[Inhoud]

XXIX

DOLCE FAR NIENTE.

Het is verwonderlijk hoe goed iemand, niet in staat zich zelf te genezen, weet welke medicijn een ander behoeft. Agnita, die in de laatste maanden echtgenoot en vrienden zooveel zorg baarde, Agnita die den dokter au bout de son latin gebracht had, begreep dadelijk wat dienstig kon zijn om het verstoorde evenwicht te herstellen in het gemoed harer vriendin.

Ze keurde het volkomen goed, dat Clotilde dien eersten dag haar geheele hart uitstortte, den loop harer liefdesgeschiedenis in het breede schilderde, ja zelfs in herhalingen verviel; ze moedigde er haar toe aan met handdrukjes en zacht gefluisterde woorden van sympathie; ze verhinderde haar niet om uit te varen tegen de wreedheid van het noodlot, de onbillijkheid der fortuin, de harteloosheid der maatschappij en zooveel meer waarover we onze verontwaardiging lucht geven, wanneer alles niet juist zóó loopt als we dat wenschen zouden. Zoodra een tranenvloed het meisje belette voort te gaan, ontsloot ze de armen met zusterlijke teederheid en vermaande haar om maar eens goed uit te schreien; immers ze had het in haar tuin geleerd: de oude takken en bladeren moeten van de plant verwijderd worden, wil men jonge loten en frissche knopjes gelegenheid geven zich te ontwikkelen.

Intusschen, al troostend en sympathiseerend, haastte ze zich de fraai gebonden boekdeeltjes weg te nemen, die ze overal liggen vond: op de salontafel, in het werkmandje, naast het hoofdkussen zelfs! Ze wist het bij ervaring, als men zich ongelukkig gevoelt behoeft men maar een bundel open te slaan van Heine, Byron of [222]Lamartine—sedert kort Clotilde’s onafscheidelijken—om geheele bladzijden te vinden, volkomen toepasselijk op den toestand waarin men verkeert, een, schoon weemoedige, toch uiterst troostrijke ontdekking, maar een gevaarlijke bezigheid tevens; immers men eindigt met het leed, dat zoo diep gevoeld bezongen werd, zwaarder te vinden dan men eigenlijk eerst wel had vermoed.

Het is heden de derde dag van het verblijf der Verschuere’s op Tjipanas. Gustaaf verslaapt zich—een zijner grootste genietingen sinds hij met verlof is. Eergister, gister nog, werd hij plotseling wakker op het gewone uur en greep naar zijn horloge met den schrik van iemand, die weet dat hem werk wacht, maar heden sliep hij rustig voort … Agnita sloot voorzichtig vensters en deuren: het heeft haar dikwerf genoeg gehinderd dat ze hem wekken moest.

De beide jonge vrouwen brengen, in afwachting van zijn verschijning, den koelen morgen door in den tuin: vol van de bloemen, die alleen in een koud klimaat willen tieren en met haar eenvoudig schoon, te midden der tropische natuur, vriendelijke herinneringen wekken aan Holland’s kleine gaarden.

»Zie eens hoe lief!« roept Clotilde met een blik op het mandje, dat ze samen vulden; »zou men niet denken dat wij ze met zorg geschikt hadden, zoo los liggen ze daar tusschen het groen, zoo harmonieeren de kleuren?… Ik zal het in je kamer zetten, maar dan moet je het onveranderd laten.«

»Mag ik het voor iets anders bestemmen?« vraagt Agnita. »Je moet weten, er logeert een kennis van mij op Sindanglaya, ik zou ze haar gaarne brengen.«

»Een kennis …! Wie is het?«

»Neen, je hebt haar nooit ontmoet. Ze zijn drie jaar op Padang geweest en nu komt ze regelrecht van Atjeh. Toevallig hoorde ik een paar dagen geleden dat ze hier was … arme ziel! Huntvelt moet op Atjeh blijven, maar zij kon niet langer … ze heeft er haar jongste kindje verloren en nu kregen de anderen malaria; je begrijpt …«

Reeds heeft Clotilde de tuinschaar weggelegd, den grooten stroohoed vastgestrikt; ze wil het mandje met de bloemen zelve dragen … als ze terugkeert heeft ze de oogen vol tranen, maar nu niet over eigen leed. [223]

