»Gustaaf!«
De algemeene secretaris hoort niet: haar stem, altijd zacht, komt nu als een verzuchting uit de beklemde borst; en hij is verdiept in de verslagen van de Tweede Kamer, daareven door de mail aangebracht.
»Verschuere … luister eens … ik heb je iets te vragen.«
Hij legt zijn lectuur neer, een weinig ongeduldig, want juist las hij een zeer belangwekkende speech van een zeer belangwekkend afgevaardigde.
»Nu?« vraagt hij, als ze zwijgen blijft.
»Je moet er niet verwonderd over wezen … of boos … of bedroefd, maar ik zou … ik zou graag …«
Ze beeft zoo, dat ze niet voort kan gaan. Eerst was hij nog te zeer vervuld van het Kamerverslag, maar nu hoort hij de trilling in haar stem, nu ziet hij de vreeselijke spanning in haar gelaat.
»Wat is er?« vraagt hij verbaasd. »Kind, antwoord me! Hoe ben je zoo ontdaan?«
Vergeefs beproeft ze een woord uit te brengen; vriendelijk, met een zweem van de oude teederheid, begint hij:
»Je hadt me iets te vragen, kleintje … Komaan, daar zie je toch niet tegen op?«
Geen antwoord.
»Weiger ik je dan zoo dikwerf iets?« Hij nadert en legt haar zacht den arm om het midden en neemt haar ijskoud handje in de zijnen.
Maar zij trekt haar hand terug, ze maakt zich los uit zijn omarming … Weet ze het niet dat er een macht uitgaat van zijn aanraking, die haar zwak maakt en willoos?
»Ik wou je vragen, of je het niet goed zou vinden als ik me de Hagens meeging?«
»Als je met de Hagens meeging! Waarheen?«
»Naar Holland, bedoel ik.« [281]
»Naar Holland!« herhaalt Verschuere weer en hij ziet haar aan alsof hij aan haar verstand twijfelt.
»Ja,« spreekt ze dof. »Ja.«
»Zonder mij?« roept hij. »Zonder mij, Nita?« vraagt hij dan met dat zacht vleiende in zijn stem, wat ze zoozeer vreest in dit oogenblik.
»Je kunt immers niet weg?«
»Neen, dat kan ik niet.«
»En ik moet gaan.«
Weer herhaalt hij ongeloovig het woord, dat haar door de ziel snijdt. »Zonder mij? Zonder mij? Nita! Kind!«
»Ja, ik moet gaan.«
Deze klanklooze stem, dit pijnlijk vertrokken gelaat, dat ze telkens afwendt, de koortsige glans in de oogen, die de zijnen trachten te ontwijken, verbazen hem misschien meer nog dan haar woorden; een groote onrust maakt zich van hem meester.
»Nita … ik begrijp je niet. God! kind! wat is er gebeurd?«
»O neen, niets. Zie me zoo niet aan, Gustaaf … Ik weet wat ik wil. Maar als je me zoo aanziet … zoo alsof je me nog liefhadt … dan vergeet ik wat ik wilde …«
»Alsof ik je nog liefhad! Heb ik dat dan niet?«
»Ja, nog een beetje, dat geloof ik ook … Maar het is beter zoo … het is beter dat ik wegga … beter voor ons beiden.«
»Nita … je bent ziek!«
Ze heeft al dien tijd rondom zich gezien als een gevangene, die een uitweg zoekt; als een gejaagde, wie de vervolgers op de hielen zijn. Bij dezen uitroep herwint ze op eens iets van haar kalmte, en terwijl ze de handen samenklemt op de hijgende borst, spreekt ze vast:
»Je hebt gelijk, ik ben ziek. Heel ziek. Zóó ziek dat ik niet meer hier kan blijven, dat ik weg moet, hoe eer hoe beter!«
»Maar wat scheelt je dan? Ik heb er niets van gemerkt.«
Voor enkele oogenblikken komt een bittere glimlach haar om de lippen spelen. »Dat was ook niet waarschijnlijk, is ’t wel? Je hadt het zoo druk!«
»Ja, ik had beter op je moeten letten … Ik ben geheel opgegaan in eigen gedachten, in eigen plannen, den laatsten tijd … Geloof me, kindlief, ik had niets liever gewenscht dan je er deelgenoot van te maken, maar …« [282]
»Ja, dat weet ik. Je kon niet. Vergeef het me, Verschuere … Ik had alles voor je willen doen. Ik had je slavin willen wezen … nu ik niet je gelijke, je vrouw, je kameraad zijn kon … zooals je eenmaal gehoopt hadt.«
»Neen, spreek zoo niet …«
Met een gebaar vol smartelijke afmatting legt ze hem het zwijgen op. »Laat dat rusten, dat is voorbij …«
»Wat is voorbij? Wat praat je toch? Kom, tracht bedaard te zijn. Wat scheelt er aan, kind? Je hoofd gloeit, je handen zijn als ijs.«
»Ik heb immers gezegd dat ik ziek ben.«
»Ja, je hebt de koorts, ik zal dadelijk om Bosschaert zenden.«
»Neen,« spreekt ze nu ernstig en vast besloten. »Doe dat niet. Bosschaert kan me niet genezen. Niemand kan dat; niemand, behalve misschien … mama.«
»En ik dan?«
Een oogenblik ziet ze hem in het gelaat, het gelaat dat ze liefheeft boven alle andere … een oogenblik wankelt ze in haar besluit; maar het is genomen ten koste van bange nachten en heete tranen; ze weet dat hij zijn beloften niet houden kan; ze keert zich van hem af om sterk te zijn.
