De residentie, de hoofdstad, ja, voor zoover de ambtelijke wereld betreft, de kolonie is vervuld van het nieuws dat als »on dit« reeds de ronde deed in de dagbladen, maar nu door officieele berichten een feit werd: de vice-president van den raad van Indië gaat met verlof.
Men weet de reden. Maar de voorzichtigheid brengt mede zich te houden, alsof men geloof slaat aan het gerucht dat de heer Hagen, plotseling ongesteld geworden, een koeler klimaat moet opzoeken. Men weet de reden en men billijkt die; immers, iemand op zijn leeftijd, iemand die bogen kan op zijn verleden, iemand van zijn fortuin vooral, behoeft niet te verdragen wat andere ambtenaren met minder gelukkige antecedenten verplicht zijn zich te laten welgevallen.
»Kon ik zijn voorbeeld maar volgen!«
Aldus velen, aldus ook Verschuere, wanneer hij, lusteloos achterover geleund in zijn stoel, met Agnita de opzienbarende gebeurtenis bespreekt.
Zij zwijgt; onder heftig dampen laat hij zijn weinig vroolijke gedachten den loop, tot hij eensklaps opspringt met den uitroep »God, ja! als ik zijn voorbeeld volgen kon!«
Een straal van hoop komt haar bewolkt gelaat verhelderen.
»En waarom zou je niet kunnen?« vraagt ze haastig. »Waarom [269]zou je het niet doen?« herhaalt ze en treedt hem op zijde en houdt hem bij in zijn gejaagde wandeling.
»Waarom ik het niet zou kunnen?« Hij staat stil in het midden van de voorgalerij, om haar knorrig, toornig bijna aan te zien. »Waarom ik het niet zou doen? Nu? Met verlof gaan? Nu? Wat ik je bidden mag, Nita, doe zulke imbécile vragen niet! Ze brengen me nog meer uit mijn humeur dan … al het andere!«
Langzaam gaat ze terug naar haar plaats.
»Begrijp je dan niet, kind,« vraagt hij straks vriendelijker, »begrijp je niet, dat als de vice-president weggaat, hij waarschijnlijk wordt opgevolgd door een lid van den raad!«
»Ja. En dan komt er een plaats open.«
»En ’t is de gewone loop van zaken, dat wanneer er een plaats open komt, de algemeene secretaris die vervult.«
»Maar je waart het nog zoo kort. En heb je me niet gezegd, dat deze keer een resident van de Buitenbezittingen aan de beurt was? Was er ook geen sprake van, een militair lid te brengen in den raad?«
»Dat is reeds zoo lang!«
»Ik vrees dat de gouverneur-generaal je niet zal willen missen, De handen staan hem nog zoo verkeerd.«
»Dat zou je hem niet moeten zeggen,« roept hij schamper lachend.
»Nu ja. Maar we weten het toch … ’t zou niet best gaan met een nieuwen secretaris, die zich ook nog overal moest inwerken, geloof je wel?«
»Dat is zijn zaak. Daar laat ik me niet aan opofferen.«
Weer volgt een lange stilte, slechts afgebroken door het geluid zijner voetstappen op den marmeren vloer; dan, als mevrouw Verschuere meent dat het gezicht, in den laatsten tijd zoo zorgvuldig bestudeerd, wat minder boos staat, komt ze hem wederom op zij en steekt haar hand door zijn arm.
»’t Kon heerlijk zijn, Gus. ’t Is waar, ’t zal me aan het hart gaan Buitenzorg te verlaten …«
»Och, wat is een plaats nog, als de goede vrienden weg zijn?«
»Dat is zoo. En je zoudt zoo’n gemakkelijk leventje hebben in vergelijking van nu. Maar ’t is toch, geloof ik, beter dat we er ons nog niet te veel op verheugen.« [270]
»En waarom? Heb ik den prijs niet verdiend? Me dunkt, ik heb er recht op.«
Ze glimlacht even. »Niet de ijverigste leerlingen worden het best beloond. Als je oom nog de prijzen uitdeelde …«
»Mijn oom! Mijn oom! God, Nita, begin je ook al mee te schreeuwen met den grooten hoop? Moet ik het nu van mijn eigen vrouw hooren?«
»Wat toch, lieve?« vraagt ze ontsteld door dien toon.
