[Inhoud]

XXXIII

TEN DOODE GEWIJD.

De societeit te Buitenzorg, hoe lief gelegen, hoe smaakvol gebouwd, zou moeilijk kunnen bestaan, zoo niet soms plaats vond, wat heden den kastelein zoo genoegelijk stemt: een groote gebeurtenis, die onder het genot van vele bittertjes moet besproken worden.

Kapitein Van Rossem, de adjudant die Hooglaan verving, kwam dezen morgen met het treurige nieuws van Batavia. Sedert schijnt ieder Buitenzorger ’t zich tot een aangenamen plicht te rekenen, het zonder de hulp van post- of telegraafbode te verspreiden; zoo wat tegen het vallen van den avond kunnen ze hun taak als volbracht beschouwen; vele burgers en alle officieren zijn present op het terras en er wordt maar één naam genoemd; de naam van Te Leurse.

»Die arme kerel! ’t Was anders zoo’n beste jongen.«

»En lang niet dom!«

»Neen, waarachtig niet! Een verlies voor het leger.«

»Nummer één geweest van zijn promotie.«

»Waar hij het pistool van daan heeft gekregen?«

»Had hij ten minste gewacht op de uitspraak!«

»Neen ’t was beter zoo. De feiten zijn van dien aard.…«

»Chut! de man is dood.«

»Men zegt dat allerlei hooge lui voor hem in de bres zijn gesprongen, de hoogste zelfs.« Dit wordt gefluisterd.

»Kassian! pas zes-en-twintig jaar!«

»Nog zoo jong? En al zoo lang getrouwd?«

»Ja, natuurlijk. Als hij niet heel jong geweest was, had hij het zeker niet gedaan. Waar is ze? Nog altijd bij de Paerels? Die zullen ook heel wat te stellen hebben gehad vandaag!«

»Neen, ze is niet meer bij de Paerels.«

Toen de vreeselijke tijding zich verspreidde, hadden de heer en mevrouw Verschuere gemeend dat het op hun weg lag een deel van de zware taak door Annet Paerel zoo vriendelijk vervuld, van haar over te nemen. Ze konden op geen betere gedachte [248]zijn gekomen: de bedrijvige huisvrouw toch heeft de gewoonte hare kinderen eenmaal s’jaars te laten kaalscheren en inenten; waarom deze plechtigheden elkaar binnen een tijdsverloop van drie dagen moeten opvolgen weet niemand; maar wat er van zij, het was heden de dag der inenting, de acht kaalkoppen waren op het appèl, de dokter djawa was er, de gezonde vrouw met het opgedirkte kind, de onmisbare grootmoeder waren er, de stof was er, en al hadden nu al de officieren van het indische leger goedgevonden zich voor het hoofd te schieten, ingeënt zou er worden.

Een gegil, alsof ieder prikje een dolksteek was, kwam Agnita tegemoet; mevrouw Paerel gaf het kind, dat ze op den arm had, aan de juf over, dankte met vochtigen blik voor haar komst en ging haar vóór naar de logeerkamer.

Ze wachtte even toen de kleine gestalte verdwenen was, ze wist hoe hartstochtelijk, hoe waanzinnig bijna Amalia was in haar droefheid en wilde het teere vrouwtje een scène sparen.

Maar na dien eenen kreet zoo doordringend als nooit de bezoekers van de comedie hadden gehoord van de lippen der geliefde actrice, werd het stil en rustig, een zacht snikken slechts bewees dat al het berouw, al de wanhoop werd uitgestort in het hart der vriendin.

Bij haar reinheid, haar bijna kinderlijke onbekendheid met veel van de zonden en zwakheden dezer wereld, kon mevrouw Verschuere begrijpen, mede gevoelen als weinigen: Amalia wilde haar niet laten vertrekken en toen eindelijk in den namiddag haar coupé het erf weer opreed, hield die stil voor het logeergebouw; de jonge weduwe moest absolute rust hebben, had Bosschaert gezegd, en absolute rust kon, bij al haar handigheid, de moeder van het pas ingeënte achttal haar logée niet verzekeren.

