[Inhoud]

XXXIX

DE OOGEN WORDEN GEOPEND.

»Lieve, beste man,

»Ik zal dezen aan Mingo geven, met verzoek hem je ter hand te stellen, als ik een dag of acht weg ben. Want, Gustaaf, ik ben verwaand genoeg om te gelooven dat, hoe aangenaam het voor je wezen mag om weer eens geheel te kunnen leven voor je werk, je dàn toch wel weer eens prettig verrast zoudt opkijken, als de deur zachtjes open ging en zeker iemand binnen kwam om je te vragen of je niet eens een uurtje met haar zoudt willen praten.

»Natuurlijk heb je van de welkome rust, na al de drukte die de laatste tijd meebracht, gebruik gemaakt om bergen werks af te doen; dus wil je me dit oogenblikje wel geven, niet waar?

»Maar ik zal niet »kort en zakelijk« kunnen zijn zooals ik weet dat je je brieven graag ontvangt.

»Ik ben zoo in de war, sinds het zeker is dat ik wegga: alles komt me zoo heel anders voor … soms vraag ik me af of het niet een groote vergissing kon zijn; of ik misschien, toen ik geloofde dat hetgeen het eenige was wat me te doen overbleef, je ontevredenheid te hoog opnam; of we misschien na korter of langer tijd niet geleerd zouden hebben elkaârs karakter en overtuiging te eerbiedigen; of ik niet had moeten blijven …

»Maar neen, dit is dwaasheid! Niet waar, Gustaaf, je vondt het ook noodzakelijk? O, als je nog terugkwaamt op je besluit; nu nog, terwijl de koffers gepakt staan en de afscheidsvisites gemaakt zijn, wat zou ik graag weer uitpakken en—zooals je gister zei, toen ik er een balletje van opgooide—een gek figuur slaan.

»Hoe heb ik toch ooit dit onzalig plan kunnen bedenken! Ja, ik weet het maar al te goed: ik weet hoe het voor het eerst in me opkwam, tegelijk met het pijnlijk gevoel van een plaats in te nemen, waarvoor ik niet geschikt bleek. [286]

»’t Was op dien middag toen ik je vertelde, dat ik bedankt had voor de uitnoodiging van Zijn Excellentie om dat uitstapje te maken naar Tjipanas; ik dacht dat je het apprecieeren zoudt, daar je niet mee kondt gaan wegens ongesteldheid; maar je zei dat een vrouw, die geen tact toont, een blok wordt aan het been van haar man. En dan, Verschuere, waarom heb je mevrouw Verdijk toch zoo geprezen? waarom me haar tot voorbeeld gesteld? Het was je geen ernst, dit weet ik; het kon geen ernst zijn.

»Je zoudt niet willen dat ik me het hof liet maken, al was het dan nog zoo’n onschuldige hofmakerij: al was het dan ook tot het bereiken van een doel; niet waar, je zoudt het niet willen!

»O, ik twijfel nu of je al die nare dingen wel hebt gezegd met de bedoeling, dat ik ze zoo hoog zou opnemen! Maar … herinner je je niet dien avond toen ik me onvoorzichtig had uitgelaten, wat je toen bij ’t naar huis rijden zei? Dat een getrouwd man geen meester is over zijn daden. Dat zijn vrouw het werk van jaren soms in één uur bederft. Dat je niet hadt moeten trouwen! Dat je niet hadt moeten trouwen …

»Ja, Gustaaf je hadt wel moeten trouwen, alleen niet met mij.

»Je zoudt me niet zoo gegriefd hebben, als je kalm geweest waart; dat spreekt van zelf. Maar niet waar, op zoo’n oogenblik denkt men niet bedaard na, en ik was diep ongelukkig en kon maar niet in slaap komen ik heb een heele dwaze gewoonte man, die ik je nu maar bekennen zal: als je daar zoo stil in de kussens ligt, dan verdwijnt die strakke vermoeide trek uit je gezicht, dan krijgt het de lieve, vriendelijke uitdrukking van vroeger, en dan vind ik het een genot er naar te zien. Soms, wanneer ik bedroefd was of wanneer we iets gehad hadden samen, keek ik naar je, tot ik den boozen man vergeten kon en met de gedachte aan den lieven de oogen sluiten; dat deed ik dien avond ook, je glimlachte in je slaap en je weet wel, je waart naar bed gegaan zonder me goeden nacht te zeggen … ik gaf je een kus.

»Toen gebeurde er iets; je zult het misschien een kleinigheid noemen; maar ik vond het vreeselijk! Je zei heel zacht: »Marie! o, Marie …«

»Ik weet wie Marie voor je geweest is. Toen je me vertelde [287]van je eerste liefde, vroeg ik je me te zeggen welk soort van meisje ze was … Toen gebruikte je een uitdrukking die ik voor het eerst hoorde en die me daardoor bijbleef: une maitresse femme noemde je haar. Nu weet ik wat dit is, une maitresse femme: het tegenovergestelde van mij …

»Och, die Marie …, ik denk telkens aan haar … zij zou geschikt voor je geweest zijn, zij zou je flink ter zijde hebben gestaan. ’t Is waar, ze heeft een ander genomen om barones te worden en ik, ik zou je voor geen koning geruild hebben, maar wat doet dit er toe? ’t Is immers toch niet de liefde die een huwelijk gelukkig maakt! Zij zou je nooit verveeld hebben.

