[Inhoud]

HOOFDSTUK II.

Een ontdekking.

Dienzelfden avond bezochten “Hannibal Sloan” en zijn spruit een der vele theaters van New-York.

Zij hadden aan den portier te kennen gegeven, dat zij waarschijnlijk zeer laat zouden terug keeren, daar zij New-York des nachts ook eens wilden bezichtigen, en toen zij den man den rug toekeerden, had deze eens voor zich heen gegrinnikt, de schouders opgehaald, en bij zich zelf de opmerking gemaakt, dat het nachtelijke New-York voor twee zulke “grasnegers” groote gevaren verborg.

Maar als zij zich daaraan bloot willen stellen, dan moesten zij het zelf maar weten.

De voorstelling was omstreeks elf uur geëindigd, en Raffles en Charly bereikten met den stroom bezoekers de straat.

De schouwburg was in de Twintigste straat gelegen, en slechts honderd passen verder schitterden oogverblindend de lichten van Broadway, de tallooze schitterende reclames, die gemeentelijke verlichting bijna overbodig maakte.

Een oogenblik stond Raffles besluiteloos stil, en toen zeide hij:

“Het is voor den tijd van het jaar buitengewoon fraai weder—heb je er iets tegen een kleine wandeling te maken?”

“Niet het minst,” antwoordde Charly haastig. “Het was wat benauwd in den schouwburg, en ik heb er een weinig hoofdpijn gekregen. Een wandeling in de frissche avondlucht zal mij goed doen. Waar wil je heengaan?”

“Het doet er niet toe. Wij zijn hier niet ver van het Central Park, daar kunnen wij mijnentwege heengaan.”

Langzaam liepen de beide mannen de breede, helder verlichte straat ten einde.

Reeds zagen zij op eenigen afstand de toppen van de hooge boomen in het reusachtige Central Park.

Het was hier tamelijk stil, maar ook hier was een zee van licht, voornamelijk afkomstig van de geweldige groote lichtreclames op de daken of tegen de voorgevels der huizen.

Het genoemde park wordt door een aantal breede, fraaie lanen doorsneden, en het is dag en nacht geopend.

Langzaam richtten de beide vrienden, die niet veel gesproken hadden, hun schreden daarheen, en een oogenblik later wandelden zij in het schoone park.

Het was een verrukkelijke lente, zooals men er in jaren geen had genoten, en allerwege stonden struiken en planten reeds in bloei.

Het was hier tamelijk stil, want het park dient alleen als doorgangsweg voor degenen, die in de huizen er omheen wonen.

Hier en daar verlichtten de electrische bollen het struikgewas, en de breede laan, waarin de vrienden zich thans bevonden.

Enkele malen waren zij een politieagent gepasseerd, die evenals zij scheen te genieten van den heerlijken avond, en rustig voorbij wandelde, de handen op den rug gevouwen, het koordje van den gummiknuppel om den pols bevestigd.

Van afstand tot afstand waren gemakkelijke banken geplaatst, en op een daarvan ongeveer in het midden van het park namen de beide vrienden plaats.

Zij staken hun pijpen op, met geurige Virginia-tabak gevuld, daar een sigaret in hun mond wel wat zonderling zou hebben gestaan, en lieten hun blikken in het rond waren. [7]

En daarbij bleven de oogen van Charly gevestigd op een schijnbaar vormelooze massa, die aan het begin van een breede zijlaan op den grond lag, het leek wel een hoop zand, maar daarvoor was het toch wel wat te donker.

“Wat is dat daar toch?” vroeg de jongeman op zachten toon, met zijn doornenstok in de richting van het vormelooze ding wijzend. “Daarginds, dichtbij den voet van dien grooten eik, tusschen den boom en de bank.”

Raffles tuurde scherp in de duisternis, met half dichtgeknepen oogen, en eensklaps stond hij op, en zeide kortaf op gedempten toon:

“Ga eens mede, wat ziet dat voorwerp er zonderling uit.”

Van hun bank af moesten de beide vrienden de grintlaan schuin oversteken om het begin te bereiken van de zijlaan.

