[Inhoud]

XXXI

GEVAREN VAN EEN INDISCH BOSCH.

De linten harer muts zedig om de driedubbele kin gestrikt, de dikke witte handen in den reusachtigen schoot gevouwen, verklaarde juffrouw Kwake, dat nu mijnheer Verschuere weg en die levenmaker in zijn plaats gekomen was, ze vreesde heel wat te stellen te krijgen met het »jonge goedje«. Maar Marie, de mooie kamenier en Jansen, de aardige opzichter—die bijzondere redenen hadden om een niet al te groote waakzaamheid bij juffrouw Kwake te wenschen—noodigden haar om een glaasje sherry te drinken, wèl wetend dat ze alleen de wereldsche zaken zoo ernstig opnam, als ze zich nog niet bemoedigd had. Daar ze zich meest vier- of vijfmaal daags bemoedigde, had niemand reden om in haar de duenna te zien; er werd gecroquet, gebiljard, ja, zelfs een enkele maal, met de nu geheel herstelde kleintjes van mevrouw Huntvelt, blindemannetje gespeeld op het gazon.

Wel vroeg Clotilde, nog min of meer Heine-achtig gestemd, zich soms af, of ze niet aan vlagen van zwaarmoedigheid moest lijden, en hinderde haar de gedachte dat Van Beevelant nu blootstond aan al de vinnigheid der stiefmoederlijke aanvallen; maar daar meldde de courant dat »Zijne Excellentie besloten had om, ter bevordering van land- en volkenkennis bij zijne zonen, hen onder leiding van hun gouverneur een reis te laten maken over Java!«

Toen het bericht bevestigd was door een langen brief aan het adres van mevrouw Verschuere, zette Clotilde zich dadelijk tot schrijven, om papa te bedanken voor wat ze zijn »subliem idée« noemde. En ’t was uit den grond van haar hart dat ze er bijvoegde:

»Ik weet, vadertje, dat het eigenlijk niet behoort voor een geëngageerd paar, dat ze zich zoo goed weten te schikken in de scheiding, maar Frans’ brieven aan Agnita zijn opgewekt, zelfs vroolijk, en wat mij betreft, ik ben tevreden, om niet te zeggen gelukkig. Vreemd, niet waar? Of zou het misschien komen doordat wij niet zooveel behoeven te vragen van het heden als anderen wie de toekomst niet het hoogste en beste belooft?« [234]

Ook mevrouw Verschuere had weinig te wenschen overig na dien laatsten avond met zijn schoone beloften; alleen zou ze op haar brieven gaarne een ander antwoord ontvangen hebben dan korte epistels in telegramstijl. Maar ze wist dat er dezer dagen over groote belangen en moeielijke kwesties werd gehandeld in het kabinet van den landvoogd, en troostte zich met het denkbeeld dat een crisis nooit lang duren kan en het na de crisis alles anders worden zou.

Bijna dagelijks werden uitstapjes ondernomen, grooter naarmate reeds bezocht was wat in de buurt lag, prettiger naarmate men zich beter leerde wapenen tegen de regenbuien, die, ofschoon te verwachten in dezen tijd van het jaar, altijd onaangename verrassingen bleven; gemakkelijker naarmate men zich gewende aan de wegen, die reeds den invloed begonnen te vertoonen van den westmousson.

Sinds lang was er sprake van een tochtje naar de watervallen van Tji Burm, maar telkens kwam er iets tusschenbeide. Toen eindelijk een dag bepaald en de morgen van dien dag aangebroken was, wenschte men elkaar geluk het zoolang te hebben uitgesteld; men trof een bedekte lucht. Een bedekte lucht! het eenig denkbaar geval dat bij het oostersch klimaat een buitenpartij genot kan zijn; de tropische natuur zonder brandenden zonnegloed, ’t is of men een geestige vrouw aantreft in zachte stemming; nu men de pijlen van haar vernuft niet heeft te vreezen, kan men eerst de gaven van haar hart, de schoonheid van haar gelaat waardeeren.

Men had afgesproken klokslag zeven te vertrekken, en daar er drie dames meegingen—waarvan eene kleintjes achterliet—was het dus over half acht alvorens men op weg kon gaan.

