[Inhoud]

XXXV

DE LAATSTE DAGEN.

Gouverneur-generaal terwijl de opvolger reeds benoemd is; grootheid gevallen, lang voor hij—als andere gevallen grootheden—verdwijnen kan in het niet van het ambteloos leven; heerscher over een land, hem reeds vreemd geworden door de zekerheid dat hij het binnen enkele maanden gaat verlaten; meester over dienaren die ongeduldig uitzien naar het oogenblik waarop ze hem een haastigen afscheidsgroet, den nieuwen landvoogd een juichend welkom zullen toeroepen … ’t is misschien de moeilijkste toestand, waarin een hooggeplaatst ambtenaar, de pijnlijkste, waarin een man van gevoel komen kan.

Den heer Van Waliënhove werd deze toestand niet aangenamer gemaakt door de gedachte aan den man, die na hem den troon van Buitenzorg zou beklimmen. ’t Was een der grootste tegenstanders geweest van het afgetreden kabinet, ja, hij had zich, sinds hij zitting nam in de Tweede Kamer, doen kennen niet slechts als de politieke bestrijder, maar als persoonlijke vijand van den heer Verschuere, den nu gevallen minister.

Betrekkelijk jong, lid eener invloedrijke familie, bezitter van een groot fortuin, kon hij, schoon iemand van weinig studie en nog minder ernst, de aandacht op zich vestigen door dit ongewoon verschijnsel in ’s lands vergaderzalen: een geestige, dikwerf scherpe repliek en een schitterende welsprekendheid.

Die macht over het woord, een kort verblijf in de koloniën en het tijdelijk de overhand hebben der partij, waarvan een ander de ziel, hij de woordvoerder was, werd zoo handig geëxploiteerd, dat men hem koos tot een der zwaarste en gewichtigste betrekkingen in ons staatsbestuur, koos tot verbazing van Indië en Nederland beide.

De berichten dat de gouverneur-generaal zijn ontslag gevraagd had, dat het was aangenomen, dat de benoeming van zijn opvolger was gedaan, wie die opvolger was, volgden elkander in een zeer kort tijdsverloop; de heer Van Waliënhove wist te goed wat de wereld is, had ook in zijn vroegere diplomatieke [262]loopbaan te veel gezien, om niet te begrijpen wat deze berichten moesten uitwerken op zijn omgeving; hij was den tijd der illusies te boven, wijsgeerig genoeg om van de menschen niet meer te verwachten dan ze geven kunnen, verheven boven kleine gevoeligheden, en toch …

O, men was onberispelijk in Buitenzorg en Batavia. Eerbiedig voor Zijn Excellentie, hoffelijk voor mevrouw, lief voor Clotilde—ook na het publiek worden van het engagement, dat trouwens een maand geleden ongeloofelijk genoemd, nu alleen vrij dwaas gevonden werd—vriendelijk zelfs voor de jonkers, met dit onderscheid dat wat tot nu toe guitenstukjes heetten, op eens kwade streken werden.

Toch … om de lippen van den landvoogd kwam een weemoedig lachje spelen … het eenig uiterlijk teeken van de pijnlijke operatie, die de best voorbereiden, de best gewapenden, onder ons moeten ondergaan als de fortuin ons den rug toekeert, het uitrukken der plant, die we langzamerhand knoppen en bladeren hadden afgeslagen en haast dood waanden, maar waarvan nu de wortels blijken te zijn gedrongen tot op den bodem onzer ziel!

Men bezocht de recepties nog trouw, alleen … scheen het vroeger een onderscheiding ten paleize te mogen verschijnen, nu had het er iets van, alsof men den landvoogd een genoegen deed met te komen; men boog nog even diep; men gaf hem nog alle eer … alleen op een andere wijze; de heer Van Waliënhove verbloemde het zich niet—hij bestond niet meer voor Indië, hij was nog slechts gouverneur-generaal in naam, de werkelijke gouverneur-generaal was aan boord van de Radboud.

Ieder sprak over hem, ieder wist wat van hem te vertellen, en voor wie zou durven beweren dat er kwaad gesproken wordt in onze indische gezelschappen, ware het beschamend geweest te hooren hoeveel goeds ze wisten, hoe waardeerend, hoe vol lof men was; waar een enkele het waagde op minder gunstige maar onloochenbare feiten te wijzen, hoe ijverig men daar zocht naar verontschuldigingen!

