De gouverneur-generaal is na het diner Van Beevelant voorgegaan naar zijn kabinet en heeft daar plaats genomen in zijn luierstoel, zoo gemakkelijk als men het op dit uur gaarne doen mag.
De balkondeuren staan wijd open, ze laten de frissche avondkoelte binnen tegelijk met een streep helder maanlicht en het gepraat van de beide knapen, die met hun zuster het terras op en neder wandelen.
»U hebt me van morgen om een onderhoud laten vragen,« begint de baron vriendelijk. »Het spijt me dat ik u tot nu toe moest laten wachten, maar mijn tijd was zeer bezet heden … Wilt u niet gaan zitten?«
De jonge man zet zich, blijde met dit verlof, want de knieën knikken hem onder het lichaam; hij weet dat hij vóór alles sterk moet zijn op dit uur, en hij voelt zich zwak; zwak en levensmoe, sinds hij plotseling verloor wat hem jaren lang een zoo kostbare schat was geweest; de vriendschap van Gustaaf Verschuere.
Er zijn weinig woorden gewisseld tusschen de beide mannen, te weinig misschien.
Het gif had gewerkt in de borst van den een, zooals zij, die het toediende, hoopte dat het werken zou, en de omstandigheden hadden medegeholpen tot hij geloofde in de schuld van den ander. Die ander heeft hem niet dadelijk verstaan, niet geheel kunnen begrijpen. Toen hij verstond, toen hij begreep, toen heeft hij den speelmakker zijner jeugd zelfs niet meer aangezien; haastig wendde hij het hoofd af, om hem geen getuige te doen zijn van zijn zwakheid.
»Verdedig je!« riep Verschuere. »Bewijs dat het alles laster is en logen. Verdedig je … als je kunt.«
Maar Van Beevelant behoort niet tot de mannen, die zich verdedigen tegen een beschuldiging wanneer die komt van vriendenlippen; den vreemde die hem beleedigde zou hij voldoening [187]hebben gevraagd, de vriend die aan hem twijfelen kon, moest hem verlaten zonder dat hij één woord had gesproken te zijner rechtvaardiging.
Met al haar list had de booze geest van het paleis geen beter oogenblik kunnen kiezen, dan het oogenblik dat het noodlot koos om de vrienden elkaar te doen ontmoeten … en voor altijd te scheiden!
Het gebeurde aan den morgen van dezen zelfden dag. De nacht was bang geweest; dubbel bang om zijn wonderbare lieflijkheid, met zijn zuchten van verlangen en zijn ruischen van beloften, met zijn droomen van lust en zijn zingen van liefde! dubbel bang, omdat in nachten als deze het hart zoo luide roept om wat het bemint.
Ach, waarom heeft ze dat woord gesproken, dat hem het hoogste mocht doen hopen? Waarom die blos, die blik, die hem zeiden wat ze vergeefs trachtte te verbergen … dat hij de hand maar behoeft uit te strekken om de bloem te plukken, de bloem die—zelfs in deze ure van strijd en twijfel ontveinst hij het zich niet—hij niet plukken mag!
Neen, duizendmaal neen! Het zou laagheid zijn misbruik te maken van het goed vertrouwen, waarmede hij is toegelaten in den huiselijken kring; het zou laagheid zijn, de kiesche wijze waarop hij behandeld is te loonen met zoo zwarten ondank: laagheid jegens den man die hem heeft welgedaan. Immers, ieder weet het, de heer Van Waliënhove droomt zich voor zijn dochter een schitterend huwelijk, rijkdom, rang! Ieder weet het, de beste partijen zijn hem niet goed genoeg.
Wie is hij, Frans van Beevelant—het schoolmeestertje zooals haar moeder hem bij voorkeur noemt—om haar te durven begeeren? Wat kan hij bieden in ruil voor haar stand, haar titel, haar fortuin?
Hij denkt geen oogenblik aan de tegenwerking, die hij van de stiefmoeder zou ondervinden, hij voelt zich sterk om alle tegenwerking het hoofd te bieden, hij weet dat, gesteund door Clotilde’s liefde, hij slechts zou behoeven te willen …
Als hij eens wilde!
Ze hadden elkaar wel lief! Waarom moesten die verblinde ouders geld vragen en titels, als hun kind tevreden was met [188]liefde? ’t Was krankzinnigheid, het geluk eener vrouw te zoeken in aanzien!
Moest Clotilde opgeofferd worden aan een vooroordeel? Mag hij, aan wien ze vrijwillig haar hart schonk, dat heerlijk geschenk weigeren, ten koste van zijn en haar geluk? Is dat niet te veel gevergd?