Het gezelschap bestaat uit mevrouw Huntvelt, wier kinderen, dank zij het heerlijk klimaat, geheel hersteld zijn en die, nu eindelijk van zorg bevrijdt, haar jong hart en jong gezichtje terugvindt bij al de genoegens die de dames van Tjipanas haar aandoen; de heer Paerel, die, op weg naar zijn proeftuin, zich gaarne aansloot bij het vroolijk clubje; een overste van de marine, oud vriend der Van Waliënhove’s, die op Sindanglaya logeert tot herstel zijner in het vroolijk Batavia geschokte gezondheid, en Van Suylichem met zijne beide dames.

Het is nog vrij koud en dus besluit men te beginnen met een [235]wandeling, om dubbel te kunnen genieten van dat overschoon panorama, een tropisch landschap, langzaam rijzend uit den morgendamp. Maar mevrouw Huntvelt is een Amsterdamsche en vindt dus een bergpad vermoeiend, de overste, die liever niet bekent dat hij geen twintig, ja zelfs geen veertig meer is, houdt zich of hij zijn voet gestooten heeft en beiden beklimmen de paardjes. Weldra volgt Clotilde met haar cavalier hun voorbeeld: zij wenschen binnen den kortst mogelijken tijd boven te zijn, om daar van het vergezicht te genieten vóór de stijgende zon dit verhindert.

Mevrouw Verschuere is uit den aard der zaak de laatste bij een gelegenheid als deze: paardrijden werd haar verboden, van een voertuig kan geen sprake zijn bij de smalle bergpaadjes; dus moet ze gedeeltelijk wandelen, gedeeltelijk per draagstoel het doel van den tocht trachten te bereiken. Bevreesd tot last te zijn, stelt ze dikwerf voor thuis te blijven, maar ze moet altijd eindigen met aan den algemeenen drang toe te geven en meegaan, wat ze met een dankbaar lachje gaarne doet: ’t is zoo’n heerlijke gedachte dat ieder wat wil opofferen om haar genoegen te geven.

James rijdt stapvoets voort naast haar tandoe, zonder die ook maar één oogenblik te verlaten, men vindt dat door de gewoonte natuurlijk; alleen de overste, vreemdeling in de Buitenzorgsche wereld, verwondert zich reeds sedert verscheidene dagen over de verhouding »van die twee luidjes« en hij zet nu zijn paard in draf om Paerel in te halen, met het doel daaromtrent eens iets naders te hooren.

De directeur glimlacht medelijdend, bijna spottend.

»Hoe komt u op het denkbeeld, overste?«

»Ik mocht eer vragen hoe u niet op het denkbeeld komt.«

»’t Is neef en nicht, eigen zusters kinderen, te zamen grootgebracht!«

»Wat bewijst dat?«

»Maar ik zeg u, dat er geen kwestie is van zoo iets! ’t Idee! mevrouw Verschuere, die zoo geheel opgaat in haar Gustaaf?«

»Zoo?« vraagt de zeeman. »Dat doet me pleizier.« Straks, na een lange pauze, waarin zijn gedachten terug gingen naar een veelbewogen tijd in zijn eigen leven, vraagt hij: »En het jonge mensch?« [236]

De heer Paerel ziet juist een plantje aan den weg, dat hem bijzonder veel belang inboezemt, hij vergeet te antwoorden en de overste rijdt verder.

»Wonderlijk toch!« peinst hij. »Als iemand twee kinderen met vuur zag spelen en hij waarschuwde het meisje, maar liet den jongen zijn gang gaan, zou men dat onverantwoordelijk vinden; in een geval als dit denkt ieder aan de vrouw, niemand aan den man. Alsof die geen kwaad kon!«

Er gaat in de stilte van den morgen een vroolijk rumoer op uit de kleine cavalcade: de paardjes schijnen niets liever te wenschen dan deel te nemen aan dit pleiziertochtje en hinneken nu eens in koor, dan weer in solo; de koelies, gewoon aan draagstoelen, belast met dames die van taille niet zoo jeugdig zijn als van hart, wenschen elkaar geluk met het lichte vrachtje; de Soendaneesjes, die achteraan komen en de manden vol etenswaren dragen, doen dit zoo welgemoed alsof ze meenden dat de inhoud voor hen bestemd was.

Zoo een van hen die illusie koesterde, zou ze hem spoedig benomen worden; men was nog geen uur op weg of er werd halt gehouden, om wat de gelukkigen der aarde »een vreeselijken honger« noemen, te stillen. Het was niet overbodig dat men zich een weinig versterkte, want ofschoon het koel en frisch bleef, werd de inspanning met ieder oogenblik grooter, de weg steil en moeilijk, glad van de gevallen regens, op sommige punten door kuilen en onverwachte hinderpalen zelfs een weinig gevaarlijk.

