[Inhoud]

XXVI

DE FAMILIE HAGEN.

»Het gaat in het geheel niet goed met mevrouw,« heeft dokter Bosschaert gezegd tot den algemeenen secretaris, en de algemeene secretaris heeft zich een oogenblik losgerukt van politieke beslommeringen, om zich zeer ongerust te maken.

Verder beweerde dokter Bosschaert: »Mevrouw behoeft vóór alles verstrooiing.« Buitenzorg is hier echter niet rijk aan, en daar Verschuere binnen enkele dagen den gouverneur-generaal vergezellen moest naar Batavia, wist hij niets beters te doen dan Agnita mede te nemen naar de vrienden, die langzamerhand hun beste vrienden geworden waren, de Hagens.

De vice-president en zijn vrouw waren er volstrekt de menschen niet naar om een logée, die afleiding behoefde, deze te willen bezorgen door menschen zien en partijen bijwonen: ze deden hun best om het haar gezellig te maken in huis.

En wanneer de Hagens daarvoor hun best deden, hadden ze meer kans van slagen dan de meesten; mevrouw wist allerlei prettige bezigheden, die ze liefst met de logée verrichtte; mijnheer bracht altijd wat nieuws mede en kon—zeldzame gave in een getrouwd man—uren lang bij de dames zitten zonder haar of zich zelf te vervelen; Gertrude kwam elk oogenblik in de loofhut binnenvallen als een zonnestraal, en de gelukkige jonge echtgenoot liet zich zelden lang wachten waar zijn vroolijk vrouwtje was. In een onbedacht oogenblik—zooals men er hebben kan in den engagementstijd—had hij zijn talent van voorlezen verraden. Nu werd hem geregeld een boek in de [201]hand gestopt met de bewering, dat de dames veel beter »opschoten« als er gelezen werd; hij las dus, en mocht hij soms een oogenblik vertragen, dan was ’t om naar Gertrude te kijken, die dit als een sein beschouwde om hem een kanten baatje, een klein hemdje of rooskleurig spreitje voor te houden en met een stralend gezicht te vragen of het niet was om te stelen?

’s Avonds zong ze, of liever ze zong den geheelen dag, maar ’s avonds deed ze ’t bij de piano; mevrouw speelde een partij schaak met haar schoonzoon, mijnheer accompagneerde Agnita’s spel; soms ook bleef men praten, en onder het genot van zijn brandy-soda schilderde dan de gastheer met de opgewektheid, die bij hem het gebrek aan geest bijna vergoedde, het Batavia van vijf-en-twintig jaar geleden. Een enkele maal ook, daartoe geanimeerd door een woord van Agnita—vrouw en dochter zorgden wel hem niet op zijn stokpaardje te brengen—handelde hij over kunst. Over niets sprak hij liever, en zoolang hij zich bepaalde bij hetgeen Europa op dat gebied te genieten geeft, over niets beter; maar wee, als hij zijn gemoed ging uitstorten over Indië in dit opzicht!

Hij had daaromtrent ervaringen van minder aangenamen aard. Jonge talenten, die hij ontdekte en zag verloren gaan, warme harten, die verkilden onder de tropische zon, mislukte pogingen om iets tot stand te brengen op muzikaal of op ander gebied. Wat kon hij dwepen over de lieve actrice, die Batavia verrukte; helaas! te vergeefs gewaarschuwd voor de gevaren aan haar verlaten positie verbonden; over het aardig kind, dat hij in Gang Petjanongang vond, een aap teekenend op den vuilwitten muur, ’t kind dat hij moest gewennen aan schoenen dragen en Hollandsch spreken voor hij haar kon wegzenden naar Amsterdam, waar ze met haar bruine handjes bezig is zich een naam te maken als dierenschilderes … Omtrent praatjes, die geloopen hadden over zijn verhouding tot de jonge artiste, of omtrent hetgeen men had beweerd over zijn betrekking op het begaafde nonnaatje sprak hij niet; evenmin als hij er van repte hoe zijn zwak voor de kunst hem den naam had bezorgd van een man te zijn, die er liefhebberijen op nahield, dus geen ernstig, geen degelijk man. Misschien hield hij het er voor, dat anderen reeds op zich genomen hadden mevrouw Verschuere in te lichten, [202]misschien ook vergat hij het. Want als hij over dit onderwerp sprak, zonken zijn persoonlijke grieven in ’t niet, gevoelde hij slechts die eene groote grief tegen het land, waar kunst een woord is zonder klank, waar het langzamerhand een herinnering wordt, niets meer; van waar chineesche koelies terugkeeren als millionairs en artisten als bedelaars; dat salons noch museums heeft; waar de rijke burger mist wat de armste werkman in Europa bezit: het voorrecht van te mogen nederzitten voor meesterstukken, om te genieten en te bewonderen.