’t Was zoo genoegelijk dat men dezen keer niets behoefde te herroepen of ongezegd te maken; niemand had gedacht aan de mogelijkheid eener benoeming als deze, dus ook niet beproefd [263]om, volgens gewoonte, de ongeschiktheid van den candidaat te bewijzen. Dus kon men het onderwerp vrij en naar verkiezing behandelen, bijzonderheden ter tafel brengen, allerlei berichten opvangen, versieren en verspreiden naar hartelust. Deze was bevriend met zijn oudtante en had van haar gehoord, dat hij als kind geen andere boterhammen wilde eten dan boterhammen met stroop—wat de suikerplanters een riem onder het hart bond; gene noemde den burgemeester van zijn dorp oom en herinnerde zich op eens, hoe deze hem had geroemd als de ijverige president van het liefhebberij-tooneel: »In liefde bloeiende« en het letterkundig gezelschap: »Joost van den Vondel«, wat d’Hannecour sprakeloos maakte van ontzetting; een derde kende de baker, die hem eenmaal bakerde—die baker, van nu af belangwekkend, was »de moeder van de meid van mama, moet u weten«, ze leefde van haar renten in den Haag, heel netjes, en zij had verteld, dat hij met één jaar liep als een haas en praatte als een dominé, wat de moeders niet dikwerf genoeg hooren konden: immers ze hadden thuis een dergelijk phenomeen, dat dus mettertijd ook gouverneur-generaal kon worden.

De nieuwe landvoogd moest veel geleerd hebben, te oordeelen naar het aantal dergenen die »jaren lang met hem op de schoolbanken hadden gezeten«, en lang gestudeerd, in aanmerking genomen met hoevelen hij »student geweest« was. Ook zijn zuster—hij had er ongelukkig maar eene, en daar men niets mocht doen dan prijzen, was men daarover spoedig uitgepraat—ook zijn zuster, die lieve geestige, beeldschoone vrouw, scheen een ongewoon bekend persoon. Van zijn mama scheen men niets anders te weten dan dat ze gravin was: over dat gravinschap raakte men niet uitgepraat; ’t was dan ook een veilig onderwerp; alleen in zeer intiemen kring sprak men van haar bekende schoonheid, haar veelbewogen leven en haar vroegen, romantischen dood. Daarentegen vertelde men gaarne van den vader: die scheen zijn geheele leven niet anders gedaan te hebben dan zich intieme vrienden maken en daartoe bij voorkeur »den ouwen heer« van alle mogelijke menschen op Java te hebben gekozen.

In ’t bijzonder bleken de dames ingenomen met de keuze van den nieuwen onderkoning. Hij was rijk, niet waar? Zou deze dan [264]nu eindelijk eens, zooals het behoort, royaal zijn geheele inkomen verteren? Och, wat dit betreft, heeft men zich niet te beklagen over de Van Waliënhove’s: ze hebben veel gedaan, maar enfin, men zegt toch dat hij twee ton heeft overgespaard, een die niets overspaart, een die alles besteedt aan feesten en luxe, een die alles doet voor het behoud van het prestige, dat is wat men noodig heeft!

En—nog jong. Dus het is uit met het rijk der deftige oudere dames. Mevrouw Hagen cum suis kunnen haar matten wel oprollen. O, natuurlijk, ’t was heel prettig, zoo fatsoenlijk, zoo innig europeesch als de toon werd in de laatste jaren, maar ’t zou ook wel aardig—zeker amusanter ten minste—wezen, nu weer eens iemand te krijgen, die niet geheel ongevoelig was voor … enfin voor zooveel dat de heer Van Waliënhove niet scheen te zien … Jonge vrouwen beloofden zich gouden bergen van de promotie, die manlief maken zou, schreven naar Parijs om nieuwe toiletten en sneden, in afwachting dat die kwamen, haar oude een vingerbreed lager uit voor de groote ontvangstreceptie.

En ongehuwd! Is het wonder dat moeders ter nauwernood het oogenblik konden afwachten dat deze, van wien ze niets te hopen hadden, zou plaats maken voor dien ander, die de hoogste eer, het grootste geluk nog had weg te schenken?

