hangt met hart en ziel aan haar echtgenoot: ze weet, hij is een bewonderend vereerder van den man, die in zoo ongewone mate het geheim bezit om te verzoenen met zijn hooge betrekking.
»Ik zou zoozeer wenschen,« begint ze, »dat juist in deze dagen de gouverneur-generaal niet behoefde te worden lastig gevallen met huiselijk verdriet. Hij heeft zonder dat onaangenaams genoeg. U weet het, de voorstellen door zekere partij in de Tweede Kamer gedaan, zijn hem een doorn in het oog, het drijven dier partij verontrust hem …«
»En geen wonder!«
»Wat hem misschien meer leed doet dan hij wel zou willen bekennen, ’t is dat uw oom zich sedert kort geschaard heeft aan de zijde dier drijvers. Hij zou zoo gaarne blijven vasthouden aan [178]het denkbeeld dat vriendschap en goede trouw bestaanbaar zijn met staatkundig leven. Ik vrees echter dat de minister van koloniën hem spoedig genezen zal van zijn illusie.«
»Dwalen we niet een weinig van ons onderwerp af?« vraagt de algemeene secretaris, die het dezer dagen niet aangenaam vindt om over de door zijn oom gehuldigde politiek te moeten spreken.
»Misschien. Men zegt dat het een zwak is van ons dames, nooit voet bij stuk te houden. Maar op één punt zijn wij het toch reeds eens geworden. ’t Is dat Zijne Excellentie niet geplaagd mag worden met familiezaken.«
»Neen, zeker niet … maar wat is de quaestie, mevrouw?«
»De quaestie is deze,« spreekt mevrouw van Waliënhove, terwijl zij de scherpe, zwarte oogen vast op haar vertrouwde vestigt, »de quaestie is deze: Clotilde heeft een ongeoorloofden minnehandel aangeknoopt met … den gouverneur.«
De verachting, waarmee ze dat woord uitspreekt, maakt haar weder geheel tot de barones, die het groote publiek kent.
»Onmogelijk!«
»Onmogelijk, zegt u?«
»Vergeef me, mevrouw, maar tot zoo iets is Van Beevelant niet in staat. Daarvoor is hij te veel fatsoenlijk man.«
»Fatsoenlijk man! Hij!«
»Ik meen hem wel een weinig te kennen.«
»Misschien dat hij fatsoenlijk is zooals alle mannen fatsoenlijk zijn—tot er een vrouw in ’t spel komt.«
»En freule Clotilde zou het meisje zijn om hem te brengen tot… hier moet een vergissing plaats hebben!«
»Ik vergis me zelden, mijnheer Verschuere.«
»De uitzondering bevestigt den regel, mevrouw Van Waliënhove.«
Het blijft een oogenblik stil in het boudoir. Dan schijnt een der beide partijen een plotseling besluit te nemen.
»Ik zie het al weer,« roept mevrouw Van Waliënhove, »men kan zijn vertrouwen niet ten halve schenken. Daarom een bekentenis die, wanneer de toestand haar niet zoo dringend eischte, nooit over mijn lippen zou zijn gekomen. U hebt u soms verbaasd,« gaat ze voort, terwijl ze de uitwerking van elk woord [179]op zijn gelaat bespiedt, »u hebt u soms verbaasd over mijn gestrengheid tegen Clotilde?«
»Ja… soms wel.«
»Uw vrouw—en velen met haar—hebben hun bevreemding te kennen gegeven over het feit, dat wij besluiten konden haar in Europa achter te laten. Wij beproefden nooit ons daaromtrent te verantwoorden. Maar, mijnheer Verschuere, u zijt te scherpziende om niet te begrijpen dat we daarvoor andere redenen hadden dan alleen den wensch Clotilde’s opvoeding in Duitschland te acheveeren.«
»Ik erken dat ik wel eens naar een andere reden gezocht heb.«
»En die reden lag voor de hand, niet waar? de jaloezie der stiefmoeder!«
»O mevrouw!«
»Brisons la-dessus. Er is iets anders. Clotilde heeft dien tijd doorgebracht op een instituut, bekend om de afzondering, waarin de meisjes daar gehouden worden, bekend om de ultra-orthodoxe ideeën die daar heerschen … Dat kon toch in de jaloezie der stiefmoeder geen reden vinden?«
»Neen zeker niet,—al zou men aan die jaloezie gelooven,« voegt hij er haastig bij, meer beleefd dan oprecht.