Er was nog al iets toe noodig om den heer Hagen zijn oostersche kalmte te doen verliezen, maar als hij dit zijn stokpaardje bereed, kon hij zich vreeselijk boos maken; dan schold hij op de mannen van invloed en fortuin, die niets doen tot steun van het talent, het genie wellicht, dat toch ook in deze maatschappij niet geheel afwezig kan zijn, dan bespotte hij de Koningin van het Oosten met haar huizen vol marmer, haar kasten vol zilver, haar vrouwen vol juweel en, haar tafels vol gerechten; dan bracht hij u voor zijn Verveer, zijn Mesdag, zijn Apol, zijn Bles, en vroeg of die niet meer waard waren dan al die dikwerf smakelooze pracht; dan kon hij u bijna smeeken, toch liever onzen hollandschen schilders hun meesterwerken af te koopen dan Fransche juweliers en patissiers te verrijken met het dikwerf zoo zuur verdiende indisch goud.

»’t Is waar, we zouden zoo nu of dan een Mæcenas wel kunnen gebruiken,« zegt Agnita eens; en voegt er dan met een zucht bij: »Men heeft hier zooveel behoefte aan aanmoediging. We missen hier de veerkracht die een koel klimaat geeft; we hebben veel minder den prikkel der eerzucht … als we ten minste nog maar bezield werden door het denkbeeld dat iemand belang stelde in ons streven …«

»Ja,« zegt mevrouw Hagen, »dat heeft me sinds ik in Indië ben getroost over iets, dat me in Holland niet weinig hinderde, namelijk dat ik geen talenten bezit; een vrouw van talent staat hier alleen. Als ze niet pianospelen of in een liefhebberijcomedie optreden kan, interesseert niemand zich voor haar andere bekwaamheden; ze durft niet spreken over hetgeen haar vervult, ze kan anderen geen raad vragen, ze vindt geen bevoegde [203]beoordeelaars … vroeg of laat vallen pen of penseel haar uit de hand.«

»En er is hier geen keizer Karel die ze voor haar opraapt.«

»Maar,« vraagt Van den Bosch, »zou het talent werkelijk zoveel behoefte hebben aan aanmoediging? Zou het niet alles, aanmoediging, belooning, ja zelfs een juiste waardeering vinden in zich zelf?«

»Misschien de groote talenten,« zegt Nita, »maar de kleine?… Het zal u heel kinderachtig schijnen; maar toch verzeker ik u, dat soms, als ik aan het schilderen ben, ik niet kan voortgaan zoolang me niet iemand gezegd heeft dat hij ’t mooi vindt. En,« voegt ze er bij met een zucht, »ik kan niet altijd iemand vinden om ’t me te zeggen.«

Dien avond had de heer Hagen een apartje met zijn vrouw. Hij vroeg of hier niet een kunstenaarszieltje verkwijnde door gebrek aan sympathie? Maar mevrouw Hagen beduidde mijnheer, wat ze hem gewoonlijk beduidde, dat hij zich vergiste.

Neen, dit was het niet wat knaagde aan Agnita’s geluk, ’t was heel iets anders! Gister had ze haar gevonden bij de groote naaimand, die door zijn inhoud verried welke hoop er gekoesterd werd door de familie; ze had haar gevonden, terwijl ze die verraderlijke artikeltjes een voor een door de handen liet gaan, ze beschouwde, gladstreek en weer opvouwde met het geheimzinnig voorgevoel, dat jonge vrouwen het kindje doet zien en tasten in de kleine kleedingstukjes, lang vóór het daarin is gestoken.

Gertrude echter, misschien ongewoon scherpziende door haar jonge liefde, Gertrude hield vol, dat pa en ma beiden de plank missloegen.

»Hebt u dan niet opgemerkt,« vroeg ze, »hoe haar arm, bleek gezichtje kleurt als Verschuere thuis komt? Hebt u niet gezien hoe die treurige oogen geheel veranderen van uitdrukking, alleen door zijn tegenwoordigheid? Hebt u niet opgemerkt hoe ze hangt aan zijn lippen, hoe gelukkig een vriendelijk woord van hem haar maakt?«

»Er zijn veel mannen die zich laten beminnen, weinigen die liefde hebben te geven … ’t kan zijn dat Verschuere tot de velen behoort,« peinst mevrouw. [204]

Juist keert Willem terug van een militaire wandeling en moet zich—vermoeid en warm als hij is—laten omhelzen.