Men was bijna den geheelen dag buiten; van droomen en peinzen, van slapelooze nachten, van gebrek aan eetlust geen sprake meer! Het klimaat werkte hiertoe mede. Haast overal in Indië gelijkt de natuur op het mooie meisje, dat uw venster voorbij gaat, maar reeds den hoek der straat heeft omgeslagen als ge haastig zijt opgesprongen om haar te groeten; in het hooggelegen bergland der Preanger is ze als de jonge vrouw, die rustig bij u blijft om u den dag te veraangenamen; hier jaagt de zon u niet naar binnen, een uurtje nadat ge haar hebt welkom geheeten aan den goudblonden ochtendhemel; hier vervullen de vogels hun roeping niet, zooals in heeter oorden, of het muzikanten waren aan badplaatsen, die zich alleen ’s morgens en tegen het vallen van den avond laten hooren: ze zingen den langen lieven dag door; hier sluiten de bloemen haar pas geopende kelken niet voor den brandenden gloed, die ze dreigt te verschroeien, ze pronken en geuren tot haar bloeitijd is voorbij gegaan.

In afwachting dat Agnita sterk genoeg zou zijn voor grooter tochten, maakte men wandelingen of rijtoertjes, een enkele maal ging Clotilde mede met Verschuere als hij te paard den omtrek doorkruiste, en wie haar van zoo’n ritje zag terugkeeren met wapperenden sluier en wild golvende haren, werd misschien getroffen door haar frissche schoonheid, zeker niet door de somberheid van haar voorkomen.

Op zekeren avond kwamen de beide vriendinnen den heuvel af, langzaam, arm in arm en even druk als geheimzinnig pratend. Nauwelijks waren de lampen ontstoken of Agnita plaatste zich, met den uitroep dat ze nu een inval hadden gekregen zooals alleen vrouwen dien krijgen kunnen, aan Clotilde’s schrijftafel, nam rooskleurig papier, voorzien van Clotilde’s monogram, doortrokken van Clotilde’s lievelingsodeur … er was niet eens een minnend hart noodig om tusschen de regels door te lezen, wie achter mevrouw Verschuere’s stoel stond, toen het een na het ander drie van die rooskleurige vellen beschreven werden.

Een dikke brief aan Nita’s adres ontvangen, nog vóór de rooskleurige verzonden was, bewees, dat niet, zooals ze beweert hadden, de vrouwen het monopolie hebben van zulke invallen. Onder nadere goedkeuring werd nu deze correspondentie voortgezet [224]met een ijver, die op den duur wel wat lastig dreigde te worden voor de geheimschrijfster.

Weinig vermoedde Clotilde, toen ze zich meer en meer overgaf aan de zalige gewaarwording van te beminnen en bemind te worden, weinig vermoedde ze dat dit juichend ontwaken van een rein meisjeshart, dit verlangend uitzien naar een schoone toekomst er veel toe bijbracht om de verandering te bewerken, die van dag tot dag met haar gast plaats vond.

Uren lang kon Verschuere daar liggen droomen, de half geloken oogen gericht op de bergen in het verschiet, blauwe wolkjes blazend in de nog blauwer lucht. ’t Bleef hier ’s morgens zoo stil, zoo koel, zoo rustig … er kwamen geen boodschappen van Zijn Excellentie, geen kommiezen om stukken, geen ambtenaren om voorspraak; hij kon zich weer eens overgeven aan zijn gedachten, weer een innerlijk leven leiden, niet telkens gestoord door invloeden van buiten. Voor het eerst sedert langen tijd had hij geen haast, werd hij niet voortgedreven door het denkbeeld hoeveel er nog moest worden afgedaan. ’t Scheen hem nu weer de moeite waard om te praten over kleinigheden; hij kon lachen om grappen, die hij op Buitenzorg flauwiteiten zou genoemd hebben; hij las voor het eerst sinds langen tijd iets wat geen betrekking had op koloniën of regeeringszaken; hij kwam bij een aandoenlijke passage tot de ontdekking dat hij ook nog zoo iets bezat als een hart; zijn geest was niet vermoeid meer; uit zijn oog verdween die verstrooide blik, die zoo menigmaal over Nita’s teêre schoonheid was heengegleden zonder ze te zien.