»De wereld,« gaat mevrouw voort, nog steeds in de rol der beleedigde onschuld, »de wereld heeft mij veroordeeld, omdat ik wenschte mijn dochter getrouwd te zien. Neen, ontken het niet! Clotilde’s tegenwoordig gedrag rechtvaardigt mij genoeg, maar zooals gewoonlijk oordeelde de wereld voorbarig … Ik spreek het niet tegen … ik zag haar gaarne spoedig getrouwd.… mijnheer Verschuere; er zijn jonge meisjes voor wie een vroegtijdig huwelijk gewenscht is … Het spijt me te moeten bekennen dat mijn dochter tot die soort van meisjes behoort.«
Een oogenblik begint de barones te vreezen dat ze te ver gegaan is. Verschuere ziet haar aan met ongeloovigen blik en zwijgt.
»U twijfelt?«
»Neen, mevrouw. Als u het zegt moet het natuurlijk waar zijn. Ik sta alleen verbaasd over mijn weinig doorzicht. Ik toch heb freule Clotilde altijd beschouwd als een jonge dame naar lichaam en geest volkomen gezond.«
»Ja, dat verwondert me ook van u,« zegt de stiefmoeder volstrekt [180]niet uit het veld geslagen. »U ziet anders zoo scherp. Maar begrijp mij wel. Clotilde weet zich volkomen te beheerschen, ze toont op dit punt—als op meer andere—een buitengewone wilskracht. Daarom—ofschoon deze richting van haar karakter ons veel zorg heeft gebaard—maken we er haar geenszins een verwijt van: men kan de natuur leiden, niet dwingen, en misschien is het een erfdeel harer moeder … dat moet een ziekelijk, geëxalteerd schepseltje geweest zijn.«
»Ja … a?« vraagt de algemeene secretaris met tergende verbazing.
»Ja wist u dat niet? Enfin, het is ook zoo lang vóór uw tijd geweest. Maar om tot Clotilde terug te keeren, er is een paar jaar geleden een historietje gebeurd met een student … een neef van ons … Enfin, u spaart me de bijzonderheden?«
»Pardon, mevrouw. Als het niet te veel van u gevergd was, zou ik ze gaarne hooren.«
Daarop heeft ze niet gerekend. Toen ze daareven den neef fingeerde, in een wanhopende poging om Verschuere te overtuigen, toen dacht ze dat hij te veel man van de wereld was om, waar zij iets verzwijgen wilde, haar tot spreken te dwingen.
Maar ze aarzelt niet, en herneemt dadelijk met een kalmte, dubbel bewonderenswaardig omdat ze onder dien doordringenden blik elk woord moet verzinnen vóór ze het uitspreekt: »Ik zie dat wij, vrouwen, niet de eenige nieuwsgierigen zijn. Maar u moet uw verwachtingen niet te hoog spannen; het geval was niet shocking, alleen romanesk. Niets anders dan een mooie jongen die, bij gelegenheid van een bal masqué, een ridderkostuum droeg; een meisjeshart, dat, met vacantie thuis van een strenge school, niet veel noodig had om in vuur en vlam te geraken; een paar rendezvous, een plan om samen te ontvluchten… Maar gelukkig werd de correspondentie onderschept en de schaakpartij verhinderd.«
»Zoo?«
»Ze haat hem op dit oogenblik! O, ze zal hem doen boeten voor zijn ongeloovigheid! De gelegenheid kan komen dat ze hem op hare beurt in de engte zal drijven … als ze hem niet meer noodig heeft.«
»Waarom vertelt u mij dit, mevrouw? Om me te bewijzen dat Van Beevelant een gemakkelijke overwinning behaald heeft?«
»Neen, om u voor te bereiden op hetgeen ik nog zeggen moet. [181]Om enkele feiten verklaarbaar te maken. U gelooft, niettegenstaande al wat ik u gezegd heb, aan de fatsoenlijkheid van uw vriend, aan de onschuld van Clotilde … Welnu!«
Mevrouw heeft, terwijl ze sprak, de cassette geopend, die voor haar staat. Ze neemt bij dat triumfeerend »Welnu« er een briefje uit en reikt het Verschuere toe.
