[Inhoud]

XXV

JONGE LIEFDE.

Langen, langen tijd nadat de deur zich sloot achter den gouverneur, blijft de heer Van Waliënhove onbewegelijk zitten, de handen tegen het voorhoofd gedrukt, de oogen gevestigd op één punt. Maar als hij daar zoo onbewegelijk zitten blijft, dan is dit niet om het raadsel op te lossen hem een uur geleden voorgelegd, hij heeft de oplossing van het raadsel gevonden. Dit bewijst het woord dat hem telkens wederop de lippen komt: »Clotilde!«

Wanneer hij eindelijk oprijst, is het om zich naar haar vertrek te begeven en zacht te kloppen aan haar deur.

»Zijt u het, papa? Kom binnen!« en ze verschijnt op den drempel harer zitkamer met een vriendelijk lachje om de lippen. Maar hij merkt op, dat terwijl de mond lacht de oogen rood zijn van pas vergoten tranen.

»Ik zag geen licht, ik vreesde dat je reeds naar bed zoudt zijn.«

»Dat zou ik zeker … wanneer het een regenachtige avond geweest was, maar als het maantje me zoo aankijkt en de sterren me zoo vertrouwelijk toeknikken, dan kan ik er niet toe komen ze buiten te sluiten. ’t Geeft me zoo’n gevoel alsof lieve vrienden me wilden bezoeken en ik ze de deur voor den neus dicht deed.«

Al sprekend heeft ze met een vlugge beweging, de inlandsche vrouwen afgezien, het loshangend haar opgenomen en in een wrong tegen het achterhoofd gelegd; nu haalt ze een doekje en slaat dat over het dun wit négligé; ze weet waarvoor hij kwam; [195]ze maken dikwerf van die kleine uitstapjes samen, des avonds, als de booze oogen gesloten zijn.

Hand aan hand, een paar ondeugende kinderen gelijk, bang om betrapt te worden, sluipen ze het huis uit.

»Dat hebben we er goed afgebracht!« fluistert Clotilde, als ze buiten de schaduwen van het dicht geboomte zijn gekomen; en terwijl ze haar arm door den zijnen steekt, gaat ze voort met de zenuwachtige drukte van iemand, die de aandacht op alles liever vestigen wil dan op zich zelve.

»Nu zal ik u eens iets moois laten zien, iets heel bijzonders, ten minste de botanici zijn er over in verrukking en Annet Paerel beweert, dat haar man er vrouw en kind voor vergeet: een palmboom die bloeit!«

»Is dat zoo iets buitengewoons? Nu, goed, ik wil er graag heengaan, maar je moet wat minder hard loopen.«

De maan stond nu hoog aan den hemel en overgoot met zijn licht den palmentuin; de slanke stammen hoog en trotsch, de onbewogen bladeren sterk afgeteekend tegen den azuren achtergrond, in zijn koninklijke rust, in zijn plechtig stilzwijgen niet zoo liefelijk wellicht als menig ander plekje in Bogor’s lusthof, maar van verhevener schoonheid dan eenig ander. Vader en dochter vergeten een oogenblik de gedachten die hen bezig hielden, als ze rondom zich zien; weldra rust hun verrukte blik op het ongewoon verschijnsel: onder al die gekroonde hoofden één, wiens diadeem met bloemen is getooid.

En welke bloemen! Een fontein van wit en rose, opgolvend uit het bladerdak, trillend en suizelend in de avondkoelte, stoeiend met stargeflonker en maanlichtglans, zwevend boven de donkere kruin, gelijk de sluier der andalusische boven het zwartgelokte hoofd.

»Als de boom heeft uitgebloeid sterft ze,« spreekt Clotilde zacht.

»Arme boom!«

»Neen, Papa, zeg dat niet!« roept het meisje. En dan, met een hartstochtelijke trilling in haar stem: »Zou ze niet nog veel meer te beklagen zijn, als ze nog voort moest leven wanneer ze heeft uitgebloeid? Niet waar, het zou de moeite niet loonen? Wij menschen moeten altijd voort, ook al dragen we geen enkel [196]bloempje meer in hoofd of hart, maar een palmboom is gelukkig … die mag sterven!«

»Clotilde!… lieveling!« roept de heer Van Waliënhove ontsteld, en als hij haar in het gelaat heeft gezien, vraagt hij zich af, wat duizende vaders voor hem zich hebben afgevraagd en duizende na hem zich zullen afvragen: »Hoe kon ik zoo blind wezen?«