Onvermengd en ongestoord genoot hij het heerlijk vacantiegevoel dat wij, arme werkmachines der negentiende eeuw, zoozeer behoeven. En zelden werd een vacantie zoo goed gebruikt, om een man er aan te herinneren dat er veel is wat het leven waard maakt om geleefd te worden, als de beide vriendinnen haar gebruikten, elkander aanvullend, gesteund door al de genoegens die een verrukkelijk klimaat, een liefelijke omgeving, een door goeden smaak verfijnde weelde geven kan.

Freule Van Waliënhove was verwonderd over Verschuere zooals ze hem nu leerde kennen; zijn vrouw geenszins. Integendeel, sinds lang had ze geleefd in een staat van pijnlijke verbazing; sinds lang had ze zich afgevraagd of het niet een bange droom [225]was die haar kwelde, als ze die trotsche gestalte zich krommen, dat statige hoofd buigen zag; als ze de lippen, die eenmaal spraken van hooger, beter streven, zich zagen bezoedelen met vleierij, met onwaarheid, met kouden spot, en ’t was haar of ze nu eindelijk ontwaakte uit dien bangen droom. Voor een kalme, praktische, koel verstandige vrouw zou het onmogelijk geweest zijn, weg te redeneeren wat een driejarig verblijf op Buitenzorg leerde; de feiten, gelijk ze daar voor haar lagen, te veranderen, te verontschuldigen tot ze niet meer schenen te bestaan; de waarheid te omsluieren tot al haar naakte, scherpe hoeken verdwenen waren; maar aan vrouwen, die beminnen als Agnita, is in grooter mate dan aan haar minder gevoelige zusteren de gave geschonken van gelooven, de gave van met het licht harer liefde te verhelderen wat donker, met de kracht harer teederheid op te te heffen wat gezonken scheen.

En misschien zijn die dwepende vrouwen in haar ongeschokt geloof dichter bij de waarheid dan de koel beredeneerde; immers een innerlijke stem zegt haar, dat onder de vele dikke lagen van het stof en gruis der aarde een bodem ligt, rijk aan het zuiverste erts; zegt haar, dat het haar reine handen zijn die de lagen van stof en gruis kunnen wegnemen, om het kostbaar metaal aan het licht te brengen.

Agnita’s geloof werd niet beschaamd. Langzamerhand, onder het ruischen van den bergwind en het fluisteren van lieve stemmen, onder het wekken van goede gedachten en dierbare herinneringen brak ook in het zieleleven van Gustaaf Verschuere het oogenblik aan, dat aanbreekt in het zieleleven van de meesten onzer, het oogenblik waarin we plotseling stilstaan op den weg dien we betreden, en ons afvragen of dit wel de goede weg is, of we ons wellicht bedrogen hebben, of het niet een dwaalspoor was waarop we voortgingen met zoo haastigen tred.

Nu, nu we twijfelen, gevoelen we plotseling vermoeienis, vermoeienis ten doode toe, en pijn aan onze voetzolen, en honger en dorst, en hoe de koude nijpt, of hoe de zon brandt … nu bedenken we op eens hoeveel we reeds verloren op dien tocht, dat ons was meegegeven door zorgzame handen en wel waard te worden meegedragen—al scheen het somtijds onzen gang te belemmeren. [226]

Helaas! wat hebben er tal van bloemen gebloeid langs het pad door ons afgelegd, bloemen van jeugd en liefde, die we ons niet den tijd gunden te plukken; wat zijn we ze haastig voorbij gegaan, zonder lach of groet, de kinderen die kransen vlochten in den tuin en er ons zoo gaarne mee zouden getooid hebben; wat hebben we ze dom vermeden de knapen en meisjes, die dansten in de weide en ons noodden om deel te nemen aan hun spel; waarom hebben we niet neergezeten in de vroolijke rustoorden, waarom niet gestoeid en gekoosd in de stille prieelen?

Ach! wat zouden we gaarne terugkeeren! Helaas, de bloemen zijn verflenst en de kinderen spelen niet meer en in de prieelen hebben anderen plaats genomen.

Maar was dan ten minste de prijs waarnaar we jaagden al die opoffering waard? Zullen we aan den eindpaal een belooning vinden, die zooveel gemis vergoedt?

Met ontnuchterden blik beschouwt Verschuere het bestaan dat hij nu sedert jaren leidt. Niet meer zichzelf, maar het werktuig van meesters machtiger dan hij, gekluisterd aan de schrijftafel, slaaf van de pen, meer nog slaaf van verordeningen en reglementen, steeds vreemder wordend aan wat de wereld en de maatschappij en het menschelijk streven belangwekkend maakt, om op te gaan in het werk dat hem hier, in de natuur, zoo droog en ondankbaar schijnt: gouverneurs-generaal te helpen in het ten uitvoer leggen van den wil der steeds wisselende ministeries.