»Wat is dat moeilijk, Gustaaf, je man te boeien! Als de meisjes wisten hoe moeilijk het is, zouden ze niet zoo haastig trouwen, of zich beter voorbereiden. Niet waar, ik heb gedaan wat ik kon? Ik ben niet onverschillig geworden voor den indruk, dien ik op je maken zou; ik heb de talenten, die ik bezat, gebruikt; ik heb beproefd het je thuis gezellig te maken; ik heb je vrienden hartelijk ontvangen. En ik heb met inspanning van al mijn krachten beproefd me te ontwikkelen; ja, ik heb hard gestudeerd, Gustaaf, veel harder dan je ooit vermoed hebt. En toch verveelde ik je! Toch kwam, als ik je iets vroeg terwijl je bezig waart—en je waart altijd bezig—die rimpel op je voorhoofd: toch zag ik telkens die ongeduldige beweging waarmee je opkeek uit je boek als ik nader kwam; toch heb ik je heel opgewekt hooren praten met vreemden, als je niet den minsten lust hadt getoond om te praten met mij. Zie je, dit vond ik vreeselijk, dit gevoel, dat langzamerhand over me kwam van tot last te zijn. Denk niet dat ik het je verwijt; je hebt genoeg je best gedaan om het te verbergen, maar geloof je ook niet dat niets moeilijker te verbergen valt dan verveling?


»We zijn alweer dichter bij het afscheid en ik kan nog niet besluiten om dezen te eindigen; het helpt me zoo dat ik schrijven kan wat in me omgaat, ik zou anders veel te veel zeggen. O, lieveling, wat moet dat een ondragelijk iets zijn, een huwelijk zonder wederzijdsch vertrouwen, als ik bedenk wat ik geleden heb sedert ik je niet meer alles zeggen kan!

»O, als ik maar eens spreken durfde! mijn geheele hart uitstorten … [288]maar dat mag niet! Neen, dat mag niet, want je zoudt me aanzien en in je armen nemen en ik zou zwak worden, zwak tot lafheid toe en bij je blijven om je tot last te zijn!


»Ik dacht dat ik alles overwogen had vóór ik mijn besluit nam, maar ik heb één ding vergeten, hoe verrukkend het is bemind te worden.

»O Gustaaf, als er soms in je hart bitterheid mocht komen jegens de vrouw, die je heeft moeten teleurstellen, denk dan hoe zwaar ik zelve daaronder geleden heb; denk dan dat ik je omhelzingen mis en je kussen en je teederheden en je zult medelijden met me hebben. Waarom ben je ook zoo lief voor me, Gustaaf, nu deze laatste dagen? Waarom? Ik zou willen dat je driftig waart zooals een poos geleden; ik zou willen dat je harde, onrechtvaardige dingen zei; dat zou me sterk maken.

»Maar neen, dit heb ik niet ernstig gemeend; ik kan de herinnering aan deze laatste goede dagen niet missen … ik neem ze mee naar Holland als een schat; ik voel het nu, noch de vreugde van weer thuis te zijn, noch papa’s groote genegenheid, noch mama’s trouwe zorgen zullen me kunnen vergoeden wat alleen de liefde geven kan—die volheid van geluk, die niets te wenschen overig laat.

»Soms—niet waar Gustaaf, je lacht me niet uit zooals die dames, omdat ik me dit telkens weer verbeeld?—soms, als ik me in zielsangst afvraag hoe ik toch zonder je leven zal, is het me of ik antwoord krijg, of engelen me komen toefluisteren dat ze me een kindje willen brengen. Ik moest niet luisteren naar die beloften, maar het maakt me minder ongelukkig en—zijn ze bestemd om onvervuld te blijven—ach, ik ben er reeds aan gewoon, de engelen met de blijde boodschap op eens te zien verdwijnen …


»Gister zei je, dat het egoïstisch van me was weg te gaan. Als je niet meer telkens gestoord wordt, als ik je tijd niet meer vraag voor allerlei nietigheden, als je geheel leven kunt voor je werk, geheel toebehooren aan je betrekking, dan zul je weten dat het niet egoïstisch van me was weg te gaan.


»Gustaaf, ik droomde dat ik aankwam in Holland. Ik stond [289]op het midden van de loopplank. Iemand bracht me een brief. Aan den wal wachten pa en ma en de broers en zusters. Ze wenkten me toe. Ik zag duidelijk ma’s lief gezicht: ze schreide van vreugde. Ik hoorde de neefjes en nichtjes roepen: »Tante, tante Nita!« en ze zonden me kushandjes toe … ik stond daar en las den brief. Hij bevatte maar vier woorden: »Kom weer bij me.« Toen groette ik pa en ma uit de verte en keerde terug op de boot; de loopplank werd ingehaald, ik hoorde ze roepen, gillen; ik zag hoe mijn arm oud vadertje moest worden vastgehouden, hoe mama’s gezicht veranderde … ik bekommerde er me niet om, ik voelde me zoo licht als een veêr. »Hij wil me terug hebben, hij mist me, hij verlangt naar me!« riep ik, tot ze eindelijk verdwenen uit het gezicht.

»Dwaze droom, niet waar? Maar o, ik had voort willen droomen, luisterend naar de machine, waarvan iedere slag me nader tot je bracht, ik had voort willen droomen tot in eeuwigheid.

»Als je wist met welk een vreeselijk gevoel van teleurstelling ik wakker werd! Ja, ik zal de machine hooren, maar niet om me tot je te brengen!

»Morgen reeds is het de dag van mijn vertrek … morgen reeds, ik had altijd gehoopt dat er nog iets tusschenbeide zou komen, maar morgen reeds … nu kan het niet meer.

»O, Gustaaf, ik heb je toch wel bemind! Ik bemin je nog, Gustaaf, boven alles! Hoe zou ik anders moed vinden om dit te doorstaan? Wat zijn de menschen gelukkig die plotseling sterven; ze behoeven geen afscheid te nemen …«