»Een oogenblikje om uit te blazen, Truus! Dan ben ik verder den geheelen dag tot je dienst.«

»Weet u, wat ik wenschte, moedertje,« vraagt de jonge vrouw terwijl ze haar man een glas ijswater brengt; »voor die arme Nita, bedoel ik …? Dat ze met een luitenant getrouwd was. Die hebben heele dagen om lief te zijn voor hun vrouw.«

Toch was Verschuere gedurende hun verblijf op Batavia zoo »lief voor zijn vrouw« als de bezigheden maar eenigszins toelieten; hij keek telkens vol bezorgdheid naar het bleek profiel, dat steeds fijner werd, naar de grijze oogen, die in hun donkere kringen steeds grooter schenen; hij bracht boeken en gravures mede uit de stad en nieuwe muziek en zeldzame bloemen.

Te Buitenzorg teruggekeerd, noodigde hij de goede kennissen hen veel te bezoeken, herinnerde hij James dat zijn couvert altijd gelegd werd, ja, vroeg hij zelfs mevrouw Te Leurse om eens een dagje bij hen te komen doorbrengen.

Wel had hij zich voorgenomen den omgang te verminderen met een familie, die in den laatsten tijd zooveel van zich spreken deed, maar Agnita moest afleiding hebben en tot afleiding was niemand zoo geschikt als de schoone luitenantsche met haar origineele invallen, haar reciteeren van brokstukken uit drama’s of comedie’s, haar werkelijk geestige behaagzucht en, zeer enkele malen, haar diep gevoel.

Dokter Bosschaert kwam veertien dagen achtereen, ’s morgens en ’s avonds. Toen volgde hij de gewoonte van indische geneesheeren—een gewoonte die vele honderde levens heeft gered;—vóór het te laat was raadde hij verandering van lucht aan.

Mevrouw moest naar boven.

Naar boven … In het begin, zoo lang hij daarbij nog denkt aan de tweede verdieping, glimlacht de Hollander om die uitdrukking. Maar als hij zijn vrienden, verkwikt naar lichaam en geest, zag terugkeeren uit de bergen, als vrouw of kind er herstel vond van uitgeputte kracht, dan glimlacht hij niet meer wanneer dat woord wordt genoemd, dan schijnt het hem de sleutel tot het paradijs der verkwikking.

Naar boven … Verschuere’s ijzeren gestel bood nog altijd [205]weerstand aan zijn afmattenden werkkring, maar hij gevoelde in den laatsten tijd een andere vermoeienis dan lichamelijke; hij snakte naar rust, naar vrijheid; hij smachtte er naar om eens, ware het voor nog zoo kort, toe te behooren aan zich zelf. Of meer nog aan Agnita, arm kind, dat zich maar niet kon gewennen aan het denkbeeld—waaraan het trouwens verbazend moeilijk schijnt jonge vrouwen te gewennen—dat het huwelijk niet een samen leven en samen genieten kan zijn, maar een, ieder voor zich, najagen van geheel afzonderlijke doeleinden.

Hij denkt er niet aan, dat er een crisis op handen is; dat dezer dagen de begrooting wordt ingediend en de partij, door minister en gouverneur-generaal zoo warm aangehangen, gevaar loopt een nederlaag te lijden; hij stelt zich niets anders voor, dan hoe ze het verrukt gezichtje naar hem zou opheffen, als hij haar zeggen kon dat ze naar boven ging met hem.

Maar met de wilskracht, die hem gemaakt heeft tot wat hij is, schudt hij zich wakker uit den schoonen droom en antwoordt op Bosschaert’s vraag: »U gaat natuurlijk mede?« »Onmogelijk.«

De hofarts echter barst nu los in den ruwen toon die hem, volgens velen, ongeschikt maakt voor zijn tegenwoordig ambt. »U weet, ik houd niet van halve maatregelen; als u niet mee kunt gaan dient het nergens toe mevrouw weg te zenden. Goeden morgen.«

En eer nog Verschuere heeft kunnen antwoorden is hij in zijn coupé gestapt en weggereden naar het paleis, waar eene der bijkokkies zich in den vinger heeft gesneden, reden voor mevrouw Van Waliënhove om te eischen dat hij tweemaal daags naar den toestand van dien vinger zal komen zien: hij wordt er immers voor betaald! [206]