Clotilde, die haar eigen vos bereed, had moeite het vurig dier over de smalle bamboebrugjes heen te krijgen; mevrouw Huntvelt, even Amsterdamsch nu het op rijden als toen het op loopen aankwam, gilde letterlijk van angst zoo dikwerf haar paardje uitgleed, wat nog al eens gebeurde; de heeren hadden handen vol werks; de koelies, die de tandoe droegen, verwisselden elk oogenblik van schouder, zetten haar telkens neer, bliezen en hijgden als postpaarden.

»Ik wed dat je medelijden met hen hebt?« vraagt James lachend, als Nita zegt dat ze liever wil uitstappen.

»Neen, maar het zien van hun inspanning hindert me. Ik zou me laten dragen als ik niet loopen kon, nu is het niet noodig. [237]Vin je goed dat ze met je paard en de tandoe vooruitgegaan? Dan kunnen wij langzaam volgen.«

Zij waren nu in het woud. Een leger van reuzen, maar ook een slagveld vol gevallenen, een tuin met purperen bloesems en sneeuwwitte orchydeeën, met ragfijne varens en wonderschoone boschvruchten, een bodem bedekt met vergankelijkheid, gifplanten en reptielen, en om en door dat alles een net van lianen, rottans en slingerplanten, het kleine verstikkend, zich vastklampend aan het groote, de levende en de dooden omvattend in één groote omhelzing.

Er is iets geheimzinnigs in dat werken eener grootsche natuur, iets meêdoogenloos in dat vergaan en vernietigen … de jongelieden hooren hunne voetstappen, het ruischen der dorre bladeren, als de zoom van Agnita’s kleed ze beroert; zoo eenzaam is het rondom hen, dat als nu of dan de slag van een vogel weerklinkt boven hunne hoofden, ze opschrikken van dit geluid; zoo eenzaam, dat Nita het gelach en gepraat, haar straks een ergernis, terugwenscht, liever dan deze verlatenheid, deze stilte.

»Zoo ernstig?« vraagt James en ziet haar in ’t gelaat.

»Wie zou hier niet ernstig gestemd worden?« antwoordt ze en tuurt met droomerigen blik naar de blauwe lucht, die het bladerdak hier en daar laat doorschemeren. »Hoor je dat, heel in de verte, dat donderend beuken van de watervallen op de rotsen? Is het niet als een stem uit andere oorden?«

Ze staan een oogenblik stil om te luisteren. Daar weerklinkt, dicht bij hen, de klagende roep van de woudduif, straks beantwoord door het teeder gekir van zijn gaaike.

Met den wrevel, die hem soms aangrijpt in het bijzijn van Agnita, roept James: »Hoor je dat? Ik dacht dat het hier te hoog was voor de liefde!«

»Te hoog voor de liefde?« vraagt ze verwonderd over zijn gezegde, maar meer nog over den korten, schellen lach, waarvan het vergezeld ging. »Te hoog voor de liefde? Neen, juist een plekje er voor: zoo ver van de aarde, zoo dicht bij den hemel!«

De jonge man antwoordt niet. De muziek harer stem boeit hem, maar ternauwernood begrijpt hij wat ze zegt, zoo wild jaagt en bruist het in hem. Ver van de aarde! dicht bij den hemel! God … hij was nooit dichter bij de aarde! [238]

Straks, als ze een kleinen heuvel hebben bestegen en ze een oogenblik leunen blijft op zijn arm, om adem te scheppen, ziet ze hem toevallig in het ontroerd gelaat.

»Wat scheelt er aan?« vraagt ze bezorgd. »Er is toch niets dat je hindert? Kom, kijk eens om je heen. Ik zou anders haast gaan gelooven, dat het niet aan je besteed is.«

Ze heeft gelijk; het is niet aan hem besteed; hij ziet niets van de heerlijkheid rondom zich, hij ziet in geheel deze groote ruimte slechts één kleine stip, hij voelt slechts den arm die in den zijnen ligt, den warmen adem, die heenstrijkt over zijn gelaat, het fijne handje dat zijn schouder zoekt, zoo vaak ze steun behoeft—en niets, niets anders!

