Allereerst begaven de beide vrienden, thans vergezeld door den terrier, zich weder naar het Central Park, hetwelk nu nog stiller en donkerder leek dan zooeven, en zoodra zij er weder waren binnengetreden, richtten zij hun schreden naar de plek, waar zij het bewustelooze lichaam van den beroofde hadden ontdekt.
Zij hadden de plaats goed onthouden, en toen zij haar tot op honderd meter afstands waren genaderd, stonden zij stil, teneinde zich te overtuigen, dat alles veilig was, en zij zonder gevaar konden naderen.
Niets liet zich hooren, en eindelijk waagden zij het erop, langzaam naderbij te komen, daarbij zorgdragend, zooveel mogelijk in de schaduw der groote boomen en van het dichte struikgewas te blijven, en den hond zoo kort mogelijk aan het eind touw te houden, hetwelk Hunter den hond bij wijze van lijn had aangeknoopt.
Zij spitsten de ooren, om ieder verdacht geluid op te vangen, maar alles was stil, en slechts heel in de verte hoorden zij nog het geraas van het groote stadsleven.
Het was ook, alles welbeschouwd, niet aan te nemen, dat de agent van politie dien Raffles zoo hardhandig had moeten behandelen, ook maar een oogenblik rekening zou hebben gehouden met de mogelijkheid, dat de beide mannen die hij nu wel voor boosdoeners moest aanzien, nog eens naar dezelfde plek zouden terugkeeren.
Zoo bereikten zij het begin van de zijlaan weder, voorzichtig om zich heen spiedend, maar er was volstrekt niets te bespeuren—noch van den agent, noch van den bewustelooze—hij was zeker reeds weggehaald met de auto-brancard, en naar het dichtst bijzijnde gasthuis vervoerd.
Nu pas haalde Raffles het japonflard, dat hij met opzet in een stuk papier had gewikkeld, uit zijn zak te voorschijn, bracht den hond tot bedaren, door hem liefkoozend over den kop te streelen, en liet hem vervolgens aan het stukje doek ruiken.
Zelfs zonder dat Raffles iets behoefde te zeggen, scheen King onmiddellijk te begrijpen, wat er van hem verlangd werd.
Hij wendde den kop van het stukje doek af, en begon dadelijk, met den snuit naar den grond gebogen, overal rond te snuffelen.
Binnen enkele minuten had de hond het goede spoor gevonden—en hij liep zoo snel weg, dat het touw bijna uit de vingers van Raffles geglipt was, die moeite had den hond in zijn vaart bij te houden.
Zonder ook maar een oogenblik te aarzelen, zette King zijn tocht voort, liep het park uit, sloeg de Twintigste straat in, liep ook deze geheel ten einde, en bereikte op deze wijze de kade van den Hudson, die hier door New-York stroomt.
De tocht had ongeveer een half uur geduurd, en gedurende al dien tijd had King voortdurend met den snuit boven den grond geloopen, slechts zeer zelden even stilstaande, waarop Raffles hem dan opnieuw liet ruiken aan het stukje goed.
Op de kade gekomen scheen de hond slechts zeer even te weifelen, maar daarop stak hij haar in haar volle breedte over, en begaf zich naar den kant van het water.
Op deze plek lag het niveau van de kade een paar meter boven den waterspiegel.
De kademuur was bekroond door een steenen balustrade van ruim een meter hoogte en als men daar overheen keek, dan zag men een tweede, lager gelegen kade, waar kleine schuitjes konden meren, die groenten aanvoerden van de boerderijen, welke [12]een eind buiten de stad, dichtbij de rivier gelegen waren, en voor wie het vervoer te water, hoewel het iets langer duurde, verreweg de goedkoopste was.
Op geregelde afstanden waren steenen trappen in den kademuur uitgespaard, die toegang gaven tot de aanlegplaatsen.
King zette zijn tocht onverdroten voort, tot hij, bij een dezer trappen gekomen, haar zonder aarzelen afliep, en zoo de smalle aanlegkade bereikte, waar zich een groot aantal kleine houten steigers bevond, bestemd voor het meren van roeibooten, kleine lichters, motor- en stoombootjes van niet te grooten diepgang.
En hier scheen de hond eensklaps het spoor bijster te zijn geworden.
Hij was tot vlak bij een dezer steigers geloopen, en draaide hier onrustig in het rond, met den staart tusschen de beenen geklemd, en nu en dan zachtjes jankend als een zelfbeklag.
Toen stond hij stil, keek over het donkere water, waar slechts nu en dan de duistere schaduw van een schip voorbijgleed, wendde zich toen tot Raffles, ging op zijn achterste zitten, en keek zijn tijdelijken meester aan, alsof hij wilde zeggen:
“Het spijt mij—ik kan er niets aan doen—maar ik kan niet verder. Sla mij er niet voor—ik heb mijn best gedaan!”
Maar Raffles dacht er niet aan, het dier te slaan.
Integendeel, hij haalde een expresselijk voor dit doel in het koffiehuis gekochte worst te voorschijn, sneed er een flink brok af, en gaf het aan den hond, terwijl hij hem prijzend toesprak.
