[Inhoud]

XXX

JAMES ALS JOBSBODE.

Het is vijf uur in den namiddag en droog; iets wat niet elken dag gebeurt op Tjipanas; men heeft er dan ook dadelijk gebruik van gemaakt om niet, als naar gewoonte binnen, maar in de voorgalerij thee te drinken, en druk pratend letten de theedrinkers ter nauwernood op de enkele voorbijgangers, tot een karretje in volle vaart den heuvel komt afvliegen, om stil te houden voor het landhuis.

»James!« roept mevrouw Verschuere, en dan, terwijl alle kleur wijkt uit haar gelaat: »De boodschap van den gouverneur!«

De boodschap van den gouverneur … ze hebben er haar om uitgelachen, Gustaaf en Clotilde; haar gezegd hoe ze een kind geleek, dat op visite is en telkens angstig uitkijkt of de meid misschien reeds komt om haar te halen, maar toch, nu gevoelen ze beiden dat haar vrees op het punt staat bewaarheid te worden.

»Alles wel?« vraagt Clotilde, terwijl ze den onverwachten gast een kop thee begint in te schenken.

»Neen, alles even akelig!« roept James, in zijn oprechtheid soms vleiender dan menig hoveling; »alles even akelig sinds u weg zijt. Zijne Excellentie is stil en gedrukt, mevrouw minder goed gehumeurd, de jongens doen het onmogelijkste kattekwaad, wij adjudanten loopen rond als âmes en peine, de diners zijn verschrikkelijk; niet om door te komen met dat onheilspellend [229]zwijgen … Ik dankte den hemel toen ik de opdracht kreeg hierheen te gaan … O ja, dat heb ik nog niet gezegd: onder nadere goedkeuring der dames ben ik belast met de aangename taak haar tot cavalier te verstrekken.«

»Dus moet Verschuere weg?«

»Helaas ja, Nita. Men heeft je man hoog noodig op Buitenzorg. Er is werk aan den winkel. Sinds een paar dagen hadden we al gemerkt dat er iets broeide—je weet, de nieuwsgierigheid is een deugd, die we druk beoefenen in het adjudantengebouw.—Nu van morgen hebben we het groote nieuws eindelijk gehoord.«

»En?« klinkt het van drie kanten.

»Daar je het in alle couranten lezen kunt, acht ik niet noodig er een geheim van te maken: de begrooting is afgestemd.«

»De begrooting afgestemd!« herhaalt Verschuere. En dan met een plotseling geheel veranderd gelaat: »Dat is een slechte tijding.«

»Nu valt het ministerie ook, niet waar?« vraagt Clotilde, die niet zeer bedreven is in politiek.

»Natuurlijk.«

»Dat zal papa spijten. En u ook, mijnheer Verschuere. Het was uw oom en zijn allerprettigste manier van zaken te behandelen, die papa verzoende met veel wat hinderlijk had kunnen worden zonder hem.«

»Het ergste is dat de partij, die nu op het kussen komt, geheel andere denkbeelden aanhangt dan die uw vader met zooveel ijver dient … Dit is een hoogst gewichtige gebeurtenis, freule, die op het politiek leven van Zijn Excellentie grooten invloed zal uitoefenen.«

»Nu begrijp ik, waarom je met zoo’n biddersgezicht uit je karretje stapte, Van Suylichem,« zegt het meisje met een poging tot opgeruimdheid.

»Je komt ons niet alleen mijnheer Verschuere weghalen … want u vertrekt zeker spoedig?«

»Ja, freule, ik ben besloten morgen vroeg terug te gaan.«

Hij legt zijn hand op die van Nita, als om haar te troosten en laat die hand daar. Dan keert hij zich tot den adjudant.

»Heb je nog meer zulke vroolijke berichten meegebracht?«

»Ja, Hooglaan heeft ontslag gevraagd.«

»Hooglaan! Ontslag? Onmogelijk!« roepen de dames. [230]

»’t Is toch zoo. Hij heeft een wenk gekregen; men zegt zelfs een zeer duidelijken wenk. Je moet weten, er wordt heel vreemd over gesproken; onder anderen beweert men dat hij anonieme brieven zou hebben geschreven.«

»Wat een dwaasheid!« lacht Clotilde, »wie doet dat nu!«

»Wat er van zij, een daarvan moet—door iemand die hem wou ontmoeten—Zijn Excellentie in handen zijn gespeeld in plaats van de persoon voor wie hij bestemd was.«

»En wie was die persoon?« vraagt Clotilde weer. »Zeker een jonge dame. Toe, vertel dan toch! Hoort u dat, mijnheer Verschuere, Hooglaan geen adjudant meer!«

»O zoo?« vraagt de algemeene secretaris, zich eindelijk losrukkend uit zijn gepeins, want hij is al dien tijd ver weg geweest in ministerraad en Tweede Kamer.

»Het ergste is, dat hij naar zoo’n vreeselijken buitenpost wordt gestuurd,« roept James: »och hoe heet het ook weer? Enfin, iets afschuwelijks: anderhalve Europeaan, de dames schitterend door afwezigheid, een bevolking, die wat Hooglaan gewoon is het indisch nachtkostuum te noemen, veel te gekleed vindt …«

»De slechtste plaats is nog te goed voor dien spion,« mompelt Verschuere.