Men zal hem een intrigant noemen, een fortuinjager. Maar als hij en zij beter weten, wat deert hen dan het oordeel der wereld?… Baron Van Waliënhove is zeer goed geweest voor den zoon van zijn vriend, maar is hij hem, welbeschouwd, zoo veel dankbaarheid schuldig? Heeft hij ook niet zijn plicht gedaan, meer dan zijn plicht zelfs?
En dan—zal iemand haar kunnen geven wat hij te geven heeft, een jeugd zoo rein bewaard, een liefde zoo groot, een hart zoo vrij van elken anderen hartstocht? Heeft hij niet de hoogste rechten? de rechten die eeuwig hebben gegolden, de onveranderlijke rechten van jeugd en liefde?
Ja, de nacht was bang.
Eerst toen maanlichtglans week voor morgenblond, eerst toen gelukte het den eenzamen strijder om de demonen te verjagen, die hem vervolgden met hun verzoeking; eerst toen kon hij de oogen zijner ziel dwingen om iets anders te zien dan dat smeekend gezichtje, naar hem opgeheven met zoo zoete teederheid.
Maar toen het hem eindelijk gelukt was, toen zag hij een ander gelaat, streng en ernstig, zooals vrouwengezichten worden kunnen door langdurige zelfverloochening; hij hoorde een stem, zacht maar toch zóó krachtig, dat zij alle andere stemmen tot zwijgen bracht, en die stem sprak: »Wees sterk!«
En de morgen vond hem sterk: hij schreef een woordje aan den adjudant van dienst—op staanden voet—om te vragen op welk uur van den dag Zijne Excellentie hem zou kunnen ontvangen; hij was besloten te vertrekken. Toen ging hij zijne gewone wandeling maken, en de ochtendure deed wat ze zoo wèl vermag: ze stilde den storm door den nacht gewekt, ze bestraalde zijn hart, tot al wat er goeds in was ontwaakte en hij keerde terug, het hoofd hoog, de borst ruim, waardig en fier door de kracht die men put uit het bewustzijn iets groots te volbrengen … hij ontmoette Verschuere, die aarzelde hem de [189]hand te reiken! en wat twintig jaren van vriendschap hadden vereend was gescheiden!
Na een pauze, waarin hij tevergeefs wacht of niet van de andere zijde een aanvang zal worden gemaakt, vraagt de landvoogd:
»Wat had u te bespreken?«
»Excellentie!« stamelt de gouverneur, »ik bid u … een oogenblik … ’t is zoo moeilijk wat ik u te zeggen heb.«
De heer Van Waliënhove treedt door de openstaande deuren op het balkon: de bloemdragende boomen, die als reusachtige witte ruikers pronken in het maanlicht, zenden hun geuren tot hem op; Clotilde werpt hem een kushand toe; de jongens roepen dat ze gaan roeien op den vijver; hij belooft zich straks met hen te genieten van den heerlijken nacht, straks als dit onderwerp is afgeloopen.
»Rook een sigaar met me, mijnheer Van Beevelant,« zegt hij en biedt hem, weer binnentredend, den geopenden sigarenkoker aan, houdt zich alsof hij niet zag hoe de vingers beven, die de lucifer beproeven aan te strijken en gaat op denzelfden vriendelijken toon voort: »Komaan, frisch begonnen is half gedaan! Hebben de jongelui wat uitgehaald?… Zijn er misschien minder goede berichten van uwe ouders?… Of gaat het u persoonlijk aan?«
»Mij persoonlijk. Maar … de jongens toch ook … o, het moet u zoo ondankbaar schijnen na al het goede mij bewezen.«
De landvoogd ziet hem aan met den scherpen blik waaraan niet te ontwijken valt … hij herinnert zich anderen op dezelfde plaats, in dezelfde verwarring, en een groote schrik is te lezen op het anders zoo welbeheerscht gelaat.
»U wilt … uw ontslag vragen?«
Zwijgend buigt Van Beevelant het hoofd.
Er volgt een lange stilte. Alleen nu en dan komt het gelach tot hen van Clotilde, die met haar broers zingt en schertst in het bootje op den vijver.
»Dat had ik niet van u verwacht.«
Alles had Frans Van Beevelant beter kunnen dragen dan dien toon van zacht verwijt, dan dien blik vol smartelijke teleurstelling, [190]dan het woord dat nu volgt: »Ik dacht dat u mijn vertrouwen zoudt gewaardeerd hebben.«
»Ik waardeerde het, Excellentie. Ik was er trotsch op. Wat meer is, ik geloof te durven zeggen dat ik het me tot nu toe waardig heb betoond.«
»U vraagt ontslag … Ik kan het u niet weigeren. U zijt vrij.«
De landvoogd maakt een beweging met de hand, ten teeken dat hij het gesprek als geëindigd beschouwt en keert zich weder naar het balkon; een wijle staart hij naar buiten in het park naar het meer, waarop het bootje wiegelt met zijn vroolijken last; dan rijst uit het beleedigd vaderhart de kreet:
»Mijn arme jongens!… En ik die geloofde dat hij van me hield.«
»Dat doe ik, Excellentie! Dat doe ik.«
»U nog hier?« en de landvoogd keert zich verbaasd om.