»Kijk me niet zoo verschrikt aan, papa, dan heb ik berouw over mijn onvoorzichtige woorden. En toch … ik kan niet langer veinzen … ik kan geen vroolijk gezicht meer toonen. Ja, u hebt het reeds ontdekt, niet waar? ik had daar straks zitten schreien … O pa, ik ben het zoo moê … telkens weer die nieuwe pretendenten, altijd door vervolgd te worden met huwelijksplannen! Ik kan het niet langer aanhooren, ik heb het mama ronduit gezegd.«

»Dat is goed, kind.«

»Neen, het was niet goed. Want mama heeft woorden gesproken … o God!« En met een plotselinge beweging van droefheid en schaamte werpt ze zich aan zijn borst. Dan snikt ze: »U zult me toch niet dwingen! Ik mag bij u blijven, niet waar? Zeg vadertje, ik ben u geen doorn in het oog, zooals haar? U wilt me niet kwijt zijn tot elken prijs, zooals zij? U vindt niet dat het tijd wordt, hoog tijd? Zeg papa?«

»Behoef je dat te vragen? Je bent vrij, Clotilde, vrij om bij me te blijven, vrij om een echtgenoot te kiezen.«

»Ik wil geen echtgenoot kiezen.«

»Geen echtgenoot?« herhaalt de heer Van Waliënhove. »Natuurlijk, ik begrijp je … niet een zooals sommige van de jongelui, die je het hof maakten; niet een zooals nu de laatste protégé van je mama, maar … een echtgenoot, die beantwoordt aan …«

»Neen papa, ook niet een die beantwoordt aan mijn ideaal. Ik houd vol, wat ik gister aan mama heb gezegd: ik trouw niet! Of neen, ik druk me niet goed uit. Ik zou het heel naar vinden om als oude jongejuffrouw te sterven. Wanneer mama me nu maar een tijdlang met rust wou laten, wanneer ze mij nu maar niet forceerde, dan zou ik later—als ik wat ouder [197]ben en verstandiger—dan zou ik later een huwelijk doen, waarover ze tevreden kon zijn.«

»Een huwelijk uit berekening?… Nooit!«

»Zeg dat niet, papa! Ik zal een mooie positie trouwen en een adellijken titel en—veel geld!«

»Stil, Clotilde! Ik mag dit niet aanhooren. Het smart me, als de dochter van je moeder zoo spreekt. Maar kind, het was je geen ernst, niet waar? O, ik begrijp wat het is: ze zijn bij je gekomen, die vrouwen van de wereld, die lage prediksters van het proza; ze hebben je gezegd dat bij een verstandig meisje die »overdreven voorstellingen« van liefde en huwelijksgeluk langzamerhand moeten wijken voor de werkelijkheid en dat die werkelijkheid met poëzie niets heeft uit te staan. Geloof ze niet, kind, ’t is alles leugen, ’t is alles laster! Och lieve, kon je moeder op dit oogenblik tot je komen en je zeggen, wat de liefde geweest is in haar leven! Ik zie haar met dat stralend gezichtje me welkom heeten, me naar binnen leiden in onze kleine woning, met een trots alsof het een paleis ware geweest; ik hoor nog haar vroolijk snappen, haar kwinkeleeren als een vogeltje even blij en onbezorgd! Ach, ze heeft wèl genoten, al mocht het maar kort zijn! Hoe zalig was dat lachje, waarmee ze ’s avonds insliep aan mijn borst, alsof niet ik het was geweest die den nachtkus drukte op haar lippen, maar een halfgod, een engel. En wat was dat een geluk, toen je geboren zoudt worden! Wat heeft ze dikwerf gezegd: »Ik hoop maar dat het een meisje zijn zal!« En als ik vroeg waarom het geen zoon mocht wezen, dan heette het: »Mannen hebben zooveel noodig om gelukkig te zijn. Een vrouw behoeft niets dan liefde en die zullen we haar geven.«

»Arme, lieve moeder … ach, waarom mocht ik haar niet behouden!«

Luider dan de avondkoelte stijgen de zuchten omhoog van deze twee menschenkinderen onder den bloeienden palmboom.

»Die wensch van uwe moeder is me heilig, Clotilde!… Ik wil u vóór alles gelukkig zien, gelukkig door het hoogste wat ouders kunnen begeeren voor hun kind.«

Tot eenig antwoord wijst Clotilde op den palmboom, met bloemen gesierd, te midden harer zusteren. [198]

»Niet voor ieder is het hoogste weggelegd, papa!«

»Niet voor ieder, neen. Maar als er één jong hartje is, dat de toekomst blij mag tegenkloppen, dan is het dat van mijn dochter.«

»Ja, dat zou men zoo meenen,« fluistert ze meer tot de sterren boven haar, dan tot hem, die in de grootste spanning ieder woord opvangt van haar lippen.