»Neen, je kunt het niet.«
»Dus, je wilt weg? Je wilt niet langer bij me blijven?«
Agnita wringt de handen; ze wordt aangegrepen door een gevoel van flauwte, als bij hevige pijn.
»Antwoord me, Nita!«
»Je zult me immers niet missen?…«
Ze spreekt die woorden langzaam, weifelend. Ze durft niet opzien, ze kan niet ademhalen, zoo bonst haar hart. Zal hij zeggen dat ze zich bedriegt, dat de scheiding hem even hard zal vallen als haar? O God, indien dat mogelijk ware! Indien hij maar zeide dat hij haar noodig heeft voor zijn geluk! Dan bleef ze! Dan kon ze alles dragen! Dan zou ze moed hebben om een nieuw leven te beginnen.
Ach, hoe weinig kent ze het mannenhart! Hij is gegriefd, beleedigd… Heeft ze niet haar ouders gesteld boven hem, hem, die zoo zeker meende te zijn van haar liefde, dat hij zelfs niets heeft gedaan om die te behouden? [283]
»Dus je wilt bij je pa en ma zijn?«
»Ja.«
»Liever dan bij mij?«
»Ja.«
Smartelijk getroffen ziet hij haar in het gelaat. Maar het is hem vreemd met die hartstochtelijke, verwilderde uitdrukking; zooals ze hem geheel en al vreemd is in dit uur, zijn zachte, zwakke vrouw, nu zoo vast besloten, zijn gevoelvolle Nita, nu zoo koel: de teedere woorden die hem uit het hart welden, besterven hem op de lippen.
»Ik begrijp me niet … je bent me een raadsel.«
Smeekend heft ze de handen naar hem op. »O, folter me niet langer … Zie je het dan niet, dat ik bezwijk? Heb medelijden … zeg dat ik gaan mag!«
»Als je me niet meer liefhebt …«
»O God! O God …« kermt ze.
»Als je meer van je ouders houdt dan van mij …«
»Je bent wreed, Gustaaf …«
»Dan mag je gaan.«
Hij verwacht een haastig antwoord, een heftige ontkenning, een nederige bede om vergiffenis … alles eer dan deze stilte … Maar zij blijft onbeweeglijk staan, zonder zelfs het hoofd naar hem op te heffen, tot hij zich toornend van haar afwendt … Dan zinkt ze ineen, zachtjes, langzaam, zonder kreet, zonder slag; alleen met een langen, kreunenden zucht.
Als de heer Bosschaert, in allerijl geroepen, zijn patiente een vol uur heeft gadegeslagen zoowel onder als na hare bezwijming, verlaat hij haar met een ongewoon ernstige vermaning, om zich toch vooral te wachten voor »ziekelijke opgewondenheid«, die onberekenbaar nadeelige gevolgen hebben kan, en keert zich, zoodra de deur achter hen gesloten is, tot den jongen echtgenoot met een vraag, die dezen het bloed naar de wangen jaagt. Hij kan hem toch niet antwoorden dat hij het niet weet! Hij kan hem toch niet zeggen dat de verhouding tot zijn vrouw in den laatsten tijd niet van dien aard was dat er gelegenheid bestond voor vertrouwelijke mededeelingen! Hij kan toch niet bekennen dat hij vergeten heeft, sedert maanden vergeten heeft belangstelling te toonen in hetgeen nog de vrouw bezig houdt [284]met hopen en vreezen bezig houdt, wanneer de man het reeds lang als afgedaan beschouwt.
»Ze wil naar Europa,« zegt hij eindelijk, in de hoop door deze onverwachte mededeeling Bosschaert’s aandacht af te leiden van de netelige vraag.
»Ah zoo, naar Europa?« vraagt deze, maar zonder iets te toonen van de verbazing, die Verschuere meende te wekken; dokters zien zoo scherp in huiselijke aangelegenheden. »Zoo, zoo, naar Europa? Weet je wel dat dit een uitstekend denkbeeld is?«
»Zonder mij?«
»Natuurlijk. Je kunt niet weg.«
»Ze wil met de Hagens meegaan.«
»Juist. Een prachtige gelegenheid! Je kondt geen beter wenschen. De zeelucht zal haar versterken, een kort verblijf in Holland haar goed doen. En—wat die andere kwestie betreft dat zij zoo als het wil; hier brengt ze het nooit tot een goed einde. Als ze gaan wil mag je haar vooral niet terughouden Verschuere … Ja, ik weet wel, ’t is onaangenaam, dat alleen achterblijven, maar … we zijn nu eenmaal niet voor ons pleizier in de wereld.«
»Neen, dat ondervind ik.«
Straks, als Nita zijn studeerkamer komt binnensluipen en half verlegen, half berouwvol op hem toetreedt, kan hij haar een vrij vroolijk gelaat toonen.
Met een bevend stemmetje vraagt ze: »Gustaaf … zeg, ik heb er nog eens over gedacht … maar zou je werkelijk graag willen, dat ik bij je bleef?«
Zijn stem beeft niet, zijn oogen staan niet vol tranen als de hare, hij is nooit lang zwak.
»Natuurlijk, lieve. Natuurlijk zou ik graag willen dat je bij me kondt blijven. Maar we zijn nu eenmaal niet voor ons pleizier in de wereld, zooals Bosschaert zegt. Hij gelooft dat het je enorm veel goed zal doen. Enorm.«
Dan, als hij de plotselinge verandering ziet in haar trekken: »Je wou toch niet op je besluit terugkomen?«
»O neen. Ik ben vaster dan ooit besloten te gaan.« [285]