Nu barst Van Beevelant los, onsamenhangend, hartstochtelijk:
»O, ik weet het, ik moest hier niet meer zijn … u hebt me niets meer te zeggen … maar ik … ik kan zoo niet heengaan. Ik kan dit niet verdragen … ik wil uw vertrouwen niet onwaardig schijnen. Ik wil niet onder de verdenking liggen van ondankbaarheid … o God! dat ik niet spreken mag!«
Baron Van Waliënhove is langzaam teruggekeerd in het vertrek, maar ’t is niet langer de vriendelijke man, die daar straks zoo welwillend vroeg naar de belangen van den gouverneur zijner zoons.
»Laat dit genoeg zijn, mijnheer Van Beevelant,« spreekt hij ijskoud. »Mijn tijd is kostbaar.«
Als hij ziet hoe de jonge man verbleekt bij dien toon, gaat hij voort, minder grievend, maar toch koel: »Waarom te schermen met groote woorden? Laat ons voet bij stuk houden. U beweert dat u van Oscar en Felix houdt, u beweert dat u me dankbaar zijt … en u wilt u niet langer belasten met hun opvoeding, hun opvoeding, die u weet dat mijn grootste zorg en tot aan uw komst een failure is geweest! U beweert mijn vertrouwen te waardeeren? Ik vraag u, hebt u niet met mij de overtuiging dat de jongens ten goede veranderden onder uw leiding, dat die leiding veel zorgt eischt en veel genegenheid, maar vooral een ruimer blik, een ontwikkelder geest dan die waarover het gros der [191]onderwijzers beschikken kan? U kondt hun dit alles blijven schenken, maar vraagt uw ontslag … en dan wilt u dat ik gelooven zal aan uw liefde voor hen … Ik bid u, wees oprecht! ’k Weet dat u van nature geen huichelaar zijt: doe uzelf geen geweld aan om mijnentwil … ik ben gewoon aan teleurstellingen als deze.«
»Als u wist hoe ik alles zou willen doen, alles zou willen opofferen om te kunnen blijven …«
»Alles, uitgezonderd dit eene wat ik van u vraag: uw persoonlijke ijdelheid overwinnen.«
»Mijn persoonlijke ijdelheid?«
»Ja, ontken het niet, mijnheer Van Beevelant. ’t Is gekwetst gevoel van eigenwaarde, wat u tot dit besluit heeft gebracht. ’t Is u niet genoeg dat ik u heb doen eerbiedigen in mijn huis, dat mijn kinderen u liefhebben, dat mijn gasten, mijn vrienden u met onderscheiding behandelen … U eischt dat ook mevrouw van Waliënhove u ontzien zal.«
»O, Excellentie! Denk dat niet!«
»Ik erken dat u er recht op had! Ik erken dat u zwaar werd beleedigd, voortdurend, herhaaldelijk, ik erken dat geen uwer voorgangers …«
»Och, wat ik u bidden mag, laat dat rusten! De behandeling die ik van u en de andere leden uwer familie mocht ondervinden, heeft me dat ruimschoots vergoed.«
»Neen, ik weet beter, ik heb gezien hoe het u griefde en dan … ik begreep wat het voor u moest zijn, door hetgeen het voor mij was. Maar ik meende dat u vrij hoog stond, hoog genoeg om voor zekere pijlen onkwetsbaar te zijn.«
»Excellentie, is het niet mogelijk dat u toen juist hebt gezien?… dat u zich nu in mij vergist?«
»Hier kan helaas van geen vergissing sprake zijn. Het is hier het geval van den soldaat, die op een post van vertrouwen geplaatst, dien post verlaat omdat hij door muskieten gestoken wordt.«
»O, dit is te veel!«
De jonge man is opgesprongen van zijn stoel, hij heeft de hand aan het hoofd gebracht, als had hij een slag ontvangen in het aangezicht; maar onverbiddelijk door zijn verontwaardiging, [192]gaat de heer Van Waliënhove voort: »U weet hoe men zulk een soldaat noemt?«
»Een lafaard!«
Getroffen keert de landvoogd zich tot hem. Dat woord werd niet gesproken als door een op wien men het zou kunnen, zou durven toepassen; het klonk als een smartkreet, maar ook als een protest, als een uitdaging.