»Clotilde, luister. Ik heb je kinderjaren niet onbezorgd kunnen maken; ik heb je bij vreemden moeten achterlaten en ik weet wat je geleden hebt onder die scheiding; ik heb je bij je terugkeer geen gelukkig thuis kunnen bezorgen—maar één voorrecht laat ik me niet ontnemen: je met al wat achter je ligt te verzoenen door de toekomst.«

»En als dat eens niet in uwe macht stond, papa?«

»Als dat niet in mijn macht stond? ’t Is waar, ik vraag veel: een hart, dat het hart van mijn lieveling kan begrijpen. Maar ik ben zeker, dat we het vinden zullen.«

»Laat ons er niet naar zoeken, papa. We zullen toch moeten eindigen met te doen als de rest en naar een goede partij uitzien.«

»Foei, Clotilde. Spreek niet zoo tegen uw gevoel. Ik weet, weinig jonge meisjes vermoeden wat de liefde maken kan van de aarde; ik weet, menigeen sluit het boek des levens zonder de eenige bladzij te hebben gelezen, waard om gelezen te worden; ik weet, als er een troepje kinderen uitgaat om bloemen te plukken, dan zijn de meesten tevreden met de meizoentjes en klaprozen, die aan den slootkant groeien: een enkele slechts zal den berg beklimmen om de groote witte bloemkelk te zoeken, waarvan ze gedroomd heeft. Maar ons kind, niet waar, Clotilde, ons kind kan niet tevreden zijn met de klaprozen die men plukt aan den weg?«

»Papa … als men de witte bloem gezocht heeft boven op den top van den berg en men is teruggekeerd met ledige handen?«…

Zacht slaat hij den arm om haar heen, vertrouwelijk vlijt ze het hoofd aan zijn borst. Dan kust hij haar op de roodgeweende oogen tot zij ze sluit, gesust door zooveel teederheid en fluistert, [199]zooals een moeder fluisteren zou in deze ure: »Je hebt de witte bloem gevonden, Clotilde.«

Een oogenblik blijft ze liggen, stil als een kind dat droomt en vreest te ontwaken, omdat de droom zoo heerlijk is; dan heft ze zich langzaam op en staart haar vader in het gelaat.

»Neen, papa, u vergist zich. ’t Is waar, ik heb aanbidders; er zijn er zelfs onder, geloof ik, die van me houden; maar de eenige dien ik zou kunnen liefhebben denkt niet aan mij!«

»Dwaas kindje, weet je dat zoo zeker?«

»Helaas! ik wou dat ik het minder zeker wist! Gelooft u me niet …? Nu dan: hij voelt niets voor me. Ik ben hem totaal onverschillig! Hij ontwijkt me! Hij wil zelfs niet door me vertroost worden als hij in droefheid is!«

»Spreekt niet zoo hard, lieve!«

»Als u alles wist, papa, als u alles wist, dan zoudt u zeggen dat ik niet langer twijfelen mag; dat ik meer gedaan heb dan ik mocht doen! Maar ik wist niet wat me dreef! Ik kende mijn eigen hart niet! Ik dacht dat het medelijden was met zijn smart, met zijn verlatenheid; ik dacht, dat ik voor hem opkwam, zooals ik dat doe voor ieder die miskend wordt en beleedigd … Hij heeft me van zich gestooten, papa! hij gaat me uit den weg! hij ziet me zelfs niet aan!«

»Omdat hij je liefheeft, Clotilde! Omdat hij mijn vertrouwen niet wilde misbruiken om het hart te stelen van mijn dochter. Omdat hij weet dat je bestemd waart hooger prijs te halen op de huwelijksmarkt dan hij voor je besteden kan. Omdat hij den trots heeft van een eerlijk man, die de hand niet wil uitstrekken naar hetgeen anderen, meer bevoorrechten, toekomt!«

»Papa! O, is het waar?«

»Ja, mijn arme lieveling, het is waar. Hij heeft me daar straks zijn ontslag gevraagd. Toen heb ik alles begrepen. Toen wist ik, dat ik blind was geweest en doof, en dat twee jonge harten veel geleden hadden.«

En als ze snikkend in zijn armen ligt, vraagt hij zacht: »Mijn arm kind, waarom heb je me niet meegenomen toen je den tocht ging doen om de witte bloem te zoeken?«

Maar weldra zijn de tranen gedroogd. En de bloemfontein in den palmboom wuift en strooit hare witte bloesems op het bruingelokte [200]hoofd, als wilde ze het reeds met den bruidskrans sieren en de maan ziet glimlachend neer op het schouwspel, dat haar verzoenen moet—en altijd weer verzoenen kan—met al het stuitende en treurige der aarde: het schouwspel van een meisjesgelaat, naar haar opgeheven in de zalige verrukking der eerste liefde!