»Wel, dat ik niets ben, niets kan, niets beteeken zonder mijn oom? Ik zeg je eens en voor altijd, Nita dat ik het niet hooren wil! Het verveelt me. Ik vind het ondragelijk, dat die »oom de minister« altijd wordt genoemd als de macht die te beslissen heeft over mijn toekomst. Ik ben zelf die macht. Zelf, versta je me?«
Mevrouw Verschuere antwoordt niet; ze weet niet recht hoe te antwoorden, als ze wordt toegesproken op een wijze als deze; het valt haar nog altijd vreemd, hoewel het niet de eerste maal is … O neen, in de laatste maanden, in de laatste weken vooral, heeft ze kunnen leeren zich te gewennen aan toornige, harde woorden. Ze neemt haar handwerkje op, terwijl haar man met brommend geluid een plotseling einde maakt aan zijn wandeling en zich in den luierstoel werpt, maar de fijne vingers beven te zeer dan dat ze er mede kan voortgaan, en met een steelschen blik op het somber gelaat tegenover haar denkt ze terug aan den tijd, die haar nu bijna gelukkig toeschijnt, toen hij thuis kwam; ook vermoeid en afgemat, maar tevreden over de volbrachte dagtaak, voldaan over de oplossing van een of ander moeilijk vraagstuk, verrukt over de samenwerking met den landvoogd, die, zoo ze in meening verschilden, gaarne van gedachten wisselde en nooit ongenegen was om, zoo noodig, zijn opinie prijs te geven; naar den tijd toen hij, bij al zijn drukten, toch steeds een vriendelijk woord voor haar vond, toen hij nog beloven kon meer voor haar te worden, toen ze nog niet de treurige zekerheid had, dat hij minder voor haar werd, steeds minder en minder.
O, die belofte! Had hij haar nooit gegeven, de teleurstelling zou minder groot geweest zijn! O, die onvergetelijke dagen in Tjipanas! Had ze nooit het genot gekend van hem onverdeeld te bezitten, misschien was het het haar dan nu niet zoo zwaar gevallen afstand van hem te doen. Toch, elken dag beproeft ze met [271]nieuwe krachtsinspanning, of ze niet leeren kan zich te schikken … ze weet immers dat zijn knorrig humeur slechts de reactie is van den dwang, dien hij zich moet opleggen in de tegenwoordigheid des landvoogds; ze weet dat de andere dames ook haar mannen van de secretarie thuis krijgen, zenuwachtig, overspannen, prikkelbaar … Ze vermant zich ook nu, ze verzet zich tegen het moedeloos gevoel dat zijn onvriendelijkheid altijd bij haar wekt en spreekt bijna vroolijk:
»Kom, manlief. Het is zoo’n heerlijke avond … laten we eens probeeren of een wandeling ons geen goed zal doen … ik geloof dat we beiden wat ontstemd zijn.«
Hij geeft na een kleine aarzeling toe en weldra dwalen ze door de eenzame lanen, arm in arm, langzaam, zachtjes sprekend, somtijds zwijgend, zooals ze het gaarne doet; de sterrenhemel strooit zijn gouden vonken over het glanzig groen en deelt het iets mede van zijn tooverachtigen gloed. Wat Agnita had gehoopt geschiedde: in die liefelijke omgeving, in die bedarende stilte week Verschuere’s geestelijke vermoeidheid; het oog gericht op de blauwe lucht, vergat hij de grieven die hem daareven vervulden.
Met de zusterlijke teederheid, die bij lieve vrouwen zulk een wijding geeft aan den echt, leidt Nita nu zijn gedachten in vriendelijke richting; wat zijn de Hagens veel voor hen geweest, zoolang ze het voorrecht hadden hen te kennen; wat was mevrouw altijd hartelijk voor haar en mijnheer vol lieve attenties … wat zullen ze hen missen.
Langzaam gaan de vrienden en kennissen, die binnen een kort tijdsverloop Buitenzorg verlieten, aan hun geest voorbij; Amalia, die hen zoo dankbaar was en, dit herinnert het kleine vrouwtje zich niet zonder trots, zooveel ernstiger, zooveel beter gestemd was toen ze van haar afscheid nam om, gelouterd door geleden smart, een nieuw leven te beginnen in het vaderland; Van Waliënhove, om in de hoop op zijn zonen kracht te putten voor het verdragen der martelingen van zijn huwelijksleven; Van Beevelant en Clotilde, om in de Palmenstad het beste te vinden wat de wereld geeft; James om het oorlogsveld te zoeken wat misschien na liefdesgeluk het beste is: vergetelheid in plichtsbetrachting.
En dicht aan elkaar geleund, opziende naar den avondhemel, komt over hen dat weemoedig gevoel van veranderen en [272]verdwijnen, van alleen achterblijven; het treurig bewustzijn hoe alles slechts voor korten tijd, slechts voorbijgaande is, de donkere schaduw op ons zonnig Indië, maar die, Gode zij dank, hen wier bestaan verbonden werd door onverbreekbare banden, steeds nauwer vereent, steeds inniger samenhecht juist door het voorbijgaande van al het andere.