»Laat me vooruit gaan,« vraagt hij straks. »Laat me de anderen roepen.«

»Ik vrees dat ze te ver weg zijn om ons te hooren.«

»De koelies dan, om je te dragen.«

»Nu reeds?… ’t Is waar, het vermoeit je misschien me zoo voortdurend vast te houden.«

»Me vermoeien?« roept hij. Maar dan schor en vreemd: »Ja.«

Dat de vrouw, die een groote liefde koestert, zoo ongevoelig wezen kan voor wat ze in anderen wekt! Dat het geluk van zich door haar echtgenoot bemind te weten zelfs een ziel, zoo sympathiek als de hare, vreemd kan maken aan den strijd van een vriend; dat ze zoo ziende blind, zoo hoorende doof kan zijn! Beleedigd door dat korte »ja«, roept ze nu zelve:

»Djan! Djan! Djan!« ’t Is de naam van den jongen, aan wien James zijn paard vertrouwde.

Maar er komt geen antwoord.

Is het de eenzaamheid, die haar nu op eens begint te beangstigen? Of misschien de brandende gloed der hand, die haar wordt toegestoken bij het overgaan van wankelende bruggetjes, het vermijden van poelen of plassen? Of misschien dat die hand de hare nog vasthoudt wanneer ze geen steun meer behoeft?

Wat er van zij, haar stem trilt en haar gelaat kleurt zich met hooger blos, terwijl ze zenuwachtig uitroept: »Ik vind het niets aardig van de anderen, ons zoo aan ons lot over te laten.« En straks, als hij niet antwoordt, maar haar blijft aanzien met dien vreemden blik: »Ik wou dat we bij hen waren.« [239]

»O, we zullen ze dadelijk inhalen. Daar ben ik zeker van.«

Hij brengt beide handen aan den mond en roept uit alle macht, schreeuwt als een bezetene. Want gevoelt zij slechts een onbestemde vrees, hij weet wat het gevaar is dat hen dreigt, hij kent het aan den woesten drang, waarmee het bloed hem naar hoofd en hart vliegt.

»We moeten geduld hebben, Nita … Waarom loop je zoo hard? leun meer op me … Nita … je bent toch niet bang?«

»Neen, dat niet; maar..«

»Maar je wordt moe. Hou me steviger vast, ’t is hier zoo glad en een beetje gevaarlijk met het ravijn.«

»Roep nog eens; wil je?«

Hij gehoorzaamt, maar het blijft stil.

Straks moet hij de gestalte, die beeft van overspanning en met elk oogenblik zwaarder leunt op zijn schouder, omvatten, om haar voor vallen te behoeden.

»Vin je het niet akelig, James?« vraagt ze in haar angst, »vin je het niet akelig zoo met ons beiden in dit groote bosch?«

»Akelig?« hijgt hij. »O neen! zalig …«

Nu begrijpt ze. Op eens. Alsof een gordijn werd weggeschoven van voor haar oogen.

»God! Nita! laat me niet lost het ravijn … God! mijn lieveling!«

Hij heeft haar gegrepen, in zijn armen gehouden, aan zijn borst geklemd …

»O, James!«

Er is in dien uitroep een droefheid, een teleurstelling zóó groot, dat hij op eens tot het volle besef komt van zijn onvoorzichtigheid; hij laat haar los, en wanneer ze nu doodsbleek, bevend over al haar leden, leunt tegen een boomstam, verwijdert hij zich langzaam met gebogen hoofd en het gevoel van een misdadiger.

Als hij een oogenblik later hoort hoe ze een zwakke poging doet om te roepen, schreeuwt hij met bijna bovenmenschelijke kracht.

Nu, nu het te laat is, komt er antwoord. Van meer dan één kant klinken stemmen. Uit de verte komt het geluid tot hen van een paard, dat in draf nadert. [240]

James is teruggekeerd op zijn schreden. »Nita, één woord! Ik bid je Nita, vóór de anderen komen …«

Ze ziet hem aan met droeven blik. »Je hadt gelijk, James,« zegt ze langzaam, fluisterend bijna, »je hadt gelijk; het is hier te hoog voor de liefde … zooals jij ze begrijpt ten minste.«

Dan wendt ze het hoofd naar den heer Paerel, die komt aanrijden zoo vlug de weg zulks toelaat.

»Eindelijk!« roept de directeur. »Waar blijft u toch? we werden ongerust, de anderen wachten bij de grot …«

»Onze koelies zijn weg, geloof ik,« brengt Agnita aarzelend uit.

»Wel neen, die zitten hier achter den heuvel hun strootje te rooken.«

»Iedereen heeft ons in den steek gelaten. Van Suylichem’s jongen …«

»Hij komt daar aan met uw paard, mijnheer Van Suylichem. Ik heb hem gezegd mee terug te keeren. Maar … wat is u ontdaan? En u ook, mevrouw! Er is toch geen ongeluk gebeurd!«

»Ja, een groot ongeluk!« roept James, springt in den zadel en rijdt weg in woesten galop, aan Agnita overlatend zijn wonderlijk gedrag te verklaren.