Die plek was vrijwel in duisternis gehuld, want de eerstvolgende lantaarn bevond zich op tamelijk grooten afstand, en het loof van boomen en struikgewas was reeds tamelijk moeilijk voor de lichtstralen doordringbaar.

En reeds toen de beide vrienden de laan halverwege hadden overgestoken zagen zij, wat het schijnbaar levenlooze ding was, een man, die met het gelaat voor over op den grond lag uitgestrekt, een weinig terzijde van de zijlaan, en half onder een boschje rhododendronstruiken verborgen.

Aanstonds versnelden zij hun passen, en het volgend oogenblik stonden zij over den man heengebogen en wentelden hem om.

Zij keken in een bleek, strak gelaat van een nog jongen man, zeker niet ouder dan dertig jaar, elegant gekleed, en die blijkbaar tot de hoogste standen behoorde.

De oogen waren half gesloten, en door de oogleden zag men alleen het wit schemeren.

De overjas, het rokvest waren opengeknoopt, de broekzakken puilden naar buiten, het slachtoffer was totaal uitgeschud.

Want dat men hier te doen had met een beroofde bleek maar al te duidelijk.

Raffles knielde naast den bewustelooze neder, bukte zich over het bleeke gelaat, rook even aan den halfgeopenden mond, en zeide op zachten toon:

“Chloroform en nog iets anders. Wel Charly, dit is al een zeer bijzonder toeval.”

“Wij hebben natuurlijk te doen met een slachtoffer van Canny Macleod.”

“Dat is ten minste zeer waarschijnlijk. Maar stil eens, wat is dat daar?”

Zijn blik was op een der krampachtig gesloten vuisten van den beroofde gevallen.

De vingers waren stijf gesloten om een stukje goed, een flard van een vrouwenrok of iets dergelijks.

Slechts met groote moeite slaagde Raffles er in, de stijve vingers open te maken, en het flard te bevrijden.

Hij bekeek het nauwkeurig bij het licht van zijn zaklantaarn, en bromde toen voor zich heen:

“Ik kan mij niet herinneren, dat Canny een japon droeg van deze stof, toen wij haar de laatste maal zagen, maar het is waar ook, de professor had haar nieuwe kleederen gekocht. Nu, in ieder geval is het wel de moeite waard dunkt mij gebruik te maken van dit stukje goed.”

“Op welke wijze?” vroeg Charly nieuwsgierig.

“Natuurlijk door een hond, een goeden speurder lucht te geven aan dit kleine voorwerp.”

“En denk je dat dat succes heeft in een stad als New-York?” hernam Charly op ongeloovigen toon.

“Wanneer de omstandigheden gunstig zijn, ja. En dat zijn zij in tweeërlei opzichten. Ten eerste kan de berooving niet langer dan hoogstens een uur geleden hebben plaats gehad, want daarvoor was het zelfs hier in het park te druk. Het spoor is dus nog versch, warm, zooals de vakterm luidt. Ten tweede is het reeds laat, en het verkeer is, vooral in deze buurt, zeer verminderd. Een goede hond zal dus niet al te veel moeite hebben, het spoor te volgen, natuurlijk verondersteld, dat de bandieten niet van een automobiel gebruik hebben gemaakt, want dan wordt de zaak wel wat moeilijker.

“En wat is de slotsom van dat alles?”

“Dat wij zoo spoedig mogelijk nut zullen trachten te trekken uit dit kleine flardje, hetwelk door den aangevallen man waarschijnlijk op het laatste oogenblik uit den versleten rok van het “Meisje met de Madonna-Oogen” is gescheurd, toen hij zich in zijn val onwillekeurig ergens aan trachtte vast te houden.”

“Maar hoe kom je zoo spoedig aan een hond?”

“Er zijn nog genoeg koffiehuizen open, waar wij een adresboek kunnen inzien. Wij moeten naar den dichtstbijzijnden hondenkoopman gaan, in de hoop, [8]dat wij daar een dier vinden, dat voor ons doel geschikt is.”

“En deze bewustelooze man?”

“Wij zullen wel een agent waarschuwen, opdat hij naar een gasthuis kan worden overgebracht, of naar een politiepost, om daar in behandeling te worden genomen.”