De twee mannen zien elkander in het gelaat, en dan vindt plaats wat plaats vinden moet wanneer de blikken van twee edele naturen elkaar ontmoeten, die beiden—zij het dan langs verschillenden weg—streven naar het goede: de plotseling opgekomen toorn wijkt voor achting en genegenheid.
Langzaam treedt de heer Van Waliënhove op den gouverneur toe.
»Weet u, aan wien u me doet denken, zooals u daar staat? Aan uw vader.« En dan, terwijl hij hem de hand toesteekt: »De zoon van dien vader kan geen lafaard zijn.«
»Dank, Excellentie! U hebt goed gezien; ik ben geen lafaard! Ik ben het nooit minder geweest dan op dit oogenblik. Misschien,« voegt hij na een korte stilte er bij, met een weemoedig lachje, »misschien krijg ik heden zwaarder wond dan mijn vader op Borneo kreeg … En dat zonder Willemsorde, met verlies van uw genegenheid, zoo niet van uw achting.«
»Neen, dat niet, dat niet! Maar, ziet ge, op mijn jaren verliest men ongaarne een illusie—men heeft er zoo weinig meer te verliezen—en hierdoor was ik misschien daareven onrechtvaardig, hierdoor kan ik me ook nog maar niet schikken in het denkbeeld, dat u ons zoudt gaan verlaten. Ik was u reeds min of meer gaan beschouwen als een lid van ons gezin, ik vond in u zooveel terug van mijn ouden vriend, van mij zelf. En dan, ik meende dat u zich hier niet ongelukkig voeldet, ik dacht dat u zich een weinig aan ons had gehecht.«
Van Beevelant kan niets zeggen, hij weet dat hij verloren is als hij spreekt; zoo vol is hem het hart. Een groote brandende traan, even spoedig weggewischt als opgeweld, is zijn eenig antwoord.
Maar de heer Van Waliënhove heeft dien traan gezien.
»Kom Van Beevelant«, spreekt hij dringend, »kom, wees openhartig. Bedenk dat ik me steeds uw vriend betoond heb. Waarom [193]wilt u ons verlaten? Zeg het me. Waardoor gevoelt ge u gegriefd? Is het zoo’n doodelijke beleediging, dat ik het niet zou kunnen herstellen? Ik weet, op uw leeftijd valt vergeven moeilijk, maar we moeten het immers allen leeren, willen we niet omkomen in een zee van bitterheid. ’k Weet, de taak wordt u wel zwaar gemaakt. Maar we kunnen ook het zwaarste volbrengen, als we het doen voor anderen. En in dat geval verkeert u. Zoudt u den bodem willen inslaan aan uws vaders verwachting dat zijn zoon carrière zal maken in Indië … Ik heb hem beloofd, dat ik vóór mijn heengaan u een toekomst zal openstellen. Zoudt u uw moeder, zoo kort na het door haar geleden verlies, willen bedroeven door den strijd op te geven, lang vóór de overwinning? En zou het u niet hard vallen, zoo u op eens moest ophouden met hun al die kleine weelden te verschaffen … ja, ik weet daarvan, ge behoeft niet zoo te ontstellen, mijn jongen; ik zelf heb jaren lang mijn ouders ondersteund, en geloof me, men kan zijn geld niet beter uitzetten.«
»Ik weet dat ik hun een groot verdriet ga aandoen,« spreekt de jonge man zacht. »Die gedachte heeft me lang teruggehouden, te lang reeds.«
»Welnu, neem nogmaals tijd van beraad. Ik wil gelooven dat het u op dit oogenblik onmogelijk schijnt op uw besluit terug te komen, maar hoe verschillend denken we soms in enkele dagen over dezelfde zaak.«
»Als ik dit hopen mocht, denkt u dan dat ik hier voor u zou staan?«
Er volgt een lange stilte; dan vraagt de heer Van Waliënhove zacht, smeekend bijna: »Hebt u er aan gedacht, wat dit voor mij zal zijn? Hebt u daaraan gedacht, wat het moet wezen voor een vader, zijn kinderen weg te zenden? Onder vreemden? Met de zee tusschen hen?«
»Excellentie … och, folter mij niet … laat me gaan … U gelooft toch ook, dat om zooveel goedheid, zooveel vriendschap, zooveel vertrouwen te verliezen, er redenen moeten zijn, redenen … Noem me een lafaard, noem me ondankbaar! denk dat ik een ijdele dwaas ben! geloof dat ik om een persoonlijke beleediging de toekomst uwer zonen op het spel zet, mijn eigen toekomst voor goed bederf, dat ik uit egoïsme mijn ouders beroof [194]van mijn steun … denk, geloof dat alles; maar in Godsnaam, als u van den vader gehouden hebt, dwing dan den zoon niet om het recht te verliezen op het vertrouwen van een fatsoenlijk man!«
»Ga, Van Beevelant.«