Er waren onder de mannen velen, die deze opgewondenheid hunner vrouwen en dochters niet deelden, die den nieuwen landvoogd, het creatuur eener gehate richting, ongaarne zagen komen, die den aftredende hoog achtten en beklaagden als het slachtoffer van staatkundige verwikkelingen, maar deze zwegen … Men heeft vrouw en kinderen … men moet vooruitkomen; nog een, zoo mogelijk nog twee rangen klimmen. Later, als men eenmaal pensioen heeft, als men in Holland is, ja, dan zal men zeggen hoe men denkt over dit en over zooveel meer.

Intusschen wordt het leeg en stil en vreemd rondom den onderkoning van het Smaragden-eiland; zóó leeg en stil en vreemd, dat twee jonge harten het kloppen van teederheid en verlangen bedwongen en op zijn vraag of de groote dag nu niet spoedig wezen zou, antwoordden: »O neen, nog lang niet; we blijven bij u zoo lang we kunnen!« [265]

Hem was zulk een blijk van liefde vergoeding voor veel bitters; maar wat kon de vrouw, die haar geluk zocht in eer en aanzien, die geen vrienden had gewenscht, maar dienaren, geen genegenheid, maar onderwerping, wat kon haar verzoenen met den nieuwen, ondragelijken toestand. In machtelooze woede zag ze zich alles wat ze begeerd had ontglippen.

Maar hoe men rondom haar veranderen mocht, zij bleef zich volkomen gelijk, zij gaf geen duimbreed toe, zij was en bleef, meer dan ooit te voren zelfs, de njonnja besaar.

In één opzicht alleen veranderde ze. Niemand mocht het vermoeden, voor niets ter wereld zou ze het bekend hebben, maar ’t bleef niettemin een feit—de omstandigheden hadden haar bijna met het huwelijk harer dochter kunnen verzoenen.

Hier, waar ze een paleis te harer beschikking heeft en altijd door vreemden is omringd, hier was dit kind uit het eerste huwelijk haar reeds een bron van ergernis. Wat zou het dan niet zijn in de betrekkelijk kleine ruimte eener hollandsche woning, in de beslotenheid van den huiselijken kring! En wie stond haar borg, dat de veelbegeerde dochter van den gouverneur-generaal ook dan en daar aanzoek zou krijgen of ten minste een aanzoek, dat voldeed aan Clotilde’s wonderlijke eischen? En al ware dit het geval, het werd tijd, meer dan tijd dat de echtgenoot zich onttrok aan den invloed der vóórdochter, dat hij zich wijden ging aan zijn zonen, de zonen, die erfgenaam zouden worden van zijn ouden naam, van haar groot fortuin.

Slechts een tiental dagen voor het vertrek der familie naar Batavia zal het huwelijk worden voltrokken en de barones wil het vieren met alle pracht en praal. Niet omdat ze er eenige sympathie voor gevoelt;—als de zalige verrukking der verloofden verstoord had kunnen worden, dan ware ze het zeker door haar onvermoeide hatelijkheid;—maar om het publiek, het publiek dat zich zoo ondankbaar toonde, te bewijzen dat, zoo het menigmaal op schitterende wijze ontvangen werd in de gouvernementshôtels, dit niet zoozeer was geweest om de gasten genoegen te geven, dan omdat de heer en mevrouw Van Waliënhove het zich verplicht achtten aan hun positie.

En zoo werden dan voor de laatste maal de marmeren trappen herschapen in bloem waranden, de ruime zalen in prieelen; [266]zoo werd wat jong en schoon en vroolijk was genoodigd, totdat het paleis een feeënverblijf geleek, vol gezang en gelach, vol blonde sylphiden en witte kleedjes; zoo ontving geheel Buitenzorg, half Batavia en een groot deel van de Preanger invitatiekaarten voor het bal champêtre, dat bij het helderste maanlicht op een open plek gegeven werd; zoo overtrof het diner bij gelegenheid van den ondertrouw alle vroegere diners in verfijnde weelde en smaakvolle verrassing.

Wat mevrouw niet besteld, maar goede vrienden bedacht hadden, dit was op den gewichtigen morgen het ontwaken der bruid door kinderstemmen.

Ze zongen een eenvoudig lied, maar onder de driehonderd knapen en meisjes was er geen, die Clotilde niet had te danken, ’t zij voor een geschenk aan den kerstboom, ’t zij voor een zak lekkers met Sint Nikolaas; voor een bemoedigend woord als ze de school bezocht of een lief knikje bij het ontmoeten op straat, en toen ze verscheen op het balkon, hieven al die ronde gezichtjes, al die stralende oogen zich naar haar op met innige liefde.