“Had hij geen kaartje in zijn zak, een adres?”

“Niets van dien aard, anders kon men hem natuurlijk aanstonds naar zijn huis overbrengen. Maar stil, daar komt al een ordebewaarder aan, wij zullen hem er bij roepen.”

Inderdaad kwam er op dat oogenblik een agent van politie voorbij slenteren, met den blik op den sterrenhemel gericht, en die zeker reeds tienmaal deze plek was gepasseerd, zonder het lichaam van den bewustelooze te hebben opgemerkt.

Raffles schreeuwde iets, en dadelijk kwam de man verschrikt toeloopen.

“Wat is er aan de hand? Waarom schreeuwt gij zoo?” vroeg hij, terwijl hij van Raffles naar Charly keek.

“Ik schreeuwde, goede vriend, om u opmerkzaam te maken,” antwoordde Raffles lakoniek. “Zie eens hier, wat wij op den grond hebben gevonden.”

Hij trad een weinig terzijde, en wees op het lichaam van den jongen man, die nu op den rug lag, en levenloos leek.

“Een doode!” riep de agent van politie ontzet uit.

“Niet dood, slechts bewusteloos,” hernam Raffles. “En van alles wat hij bezat beroofd, zooals gij bij een onderzoek van zijn zakken zult kunnen zien.”

De agent bukte zich, legde zijn hand op het warme lichaam, keek beurtelings Raffles en Charly onderzoekend en streng aan, en zeide toen, terwijl hij zijn gummiknuppel vaster omklemde:

“Daar zult gij beiden wel meer van weten?”

“Niet meer dan gij, goede vriend,” zeide Raffles bedaard. “Bespaar u de moeite onzinnige gevolgtrekkingen te maken, omdat gij ons toevallig in de nabijheid van het lichaam aantreft. Denkt gij soms dat wij u geroepen zouden hebben, als wij zelf schuldig zouden zijn aan de berooving?”

De agent scheen in te zien, dat dit inderdaad wel een weinig zonderling zou zijn, maar zijn wantrouwen was gaande gemaakt, en daarom hernam hij op barschen toon:

“Uw naam en woonplaats?”

“Hannibal en Nepomuk Sloan, uit Kentishville.”

“Gij zult zoo goed zijn, mij naar het bureau van politie te vergezellen,” hernam de agent van politie streng.

“Het spijt mij waarlijk, mijnheer de agent, maar daartoe ontbreekt mij de tijd en de lust,” gaf Raffles schouderophalend te kennen. “Ik ben een vreemdeling en ik moet niets hebben van onaangenaamheden met de politie. Wij hebben hier dezen man gevonden in bewusteloozen toestand, en van al zijn sieraden en geld beroofd, wij hebben er u dadelijk bij geroepen en meer kunt gij onmogelijk van ons vergen. Op het politiebureau evenmin als hier zouden wij u kunnen zeggen, wie die man is, om de eenvoudige afdoende reden, dat wij het niet weten. Wij hebben niets van de roovers gezien, wij weten dus ook niet in welke richting zij gevlucht zijn, en dat is alles.”

“Daarmede heb ik niets te maken,” hernam de agent met stemverheffing. “Volg mij naar het politiebureau, dan kunt gij uw verklaring aan den commissaris afleggen. En ik zou u aanraden om aanstonds mijn bevel op te volgen, want ik verzeker u, dat ik niet van gekscheren houd.”

“Wat dat betreft, ik evenmin,” kwam Raffles kalm.

Hij stak snel de rechterhand uit, en het volgende oogenblik rolde de politieagent, tegen de kin geraakt, als een aangeschoten konijn om en om, en bleef stil liggen.

“Voor vijf minuten heeft hij zijn bekomst wel,” zeide Raffles lakoniek. “Het is zijn eigen schuld, waarom was de man ook zoo lastig. Wij hebben nu waarlijk wel wat anders te doen, dan geheel nutteloos bezoeken te brengen op bureaux van politie. Het zal hem misschien een les zijn, bij een volgende gelegenheid niet zulke dwaze vragen te stellen. En kom nu spoedig mede, voor hij zich van den slag hersteld heeft.”