Het is voor de heeren dagbladredacteurs altijd een buitenkansje wanneer een hooge betrekking openvalt, maar van dit buitenkansje konden ze dan al bizonder goed profiteeren. De benoeming bleef uit. Dit gaf gelegenheid om nu eens dezen dan genen ambtenaar aan te wijzen als den vermoedelijken vice-president, om, voor het geval van deze of gene benoeming, de prachtigste combinaties uit te denken om de regeering voor te lichten, haar te wijzen op het gevaar dat zulk een keuze, het voordeel dat een andere keuze hebben zou; dit alles met een ijver en een goeden wil, die bij andere koloniale aangelegenheden het bestuur zeker ten goede zou zijn gekomen.
Omtrent het nieuwe lid in den raad van Indië—voor het geval dat de vice-president uit dat regeeringslichaam gekozen werd—twijfelden alleen zij, die voor zich zelf of voor familie iets hoopten, de publieke opinie hield vrij algemeen Verschuere voor den aangewezen persoon. Ook maakte ze met de openhartigheid, die, in de couranten vooral, wel eens tot onbescheidenheid overslaat, geen geheim van die overtuiging. Maar met de macht die hij bezit over iederen trek van zijn gelaat, met de kalmte die hem, waar hij zulks noodig acht, ieder woord doet wegen voor hij het uitspreekt, wist de algemeene secretaris zelfs voor zijn naaste omgeving te verbergen, wat hij van de zaak dacht.
Alleen zijn vrouw wist hoe hij alle phasen van spanning doorliep, hoe hij nu eens door een woord van den landvoogd schrikte of door een bericht uit Batavia zich volkomen voelde gerustgesteld, dan weer door een tijding uit Holland of een los daarheen geworpen woord van machtige lippen meende alles te moeten vreezen, om eindelijk zich te voelen overmeesteren door dien twijfel, die zonder dat men er een bepaalde oorzaak voor zou kunnen noemen, aan den vooravond van belangrijke gebeurtenissen ons hart kan komen binnensluipen.
Het duurde zoo lang voor de zaak beslist werd, dat de dagbladen [273]gingen aantoonen hoe eigenlijk een vice-president onnoodig mocht heeten, daar toch welbeschouwd de geheele raad van Indië alle recht van bestaan miste. Dit onderwerp werd uitgeput; onmachtig om hierna nog veel nieuws te zeggen, waren juist de redacties begonnen elkanders pretendenten af te breken, toen er uitkomst kwam.
Twee telegrammen. Het eerste hield in de benoeming tot ridder van den Nederlandschen Leeuw van den directeur van onderwijs, eeredienst en nijverheid, J. G. Heylerts.
Het tweede benoemde tot vice-president in den raad van Nederlandsch-Indië het lid in dien raad mr. L. B. F. V. van Sonnefelt.
De onderscheiding den directeur te beurt gevallen, gelijkt, bewezen aan iemand die in aanmerking zou kunnen komen voor pensioneering, op de hulde die de vos de kraai brengt wanneer het stuk kaas moet vallen: de heer Heylerts nam haar dan ook op met de stoïcijnsche kalmte, waartoe een veelbewogen huwelijksleven sommige mannen brengt, terwijl mevrouw haren »vriend« blikken toewierp gelijk aan die van het slachtoffer, over wiens lijk de overwinnaar zijn victorie tegemoet snelt.
Geen twee weken later bleek er eenige reden voor die weinig opgewonden stemming in den huize Heylerts.
De Javasche Courant, het officieel nieuwsblad, meldde in zijn rubriek: Civiel departement: ontslagen: eervol, op verzoek, onder dankbetuiging voor de diensten den lande bewezen, J. G. Heylerts, directeur van onderwijs, eeredienst en nijverheid.
Geen week later las men onder diezelfde rubriek: benoemd tot lid in den raad van Indië D. de Bruining, hoofdambtenaar met verlof.
Ware Gustaaf Verschuere een zwak man geweest, hij zou verlichting gezocht hebben in schelden op de onrechtvaardigheid dezer benoeming, in verkleinen van den benoemde, in dreigen zelfs met het vragen van verlof of het nemen van zijn ontslag; hij zou troost hebben gevonden in de sympathie zijner vrienden, vergetelheid in de teedere armen, die verlangender dan ooit zich naar hem uitstrekken;—nu hij een sterk man was, zweeg hij en glimlachte en roemde de bekwaamheid van het nieuwe raadslid, zijn ouden vriend; nu lag er iets in zijn persoonlijkheid, dat zijn [274]vrienden dwong het betoon hunner deelneming te bepalen tot het geven van iets hartelijker handdruk dan gewoonlijk; nu keerde hij zich af van het gezichtje, naar hem opgeheven om hem te zeggen dat ze met en voor hem voelde; nu wilde hij zelfs haar niet bekennen wat dit voor hem was; nu koesterde hij met hoonenden lach de bitterheid, die in een trotsch, nog nimmer vernederd hart gewekt wordt door teleurstelling.