Nauwelijks had de onverwachte gast het hoofd neergelegd in de koele kussens, toen de koorts opkwam, die dagen lang aanhield en voor het leven der patiente vreezen deed.

Agnita stond niet alleen bij de oppassing harer zieke. Ze werd door de Buitenzorgsche dames geholpen, met de behoefte om bijstand te verleenen, die van elke indische vrouw een liefdezuster maakt; met den lust om vriendelijkheid te bewijzen, die het vreemde land zoo spoedig een tweede vaderland kan doen [249]worden voor nieuwelingen, ver van moeders liefde en zusters hulp; met de offervaardigheid, die, als wij Indischen in de weegschaal der deugd werden gelegd, tegen een veel degelijker, veel ernstiger, veel braver volkje dan wij zijn, de schaal zou doen overslaan naar onze zijde.

Eindelijk begon de hoop op herstel te herleven en de zieke te denken over haar vertrek naar Europa, dat, als ze niet weder instortte, misschien reeds met de eerstvolgende boot zou kunnen plaats vinden; eindelijk kon Nita weer eens de bijgebouwen verlaten.

Toen ze den derden morgen na het wijken der koorts haar boudoir binnentrad, vond ze op de tafel een briefje, waarvan het adres met Van Suylichem’s hand was geschreven.

Ze had veel aan hem gedacht in de laatste dagen, misschien dubbel veel omdat ze, gewoon alles wat haar door hoofd en hart ging met haar echtgenoot te bespreken, nu gemeend had aan James’ verzoek te moeten voldoen en over hetgeen was voorgevallen op het tochtje naar Tji Burm zwijgen, ook omdat ze in de stilte van doorwaakte nachten zich ernstige verwijtingen had gemaakt over de groote onvoorzichtigheid, waarmee ze in haar neef gevoelens had opgewekt, die hem voor korter of langer tijd ongelukkig maakten.

De inhoud van het briefje bevreemdde haar.

»Lieve Nita.

»Vandaag ben ik tweemaal bij je geweest, gister eens, eergister driemaal. Maar toewan is altijd »di kantor«, njonnja altijd »di kammer dajo.« Daar ik dienst heb kan ik van avond niet meer komen. Wil je me een uur bepalen waarop ik jullie morgen thuis vind? Ik vraag dit zoo, omdat ik Verschuere en jezelf iets heb te zeggen, dat geen uitstel duldt.«

Wat kon het zijn? Wat kon hij haar te zeggen hebben, dat geen uitstel duldde? Hij was zoo heftig, zoo haastig in het besluiten, dat ook het meest onverwachte van hem te verwachten viel, dat men nooit zeker van hem was!

Ernstig ongerust beantwoordde ze zijn briefje dadelijk en reeds den volgenden morgen trad ze hem tegemoet in de voorgalerij, [250]wat bleek, maar toch verfrischt door een heerlijke nachtrust, daar ze de zieke aan mevrouw Verdijk heeft kunnen overlaten.

»Kom binnen! Hoe gaat het?« En ze reikt hem de hand met den ouden vertrouwenden glimlach.

»Zijn we alleen, Nita?« vraagt hij, verwonderd rondziende in het vertrek.

»Verschuere heeft zijn werk en … je hadt me misschien iets te zeggen dat je moeilijk zeggen kondt in zijn tegenwoordigheid?«

»O, Nita,« en een gloeiend rood kleurt zijn gebruind gelaat, »wat kan ik je anders te zeggen hebben dan dit eene: vergeef me!«

»Dat deed ik reeds lang, James, om der wille onzer goede oude vriendschap,« en ze ziet naar hem op, groote tranen in de oogen.