Ze stond naast hem dien ze heden zou verlaten: daareven ontving ze voor het laatst den morgenkus van de lippen, die, zoolang ze zich herinnerde, haar slechts kussen en groeten en goede woorden boden … Hij had zijn arm geslagen om de bevende gestalte, hij zag haar aan zooals slechts de minnaar of de vader staart in een lief gelaat, alsof hij het wil opnemen in de diepste diepten zijner ziel; ze gevoelde dien blik, maar durfde hem niet beantwoorden, want … het gezang stijgt tot hen op met het innig aandoenlijke dat kinderstemmen hebben kunnen, en in de gewijde stilte van den tropischen morgen komt de scheidingssmart over haar.

Toen het lied ten einde was—te spoedig voor die smartvolle omhelzing—toen hij zich afwendde en zij het diepgebogen hoofd ophief om de kleine zangers te danken, toen deed ze dat uit den grond van haar hart: vader en dochter wisten het, ofschoon ze elkaar nog vaarwel zouden zeggen in tegenwoordigheid van anderen, dit was het oogenblik geweest waarop de zoo nauw vereende harten voor het laatst elkander tegenklopten. En aan dit oogenblik hadden de lieve kinderstemmen zijn vlijmendste smart ontnomen; dit oogenblik, door beiden [267]zoozeer gevreesd, zou, bij al het pijnlijke, in hun herinnering iets liefelijks behouden: zuchten en snikken, ja, maar overstemt door engelenkoor.

Op verlangen van bruid en bruidegom werd het huwelijk niet voltrokken ten stadhuize, waar alles zoo herinnert aan de treurige waarheid dat de verbintenis van twee wezens, door de heiligste wet der natuur tot elkaar gebracht, in den loop der eeuwen een zaak werd door de wet geregeld; evenmin in de kerk, waar de naakte wanden en het slecht bespeelde orgel en de over het kiezel rollende rijtuigen alle verheffing verstoren, maar in de woning, die getuige was van hun strijd. En daar troonden ze te midden van bloeiende oranjeboomen en blozende rozentuilen en geurige gewassen; daar troonden ze in de aureool, die de liefde vlecht om de hoofden harer uitverkorenen; daar troonden ze in de hemelsche zelf-genoegzaamheid van den eersten huwelijksdag, een godenpaar gelijk. Al dat gedwarrel van gelukwenschende gasten, al die glimlachende gezichten, al die vleiende woorden, ze bestonden niet voor hen, ze zochten slechts elkaars oogen, ze drukten slechts elkaars handen, ze smachtten slechts naar de ontmoeting van elkaars lippen; ze vermoedden het niet hoe de gloed, die lichtte uit hun oog, menig verkild hart verwarmde; ze vermoedden het niet hoe de glans, die uitging van hun jeugd en schoonheid, hen hulde in een stralenkrans van sympathie; ze vermoedden het niet hoe, toen de prediker het amen uitsprak, de bevallige bruid over den ernstigen bruidegom zooveel had uitgestort van de wondermacht der liefde, dat er in geheel dit groote gezelschap niet één was, die haar keuze durfde afkeuren; ze vermoedde het niet hoe in dit oogenblik de man op de Radboud vergeten was, om slechts de dochter der Van Waliënhove’s, die zonnestraal van het paleis te zien, om slechts mede te gevoelen met dat bleek gelaat aan hare zijde, met die edele figuur, meer dan door de politieke moeielijkheden, meer dan door huiselijke bezwaren, gebogen, geknakt bijna door de smart der scheiding.

Neen, ze vermoedden het niet, maar wat deed het er toe? Halfgoden als ze waren door de liefde, konden de menschen niets toe- of afdoen aan hun geluk. Hun verbintenis mocht de wereld rondom hen een gruwel zijn, er mocht een hoongelach [268]opstijgen uit die menigte, zij stonden tusschen de bloeiende oranjeboomen en blozende rozentuilen zóó hoog dat het hen niet bereiken kon … Toen de avondzon roodgloeiend weerkaatst werd in het metaal van den extratrein die hen wegvoerde, en een heerlijken glans tooverde om de zoo dicht vereende gestalten, toen wisten ze ter nauwernood, dat daar al die menschen achterbleven om feest te vieren te hunner eere; ze wisten alleen dat zij slechts elkander behoefden voor het hoogste en heerlijkste feest, het feest der liefde.