»U zult wel zeggen dat ik op een hollandsche courant gelijk, zooveel akeligheden heb ik te vertellen, maar … ik mag het toch niet verzwijgen. De Te Leurses zijn te goede kennissen …«

»Betreft het Amalia? Is ze … Heeft ze?«

»Den lang gevreesden coup de canif door haar huwelijkscontract gegeven, bedoel je? Neen, dat niet. Ofschoon ik betwijfel of dit erger zijn zou, dan wat er nu gebeurd is. ’t Schijnt dat ze te veel geld hebben verteerd: haar mooie toiletten en fijne dineetjes, zijn onzinnig hoog wedden bij de races, hebben de aandacht getrokken … Niet waar, men vermoedt bij een officier van administratie allicht zoo iets? Om kort te gaan, ’t is gebleken dat hij ’s lands gelden heeft gebruikt.«

»Groote God! Is ’t mogelijk?« roept Verschuere.

»Arme, arme vrouw«, zucht Agnita.

»Maar er is toch niets bewezen? ’t Is nog maar een vermoeden niet waar?« vraagt Clotilde, vreeselijk ontsteld.

»Ik vrees van niet, freule! Hij zit in preventieve hechtenis.« [231]

»En zij? O, wat moet er van haar worden? Was ik maar daar.«

»Wees gerust, Nita. Mevrouw Paerel is dadelijk naar haar toegereden en heeft haar meegenomen naar huis.«

»Gelukkig! Niet waar, kind, anders had ik je niet uit je hoofd kunnen praten, dat je op stel en sprong naar Buitenzorg moest? Maar weet je wel, James, dat dit een mooie trek is in mevrouw Paerel? Ze heeft een hekel aan Amalia; ze heeft het alleen gedaan om haar van erger terug te houden, daar ben ik zeker van.«

»En hoe … hoe nam mama het op?« vraagt Clotilde straks.

»O, doodkalm. Mevrouw Van Waliënhove zeide dat ze het lang had zien aankomen,« antwoordt de adjudant.

»Zei ze dat?« roept Clotilde, en haar donkere oogen schieten vuur. »Maar mijn God! ze moet het toch weten, dat het alles haar schuld is, dat zij hen zoo ver heeft gebracht!… Zei ze dat? O, Nita, herinner je je nog die eerste soirée? Wat was het toen een lief paartje; hij zoo innig goed voor zijn mooie vrouw, zij zoo eenvoudig en bescheiden. Ze wou geen comedie meer spelen: ze wou geen roem meer, alleen de goedkeuring van haar man! Herinner je je, wat ze gezegd had toen mijnheer d’Hannecour haar kwam vragen om op te treden: »Weten ze het hier ook al? Mijn God, moet ik dan mijn geheele leven dat »Nederlandsche Tooneel« achter me aansleepen als een veroordeelde zijn kogel?« Maar mama had iemand noodig die reciteeren kon … ze heeft haar gedwongen, ze heeft gedreigd hen te laten overplaatsen naar Atjeh … en die twee jonge levens zijn verwoest! Nita,«—de groote brandende tranen, zoo lang weerhouden, stroomen nu over het bleek gelaat—»je wilt haar zeker schrijven, morgen … ik verzend dadelijk een brief aan papa; wij moeten helpen, het is onze schuld!«

Als een uur later de lampen ontstoken zijn, Van Suylichem bij eene illustratie is ingedut, Clotilde met koortsachtigen haast voortschrijft aan haar brief, komen de heer en mevrouw Verschuere te voorschijn uit het logeergebouw en wandelen den grooten weg op.

Het is niet wat men in Indië een mooien avond noemt. De maan is in haar eerste kwartier, de omtrekken der bergen zijn nevelachtig, de wolken grauw en donker, maar er stijgen vriendelijke geruchten op uit de dessa: er is een geheimzinnig ritselen [232]als van teedere ontmoetingen in het geboomte … het is een avond voor man en vrouw om hand aan hand te gaan, een avond om hoog boven het klokje dat tot scheiden roept een ander klokje te hooren van ver over den oceaan, het klokje dat van de dorpskerk luidde, toen de handen, die nu elkaar zoeken, werden ineen gelegd.

»Ben je hier dan zoo gelukkig geweest, liefste?« vraagt hij.

»Ja, onbeschrijfelijk gelukkig! O, ik wenschte dat het nog een klein poosje had kunnen duren en dat ik dan … had mogen sterven.«

»Sterven? Dwaasheid. Ik wou je juist het tegenovergestelde voorslaan. Ik wou leven, een nieuw leven beginnen, een leven met en voor elkaar!«

»Dat kan immers niet met deze betrekking.«

»Het moet kunnen. Ik zal me terugtrekken uit al die regeeringszaken. ’t Helpt nu toch niet meer: ’t is zelfs de vraag of Van Waliënhove zal kunnen staande blijven … Ik beloof je, van nu af wil ik meer voor je wezen, Nita; we zullen er den tijd afnemen om gelukkig te zijn!«

»En … verliefd!«

»En verliefd. Maar dan moet je me één ding beloven. Je moet rustig hier blijven, tot je weer sterk bent en gezond. Voor mij komen drukke dagen. Maar wanneer die voorbij zijn, dan, ik beloof het je, dan zal ik alles voor je wezen.«

Als ze lang daarna te zamen den salon betreden, ontwaakt Van Suylichem uit zijn dutje met een kreet van verrukking.

»Wel, Nita, wat zie je er goed uit! Wat ben je bijgekomen! Ik dacht het van middag zoo niet: maar ’t is bepaald kolossaal. Goddank, nu kan ik weer naar Bloemduin schrijven; ’t is me in geen half jaar gebeurd.«

»Foei. James!«

»Ja. Wat moest ik doen? Er om jokken wou ik niet, de waarheid zeggen kon ik niet.«

»Enfin, ’t is nu voorbij. Ik ben nu volmaakt wel.« [233]