Raffles had Charly bij den arm genomen, en voerde hem haastig weg van de plek waar de politieagent tot zijn schade zooeven ervaren had, dat men niet ongestraft den Gentleman-Inbreker kon afhouden van zijn plan.

Een paar minuten later hadden zij een der uitgangen van het park bereikt, en gingen het eerste het beste koffiehuis binnen, waar zij zich een adresboek lieten geven, en daaruit de adressen noteerden [9]van een aantal hondenkooplieden, scheerders en kennelhouders.

Met het kleine lijstje gewapend, verlieten zij weder het koffiehuis, en richtten hun schreden naar het eerste adres, dat op hun lijstje voorkwam, en dat het dichtst in de buurt was.

Het was bijna halfeen in den nacht, toen zij in een smalle steeg stilstonden voor een klein en tamelijk morsig uitziend huis, waar zich, naast de vervelooze deur, een winkelkast bevond, waarin een soort kooi was neergezet, voor de helft bevolkt door konijntjes, voor de andere helft door een nest jonge katten.

Op de deur was een houten plankje bevestigd, hetwelk het opschrift droeg:

“Derrick Hunter, in honden, konijnen, katten en vogels.”

Het geheele huis was in duisternis gedompeld, en de winkeldeur was op slot, maar dit was voor Raffles geen beletsel, om zoo hard hij kon aan de winkelschel te trekken.

Het holle geluid van de ouderwetsche bel was duidelijk tot op straat hoorbaar, maar daar binnen bleef het stil.

Dit duurde slechts eenige seconden, want daarna barstte een woedend concert van jankende, blaffende, snauwende en blazende kreten los, hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door de pensionnaires van den heer Hunter, die aldus onverwachts in hun nachtrust werden gestoord.

Een oogenblik later werd er op de eerste verdieping een raam opengeworpen, en er verscheen een ruig mannenhoofd, beplant met een bos verward haar, en uit den mond van dat hoofd klonk het woedend:

“Wilt gij dat ik u een baksteen op de hersens gooi, of zal ik een paar van mijn honden op u afsturen. Gij hebt het maar voor het kiezen.”

“Wij wenschen noch het een, noch het ander, mijnheer Hunter, wij wenschen u slechts twintig dollar te laten verdienen, zonder eenige moeite, dan ons vijf minuten te woord te staan.”

Dit antwoord scheen den hondenkoopman glanzende vooruitzichten te beloven, want hij bromde nog iets, trok zijn warrig hoofd terug, sloot het raam, en even later hoorden de beide mannen hem nijdig uitvaren tegen de honden, die onmiddellijk zwegen.

Toen klonk het terugschuiven van een paar grendels, de winkeldeur werd op een kier geopend, en nu hadden Raffles en Charly het uitzicht op een zeer groote revolver, en op een kleine dievenlantaarn, waarmede de heer des huizes achtereenvolgens hun gelaat belichtte.

Het onderzoek scheen hem te bevredigen, want hij deed brommend den ketting van de deur, liet de bezoekers binnen, stak zijn revolver weer weg, en zeide na de deur zorgvuldig te hebben gesloten:

“Neem mij niet kwalijk, dat ik eenige voorzorgsmaatregelen genomen heb. Gij zult mij begrijpen als ik u zeg, dat de politie al menigmaal een van mijn honden heeft gebruikt bij de arrestatie van een misdadiger, en dat nemen de bandieten mij kwalijk. Zij hebben mij al eens gedreigd, en daarom ben ik ook altijd gewapend. En zeg mij nu wat gij wenscht.”

“Niets anders, mijnheer Hunter, dan dat gij ons zegt, of gij ons voor dezen nacht uw besten speurhond kunt leenen. Zooals ik u reeds zeide, heb ik er twintig dollars voor over.”

Hunter scheen een oogenblik na te denken, en zeide toen een weinig weifelend:

“Het is een aardige prijs, maar.… gij moet mij behoorlijk staangeld betalen, en ik moet weten waarvoor gij den hond noodig hebt.”

“Wat het eerste betreft, die voorwaarde is reeds ingewilligd. Wat het tweede aangaat, wij hebben aanstonds een goeden hond noodig, om een spoor te kunnen volgen van.… een groot misdadiger, die deze stad heel onveilig maakte.”