»We waren bijna in het ravijn gevallen,« begint ze. »James is erg geschrikt en … heelemaal in de war. En ik … ben zoo moe.«

»Wat spijt het me dat we niet bij elkaar zijn gebleven! Maar wie kon ook denken … o, daar zijn ze met den draagstoel!«

Er is veel noodig om den heer Paerel op een denkbeeld te brengen, wanneer dat denkbeeld geen betrekking heeft op zijn vak; hij laat gaarne alle ontdekking, vermoedens en invallen aan zijn Annet over, maar—deze ontmoeting in het bosch verdrijft zoo ten eenemale alle botanische gedachten uit zijn geleerd brein, dat hij een oogenblik ook in andere zaken helder ziet; hij herinnert zich de vermoedens van den overste, brengt die vermoedens in verband met de ontsteltenis der jonge lieden en besluit de tandoe van mevrouw Verschuere niet meer te verlaten.

Als in een droom voegt Agnita zich bij het gezelschap, dat neiging heeft getoond om knorrig te worden over het onverwacht oponthoud, maar deelnemend wordt zoodra ze tot hen komt met haar afgemat gezichtje en gescheurde laarsjes; als in een droom volgt ze hen naar de grot en is zoo diep in gedachten verzonken, dat [241]ze vreeselijk schrikt wanneer het traditioneel pistoolschot wordt gelost om de duizenden vleermuizen, die aan de wanden hangen, te doen opvliegen. Daarop zit ze met de anderen terneer bij de watervallen, die als schitterende sluiers afhangen van de zwarte rotsen, stemt beurtelings Clotilde toe dat het verrukkelijk mooi, mevrouw Huntvelt dat het zooveel angst en vermoeienis niet waard en den overste dat het een griezelig plekje is, veel te kil en te vochtig om er iets anders te willen doen dan dadelijk weer opbreken.

Vrouwen als Annet Paerel oefenen haar invloed uit, ook al zijn ze van haar mannen gescheiden door al de berggevaarten der Preanger. Als men op Tji-Bodas rondom de rijsttafel is gezeten en de gastheer van de dame aan zijn linkerhand slechts verstrooide antwoorden ontvangt; als hij opmerkt dat Van Suylichem drukker praat en meer champagne gebruikt dan dienstig zijn kan, is het hem of een welbekend gezicht zich tot hem keert met vriendelijke bezorgdheid, of de welbekende stem met de hartelijke drukte haar eigen, uitroept: »Daar moeten we iets aan doen, Paerel!«

Dadelijk na het middagmaal wordt een kop koffie gebruikt, haastig, staande, met angstige blikken naar de lucht, die nu wel wat al te bedekt is.

»We moeten voortmaken, freule,« zegt de overste, terwijl hij haar helpt opstijgen: »Ik vrees dat we een nat pak krijgen.«

»Zou het,« vraagt nu de directeur, met het oog op een mogelijke regenbui, »niet best zijn dat elk der heeren een dame voor zijn rekening nam en die zoo gauw mogelijk thuis bracht, zonder zich om het overige gezelschap te bekommeren?«

»Maar u vergeet dat we een cavalier minder hebben dan van morgen,« roept Agnita in waren doodsangst.

»Dacht u werkelijk dat ik eene der dames zonder geleide zou laten teruggaan? Wel, mijn vrouw vergaf het me nooit! Neen, de proeftuin loopt niet weg en wat ik hier te doen heb kan even goed morgen gebeuren als vandaag. ’t Was trouwens dadelijk mijn plan.«

Men meende zich te herinneren dat de heer Paerel dezen morgen andere plannen had, maar men vond het allerliefst.

»Freule, mag ik de eer hebben? Iedere minuut is er een!« [242]roept de overste en rijdt met zijn dame het terras af.

»Mijnheer Van Suylichem, zoudt u zich met de zorg voor mevrouw Huntvelt willen belasten? Dan mag ik wel bij u blijven, niet waar?«

Agnita weet niet of hij iets vermoedt, iets begrepen heeft; daarom is het zeer onvoorzichtig wat ze doet, maar ze kan het niet laten, ze steekt hem haar ijskoud handje toe en zegt: »Dat is lief van u, mijnheer Paerel.«