»Nita,« roept hij met de oude dwaze heftigheid, die soms nog zoo’n jongen van hem maken kan; »Nita, ik wou dat je iets zei! Neen, niet iets liefs, iets bedaards, iets wat je je hebt voorgenomen me eens heel kalm en duidelijk aan het verstand te brengen. Ik wou dat je me uitscholdt! Dat je me beleedigde! Dat je me voor de voeten wierpt hoe laag, hoe schandelijk ik me gedragen heb!«

»Maar ik vond het niet laag, ik vond het niet schandelijk, ik vond het alleen zwak. Daarbij, ik zelve ben ook niet zonder schuld. Ik had voorzichtiger moeten zijn, ik had alles moeten vermijden, wat aanleiding geven kon tot …«

»Neen, Nita, beschuldig je zelve niet. Het was niets anders dan mijn … krankzinnigheid!«

»Ik heb meermalen opgemerkt, James,—maar ga toch zitten, je weet, dat wilde op en neer loopen van je agiteert me—ik heb meermalen opgemerkt dat jongelui zich al heel licht vergissen in het huwelijksgeluk van de vrouw die ze … een weinig vereeren. Ze zien die vrouw in een aureool en vinden dat de echtgenoot zich zoo iets liefs, zoo iets volmaakts volstrekt niet waardig toont. Niet waar? beken het maar. Je neemt mijn man nu bijvoorbeeld kwalijk, wat ik hem zoo van harte vergeven kan, dat hij geheel opgaat in zijn betrekking en daardoor zijn vrouw …«

»Negligeert. Ja, dat neem ik hem kwalijk!«

»Maar weet je ook wat hem dit kost? Weet je wat dit [251]voor hem is, mij, die hij liefheeft, zoo voortdurend te moeten achterstellen bij zijn werk?«

»Neen … daar weet ik niet van … ik weet alleen dat ik het niet kan aanzien. O mijn God! Nita! als ik bedenk hoe je thuis werd verwend; als ik bedenk wat een ander voor je had kunnen wezen, hoe je op de handen zoudt zijn gedragen, hoe ieder woord, ieder blik van je zou zijn opgevangen, iedere wensch voorkomen …«

»James, is dit goed?«

»Neen, ik weet het, terwijl ik spreek, veracht ik me zelf om hetgeen ik zeg. Maar als je niet wilt dat ik bezwijk, dat ik gek word, laat me dan ten minste eenmaal uitspreken wat me reeds zoolang op het hart brandt.«

»Ik zal je niet weerhouden, als je meent dat je voort moogt gaan.« Mevrouw Verschuere neemt de hand van haar neef en voert hem naar de zijde van het boudoir, waar de portretten harer ouders zijn.

»Je vroeg daareven of we alleen waren, James. Neen, dat zijn we niet.«

Hij ziet op naar het edel gelaat van den grijsaard, dien hij gekend heeft in dagen van beproeving, in dagen vol van den strijd des levens; naar de lieve kalme trekken der vrouw, die hij vereert als een heilige, hooger nog, als een moeder … naar de twee paar ernstige oogen die met zooveel vertrouwen op hem rusten, en evenals Nita, gevoelt hij dat ze niet alleen zijn, dat de goede engelen, die waakten over hun jeugd, hen nabij zijn.

Zwijgend, beschaamd staat hij voor haar.

»Beste James,« begint ze nu op hartelijken toon, »ik ben je zoo dankbaar voor je vriendschap. Ze heeft me zoo goed gedaan, zoo dikwerf getroost en bemoedigd. En ik had soms wel bemoediging noodig. Je hebt juist gezien, ik ben niet altijd gelukkig geweest, al hoop ik het nu weldra te worden. Maar dat is niet de schuld van Verschuere. Het zijn de omstandigheden: ik had niet genoeg te doen, ik had meer afleiding moeten hebben. En dan, ik heb een overdreven voorstelling gehad van het huwelijk; dat maakt een vrouw veeleischend.«