“Dan wil ik mij niet verder met uw zaken bemoeien, mijnheer, ik denk dat gij particuliere detectives zijt.”

“Zoo is het. Wij hebben niet ver hier vandaan een misdaad ontdekt, het spoor van de vluchtelingen is nog warm, en ik weet zeker, dat een hond met een goeden neus het zal terugvinden.”

“Dan geloof ik dat ik wel heb, wat gij noodig hebt, mijnheer. Wees zoo goed mij even te volgen.”

Hunter ging de beide mannen voor.

Hij liep de gang ten einde, en trad daarop een tamelijk groot vertrek binnen waar in het midden slechts een kleine ruimte open was gelaten; de drie van de vier wanden, en zelfs de wand waarin zich de schuifdeur bevond, waren met groote en kleine kooien bezet, die bijna allen bewoond waren.

Dadelijk hieven alle honden een luid geblaf aan, waarschijnlijk om hun blijdschap te kennen te geven, maar Hunter gebood hen weder stilte en opende [10]toen een der hokken, waaruit dadelijk een bastaard-terrier te voorschijn sprong, een kruising tusschen een schippertje en een Airdale-terrier.

De hond was vrij groot, ruigharig en blijkbaar zoo gezond als een visch en zeer sterk, in staat om mijlen en mijlen achtereen naast een rijwiel mee te loopen, over hooge schuttingen te klauteren, en als het moest een verdrinkende uit het water te helpen.

Het beest was onmiddellijk naar zijn meester toegeloopen en ging op het eerste bevel voor hem zitten.

Raffles keek een oogenblik naar den schranderen kop, met de glinsterende zwarte oogen, het grof-gebeende lichaam, de stevige pooten, de verstandige uitdrukking van het gelaat, met zijn aan weerszijden uitstekende snorren, en den wantrouwenden blik in de donkere oogen.

“Denkt gij dat de hond een spoor zal kunnen volgen, dat hoogstens een paar uren oud kan zijn?” vroeg Raffles.

“Ik overdrijf niet graag, mijnheer, en daarom zeg ik alleen maar tot aan het einde van de wereld! Er is geen tweede hond zoo in geheel New-York, dat durf ik op een briefje geven! Als iedere andere hond het moet opgeven, dan weet King er nog altijd wat van te maken.”

“Kan ik het beest voor dezen nacht meekrijgen?”

“Ja, voor twintig dollar—en gij betaalt er twee honderd als staangeld, en dat is eigenlijk nog te weinig, want eigenlijk gezegd is de hond onbetaalbaar!”

“Hier hebt gij er drie honderd—een kwitantie als ik u verzoeken mag!” zei Raffles droogjes.

De man ging haastig een kwitantie invullen, waartoe hij de schuifdeuren moest openen, om in den eigenlijken winkel te treden, en al dien tijd bleef King de beide vreemdelingen wantrouwend van onder zijn ruige wenkbrauwen opnemen.

Hunter keerde binnen enkele oogenblikken terug met het papier, maar alvorens Raffles hem de drie honderd dollar ter hand stelde, vroeg hij:

“Voor ik den hond meeneem—gelooft gij, dat hij mij zal willen volgen?”

“Ja, maar alleen als ik het hem beveel, mijnheer,” antwoordde de man. “Hij is tamelijk wantrouwend moet gij weten!”

Hunter ging naast Raffles staan, terwijl hij den hond aan een dun touw vasthield, streek zachtjes over den schouder van Raffles, sprak daarna den hond vriendelijk toe, en bracht hem zoo aan het verstand, dat hij met een vriend te doen had.

De hond scheen dit volkomen te begrijpen, en eenige minuten later liet hij toe dat Raffles hem vasthield bij den ring van den wurgriem, dien het beest om den hals had.

Hunter deelde nu nog mede, naar welke bevelen de hond gewend was te luisteren en daarop verlieten de beide mannen met hun aanwinst de zaak van Derrick Hunter weder, met de belofte, dat zij den hond bij het krieken van den dag weder zouden terugbezorgen. [11]