De algemeene secretaris leest:
»Mevrouw Van Waliënhove om negen uur uitgereden; de freule kon niet mee gaan: had het te druk met pianostudie. Dadelijk na mevrouws vertrek zijn O. en F. naar buiten gezonden. Gingen cricketten op het gazon achter het huis. De freule is toen naar de schoolkamer gegaan. Bleef daar langer dan een uur te zamen met Van B. Deuren waren gesloten.«
Verschuere moet het biljet tweemaal lezen; dan geeft hij het terug zonder een woord te spreken.
»En is …« vraagt hij eindelijk een weinig hersteld van zijn pijnlijke verbazing, »is deze spion te vertrouwen?«
»Waarom noemt u hem een spion? Kan het niet even goed iemand zijn, wien de eer van ons huis ter harte gaat?«
»Laat ons dit een oogenblik aannemen.—Mag men op zijn getuigenis afgaan?«
»Denkt u, mijnheer, dat ik alleen op zijn getuigenis—hoe betrouwbaar overigens ook—een zoo zware beschuldiging zou herhalen. Neen, daarvoor is de zaak te ernstig! Ik heb Felix ondervraagd en mijn kamenier … Helaas, het is de waarheid…«
»Maar mijn God!« roept Verschuere, terwijl hij het briefje weer opneemt en voor de derde maal leest, »mijn God! ’t is ongeloofelijk. De freule was met hem alleen, zegt u?«
»Ja.«
Ze weet dat het bezoek in de schoolkamer zou zijn opgehelderd, zoo dit schrijven een datum droeg en Verschuere had kunnen nagaan, dat ze derwaarts ging om te troosten; daarom heeft ze den datum afgescheurd. Ze weet dat het een grove leugen is, dit »ja«. Maar ze spreekt het daarom niet minder vast uit.
»Wilt u nog meer hooren?« En zonder zijn antwoord af te wachten, reikt ze hem een tweede blad papier toe, beschreven met dezelfde verdraaide hand. [182]
»Freule eigenhandig bouquet gemaakt van witte rozen. Door Oscar laten bezorgen op de kamer van den gouverneur.«
»En hier is er nog een.«
»Van Beevelant heden morgen gaan wandelen met Oscar. Quasi toevallige ontmoeting in het park tusschen hen en de freule, die met Felix was uitgegaan. Handdrukken. Zacht gefluister. Op een bank achter het bamboeboschje beschouwing van een portret, dat bij mijn nadering werd weggestopt. Oscar en Felix vooruitgezonden. Volgden langzaam. Zochten eenzame wegen.«
»Ja, wat dat laatste betreft, het zou moeilijk gaan in het park drukke wegen te zoeken!« zegt Gustaaf, en intusschen vraagt hij zich af, wie het zijn mag, wie hen zoo laag kan bespied hebben. ’t Is geen bediende. Dan zou hij spreken van jonker Oscar en mijnheer Van Beevelant. Wie kan het zijn, die ellendeling?
Mevrouw stoort hem.
»Kent u dit?« vraagt ze, ter nauwernood in staat de vreugde te beheerschen, die haar bezielt nu ze hem geheel geslagen ziet.
»Freule Clotilde!« roept hij en neemt haar de crayonteekening uit de handen. »Freule Clotilde geïdealiseerd! Ernstiger! mooier! Maar toch, hoe sprekend gelijkend!« En hij vergeet een oogenblik, bij de beschouwing van het bekoorlijk gelaat, dat die teekening niet hem werd getoond om hem in de gelegenheid te stellen Clotilde’s schoonheid te bewonderen.