»O, Nita! Jij veeleischend!«

»Misschien ook heeft mama juist door haar ernstige levensopvatting [252]ons niet genoeg geleerd, ons bezig te houden met datgene wat de meeste vrouwen amuseert; misschien zou ik, om in de indische maatschappij me gelukkig te voelen, de zaken wat lichter moeten opnemen … Maar juist omdat ik hier nog zoo vreemd, nog niet geheel thuis ben, juist daarom was je vriendschap me zooveel waard, juist daarom is het me zoo’n bittere teleurstelling geweest, toen ik ontdekte …«

»Heb je het nooit vermoed? Al die twee jaar niet? Groote hemel, hoe is het mogelijk!«

Zacht legt ze de hand op zijn schouder. »Ik heb wel eens getwijfeld,« begint ze dan met hooger blos, »maar Gustaaf heeft me altijd weten gerust te stellen. Hij gelooft volkomen in je, James. Hij vindt je zoozeer de type van ridderlijkheid en goede trouw.«

»Zeg je dat als een verwijt?«

»Dat weet je wel beter. Foei, alsof niet de eerlijkste, trouwste ridders soms eens een oogenblik … dwaas geweest waren. Maar kom, laten we niet langer praten over dit onderwerp, dat ons beiden pijnlijk moet zijn. Vertel me liever eens wat het nieuws is, dat je ons hadt mee te deelen.«

»Ik ga met de eerstvolgende boot naar Atjeh.«

»Naar Atjeh!«

»Ja.«

»Heb je het gevraagd?«

»Ja.«

Ze is zeer bleek geworden. De kalmte, die haar gedurende het geheele gesprek bijbleef, heeft haar plotseling verlaten, ze rijst op van haar stoel en moet zich aan de leuning vastgrijpen.

»James, weet je dat dit onverantwoordelijk, dat dit vreeselijk roekeloos van je is. In dezen tijd! Met dien verpesten bodem, met die vreeselijke ziekten, dat verraad!…«

»Ik zou geen soldaat zijn, als ik daar bang voor was!«

»James, één woord! Zeg dat het niet is om … om mij!«

Zelfs in dit oogenblik komt zijn eerlijk hart op tegen een onwaarheid, zelfs om haar kan hij geen leugen over zijn lippen brengen.

»Nita,« begint hij vriendelijk, »er is geen enkele reden om je dit aan te trekken. Je hebt me niet alleen nooit reden gegeven [253]om me iets in te beelden, je hebt getracht me te genezen op de eenige manier waardoor genezing mogelijk was: door me te toonen hoe lief je je man hebt. Maak je dus geen oogenblik verwijtingen over mijn gaan naar Atjeh. Ik behoor daar. Ik voel me hier niet op mijn plaats. Ik verlang terug naar mijn kameraden, naar het oorlogstooneel, naar de Atjehers. Ja, werkelijk! Zoo dikwijls ik lees van hun brutale heldenfeiten, voel ik het verlangen in mij opkomen, hen weer eens onder de oogen te zien; zoo dikwijls ik den naam hoor van een makker, die gesneuveld is of bezweken, schaam ik me over het gemakkelijk leventje dat ik hier leid.«

»’t Is goed, James.«

»Dag, Nita.«

Ze houdt zich flink; maar nu, als hij zich omkeert en ze bedenkt hoe het binnen enkele dagen een vaarwel moet zijn voor jaren, dan gevoelt ze op eens welk een gemis, welk een leegte het zal geven in haar bestaan, wanneer de trouwe vriend niet meer bij haar is.

»O, James, doe het niet … Als er eens iets gebeurde … ik zou je zoo missen …«

Hij komt terug op zijn schreden.

»Je houdt toch nog van me!« juicht hij. »Je houdt toch nog van me—al is het dan maar als neef!«

»Als broer, James. Als een lieven, edelen, dapperen broer.«

Dan heft ze het bleek, beschreid gelaat tot hem op en drukt hij een kus op de reine lippen.