Ze gaan aan zijn geest voorbij, de ambtenaren in den dienst der koloniën, die hij beurtelings heeft zien optreden in de hoogste betrekkingen. Meest waren ze oud en grijs voor ze den eindpaal bereikten, vermoeid van den langen tocht, knorrig over de hinderpalen hen in den weg gelegd, teleurgesteld dat de prijs, die hen uit de verte tegenblonk als goud, slechts verguld koper bleek.

Maar dat waren nog de gelukkigsten. Als ze niet oud waren en niet vermoeid, als ze het doel van hun streven bereikten, nog gewapend met hun geheele uitrusting van overtuiging en beginsel, van plannen en idealen, dan waren ze de een na den ander gevallen, afgemat door sleur, geknot door bureaucratie, verlamd door kleingeestige tegenwerking, vermoord door gezag.

Ze gingen aan hem voorbij, de oost-indische ambtenaren in ruste, zooals hij ze bij honderden had ontmoet in Neêrlands residentie. Oud-leden in den raad van Indië, oud-excellenties, oud-directeuren, [227]oud-generaals, die niets meer waren, van wie de Hollanders, die overal meer belang in stellen dan in de koloniën en hunne bestuurders, niet eens weten dat ze verdienste hebben jegens den staat, wien de straatjongens het als een scheldwoord durfden naroepen, wanneer hun tint sprak van een verblijf in Indië.

Wat was ze, welbeschouwd, de hoogheid die in het niet verzinkt op den morgen dat men Java’s strand verlaat? de roem die—tenzij ze op het slagveld werd behaald—taant waar de indische zon ophoudt ze te beschijnen? Wordt de naam van wie nog zoo kleinen dienst bewees aan de wetenschap niet honderd malen verder gebracht door de faam? Ondervindt eenig Nederlander zoo weinig dank van zijn volk als de Nederlander die voor het belang van dat volk werkte onder de tropen? Meent men niet dat hij ruim beloond werd met zijn traktement, dat zoo groot schijnt aan wie het leven in Indië niet kent, met het pensioen dat zoo klein is voor wie er van moet bestaan in Holland?

Midden onder zijn gepeins kwam een zachte hand de zijne zoeken. »Manlief,« vroeg Agnita, »heb je me laatst niet gezegd dat je pas over acht jaar kunt teruggaan?«

»Over acht jaar min zeven maanden. Waarom vraag je dat?«

»Dat is nog lang, vin je niet?… acht jaar!«

»Min zeven maanden.«

»Wat weet je dat precies! Verlang je soms ook?«

»Och, welk mensch heeft niet wel eens een oogenblik dat hij verandering wenscht? Maar we mogen niet ondankbaar zijn; Indië is een goed land. Kijk eens voor je uit, kind, waar vin je dat?« en hij wijst op den Gedeh, die voor hen ligt, met de sawahs over zijn terrassen gespreid als licht fluweelen kleeden op mollige divans.

»Ja, prachtig,« stemt ze toe. »Maar … Holland was toch ook wel lief! Vooral Gelderland. Je vondt het heel mooi, dat heb je zelf gezegd.«

»O, zeker. Maar we zouden er ons op den duur toch vervelen.«

»Wij ons vervelen! Och kom, zich vervelen doen alleen menschen die niet genoeg ontwikkeld zijn om zich bezig te houden. We houden beiden van studie, van kunst, van muziek, van reizen; dan verveelt men zich hier misschien, in Europa nooit; integendeel [228]men waardeert meer en meer het groote voorrecht van door zijn fortuin in staat te zijn zich aan zijn liefhebberijen te wijden.«

»Ik zou me trouwens altijd als advokaat kunnen vestigen.«

»Ja juist. Op een of ander lief plekje, niet al te ver van Bloemduin. Wat zouden ze dat thuis prettig vinden!«

»En de tantes! Wat zouden die gelukkig zijn!«

»En ik,« fluistert Agnita nauw hoorbaar.

Dan sluit ze de oogen voor den Gedeh in zijn heerlijkheid en droomt van Bloemduins dennewouden.