»Mijnheer Van Beevelant heeft er zijn naam niet onder gezet,« zegt de barones snijdend. »Maar mocht u twijfelen of iemand anders dan een minnaar, van Clotilde’s gezicht een madonnakopje maken kon, zie dan maar eens op de achterzijde.«
Und was du ewig
liebst, ist ewig dein!
leest van Beevelant’s vriend.
»Twijfelt u nu nog?« vraagt mevrouw Van Waliënhove met goed geveinsde droefheid. »Verwondert het u nu nog dat ik radeloos ben?… dat ik uw hulp inroep om een einde te maken aan dien toestand; om ons huis te bewaren voor schande en bespotting?« [183]
En als hij, eindelijk overtuigd, het hoofd schudt, gaat ze voort:
»Ik moest kalmer zijn … ik moest flinker optreden … Denk niet, mijnheer Verschuere, dat deze slag mij onverwacht treft. Ik heb het van het eerste oogenblik af geweten dat dit komen zou, tenzij een ander hem voor was bij Clotilde! Ik heb het als bij ingeving geraden, wat het doel was van zijn verblijf in ons huis. O, ik heb hem dadelijk doorzien! Iedereen verwonderde zich dat hij zijn vooruitzichten in Holland had opgegeven, om hier gouverneurtje te komen spelen. Ik niet. Paris vaut bien une messe. Een paar jaar die betrekking vervuld en dan terugkeeren als de schoonzoon van baron Van Waliënhove! Hij kende Clotilde, hij wist dat ze zich geroepen acht op te komen voor de verdrukte onschuld, hij wist dat, met zijn uiterlijk, de verdrukte onschuld meer dan ooit op haar bescherming kon rekenen.«
»Maar vindt u dat hij als zoodanig optrad? Hij heeft zich bij ons nooit beklaagd. Integendeel, hij roemde zijn positie, zijn werkkring, zijn vlugge, pittige leerlingen vooral.«
»Natuurlijk! Bij u! Daar was ook niets te winnen met zijn martelaars-air. Maar hier was het goud waard! Hier was het de weg tot Clotilde’s hart.«
»Misschien zou het van uwe zijde politiek geweest zijn, zoo u hem niet in de gelegenheid had gesteld als martelaar te poseeren?«
»Ja, dat zou het!« zegt ze met spijtigen toorn. »Ik heb dit later ook bedacht. Dat zou het. Maar gedane zaken nemen geen keer.«
»Ik wenschte,« begint Verschuere na een lange pauze, »nog even terug te komen op een woord door u in het begin van ons onderhoud gebruikt. U spraakt toen van een ongeoorloofden minnehandel. Alles wat u mij tot nu toe verteld hebt, bewijst wel dat Clotilde den heer Van Beevelant genegen is, maar—niet waar? men kan bouquetten maken voor een jong mensch, men kan hem op de wandeling gaarne ontmoeten…«
»Hem opzoeken in de leerkamer?«
»Ja, zelfs toevallig in de leerkamer komen, zonder daarom juist een ongeoorloofden minnehandel te hebben. Ik erken, het portret van Clotilde, zóó geïdealiseerd, met dat onderschrift, bewijst dat Van Beevelant op haar verliefd is. Maar heeft hij haar van zijn liefde gesproken? Zijn ze tot een verklaring gekomen? Daarvan kreeg ik nog geen zekerheid. En—om u de waarheid te zeggen—[184]ik betwijfel het. Frans van Beevelant is iemand, om jaren lang in stilte te kunnen droom en en dwepen.«
Haastig slaat ze den blik neer: hij mocht eens verraden wat er in haar omgaat. Ha! waarom kon ze ook geen ander werktuig vinden? Waarom heeft ze juist hem noodig, hem, met zijn nuchter, scherp verstand, hem, wien ze niets wijs kan maken.
»Hoe dwingt u mij toch zoo om alles te zeggen?« vraagt ze zacht, treurig bijna.
»Omdat het mijn vriend is, mevrouw, wien dit gesprek geldt.«
»Nu dan. Ze zijn het zamen geheel eens.«
»En het bewijs?«
»Is—dat ze gister gezien is in zijn armen … op de canapé … in de muziekzaal.«
»U zegt: ze zijn gezien. Mag ik vragen door wie?«
Mevrouw Van Waliënhove blijft het antwoord schuldig. Neen, ze durft niet meer wagen! Het spel, dat ze speelt, wordt al te gevaarlijk met dien geduchten tegenstander. Maar als zij den spottenden blik ontmoet, waarmee hij op haar antwoord wacht, dan vergeet zij alle voorzichtigheid om hem die overwinning niet te gunnen en roept: »Ik heb ze gezien! Ik zelf!«
»U zijt zeker tusschenbeide gekomen?«
»Het spijt mij,« spreekt ze, nu weder geheel zich zelve, »dat u me niets schijnt te kunnen sparen. Neen, ik ben niet tusschenbeide gekomen, ik moet vóór alles éclat vermijden. En nu hoop ik, mijnheer Verschuere, dat u eindelijk tevreden zijt met mijne inlichtingen. Dit onderwerp is mij zeer pijnlijk; me dunkt u weet genoeg om, als het u waarlijk ernst is geweest met uw belofte, nu handelend op te treden.«
»Nog ééne inlichting. U beschouwt het als onmogelijk dat Zijne Excellentie de toestemming geeft tot het huwelijk?«
»Tot een huwelijk van zijn dochter met dien fortuinjager! Maar mijnheer Verschuere, welk een vraag! ’t is onzinnig!«
»Misschien. Misschien ook niet. De gouverneur-generaal heeft zulke geheel bijzondere begrippen omtrent liefde en trouwen.«
»U bedoelt zijn romaneske idées!… Maar u weet toch ook dat men gewoonlijk het romaneske wil voor vreemden, niet voor zijn eigen dochter.« [185]
»En—vergeef me, mevrouw, het is niet beleefd wat ik u vragen ga … elk woord wat u gesproken hebt is de waarheid?«
»Ik stem u toe, het is niet beleefd!… Natuurlijk is elk woord dat ik gesproken heb de waarheid …«
»Wil mij dan zeggen wat u van mij vraagt: u hebt natuurlijk een plan gemaakt.«
»Ik had gedacht dat u, in naam van uw oude vriendschap, tot Van Beevelant zoudt gaan …«
»En verder?«
»Dat u hem eens ernstig onder het oog zoudt brengen, hoezeer hij het vertrouwen hem geschonken heeft misbruikt, en dat hij als man van eer verplicht is, onder het een of ander voorwendsel, onmiddellijk zijn ontslag te vragen.«
»U eischt veel, mevrouw! Als ik uwe opdracht vervul, dan is dit ten koste van onze vriendschap.«
»Dat vrees ik ook. Maar is hij uw vriendschap waard?«
»Ik weet het niet. Ik weet alleen dat ik tot dusverre trotsch was op de zijne.«
»U moogt er op rekenen dat u de onze er mede zult winnen,« spreekt de verzoekster.
»Ik heb veel van Van Beevelant gehouden.«
Mevrouw Van Waliënhove houdt zich als of ze dien kreet van het vriendenhart niet hoorde.
»Mijn echtgenoot zal u zoo dankbaar zijn … en ik, ik zou alles willen doen voor dengeen die mij bevrijdde van die vreeselijke nachtmerrie, een mésalliance in onze familie.«
»Alles? Dat is veel gezegd, mevrouw.«
»Maar ik zweer u dat het me ernst is. Kom, mijnheer Verschuere, laat u niet langer bidden … Vergeet niet dat, wanneer u door de vriendschap zijt verbonden aan Van Beevelant, Zijne Excellentie recht heeft op uwe dankbaarheid.«
»U hebt gelijk, mevrouw. En ik moet gelooven dat Van Beevelant mijn vriendschap niet waard is … Ik zal doen wat u verlangt.« [186]