Hij had natuurlijk aanstonds begrepen, dat Canny Macleod waarschijnlijk, vergezeld van haar medeplichtigen, zich op deze plek had ingescheept aan boord van een motorbootje, die haar verderop had gebracht—denkelijk was de eigenaar van die boot eveneens in het complot, en lid van de gevaarlijke bende.
De beide mannen keken elkaar teleurgesteld aan, want zij begrepen maar al te goed, dat het volstrekt nutteloos was, onder deze omstandigheden de achtervolging voort te zetten.
Zeker, er lagen links en rechts van den verlaten steiger eenige tamelijk groote schepen gemeerd, waarvan de bemanning misschien had kunnen zeggen, in welke richting het bootje met Canny aan boord zich verwijderd had—maar daaraan hadden zij al bitter weinig, want of dit nu al stroomopwaarts of stroomafwaarts was geweest—het was ondoenlijk met deze magere gegevens de achtervolging voort te zetten.
Maar juist toen de twee mannen zich wilden verwijderen, begon King zachtjes te grommen, en loerde, onbewegelijk als een beeld, over de nauwelijks rimpelende oppervlakte van de breede rivier, waarop zich hier en daar roode en groene lichten langzaam voortbewogen.
Het schrandere dier scheen iets bespeurd te hebben, hetgeen tot dusverre aan de aandacht van de beide mannen ontging—zijn instinct zou hem dienaangaande niet bedriegen.
En het duurde dan ook niet lang, of Raffles en Charly ontwaarde een klein vaartuig, dat op dit oogenblik de rivier kwam oversteken, en recht op den steiger scheen aan te houden.
Zelfs op dien afstand was het te zien, dat het geen schoorsteen had, het was dus klaarblijkelijk een motorboot.
Ieder oogenblik scheen de hond in blaffen te willen uitbarsten, maar Raffles bracht hem met een bevelend woord tot zwijgen, en wendde zich daarop tot Charly.
“Laten wij ons zoo spoedig mogelijk verschuilen—ik geloof, dat het toeval ons gunstig is—daar komt een boot aan, en het zou mij volstrekt niet verwonderen, als het dezelfde is, die Canny en haar metgezellen gebruikt hebben om zich te verwijderen!”
“Ik zie daar op den lagen wal een paar groote pakkisten—vandaar hebben wij juist de trap in het oog, voor het geval de eigenaar van de boot zich mocht verwijderen!” zeide Charly fluisterend.
“Een goed idee!” hernam Raffles. “Kom dan maar spoedig mede!”
In gebukte houding ijlden de beide mannen over de smalle, duistere aanlegkade en bereikten de zware, groote kisten, waarvan er eenigen op elkander waren gestapeld, die een voortreffelijke schuilplaats opleverden.
De kisten sloten niet volkomen tegen elkaar aan, en door de opengebleven reten konden de twee mannen een gedeelte van de rivier, den aanlegsteiger en de trap overzien.
De motorboot had haar vaart nog aanzienlijk vertraagd, en gleed nu zachtjes langs den aanlegsteiger, waarop zij onbewegelijk stil lag. [13]
De schroef sloeg nog even achteruit, een gedaante aan boord, die aan het stuurwiel had gestaan, sloeg een dunnen tros om den aanlegpaal, zette de motor af, verrichtte nog eenige werkzaamheden, waarvan de aard op dien afstand niet was vast te stellen, en stapte toen van den rand van het bootje op den steiger.
Daar stond hij een oogenblik stil, om een sigaar aan te steken blijkbaar, want het schijnsel van een lucifer, in de holte van zijn beide handen tegen den wind beschermd, verlichtte gedurende eenige oogenblikken een glad geschoren, geel gelaat, met breede kaken en dicht ineengedrongen, rossige wenkbrauwen.
Het duurde maar een kort oogenblik, en het schijnsel van de lucifer, zoo dicht bij het gezicht gehouden, werkte bedriegelijk, maar toch meenden Raffles en Charly deze trekken al eens meer gezien te hebben—zij behoorden toe aan een lid van de bende, waarvan Black Pete en zijn minnares Canny aanvoerders waren.
Raffles die den man geen oogenblik uit het oog had verloren, boog zich naar Charly over, en fluisterde hem toe:
“Volg dien man, mijn jongen! Het kan voor ons van groot gewicht zijn, om te weten waar hij woont! Hij schijnt de eigenaar van dat bootje te zijn, waarmede hij zooeven Canny naar een veilige plek heeft overgebracht, waarschijnlijk ver van de plek, waar de berooving plaats vond, en door hem zullen wij haar misschien terug vinden!”
“Goed! En wat doe jij in dien tijd?”
“Ik blijf hier op je wachten!”
“Zouden wij Henderson er niet bij halen?”
“Ik geloof niet dat wij het op dit oogenblik behoeven te doen—het is vannacht toch onmogelijk, het spoor van die vrouw verder te volgen—op het water kan onze brave King helaas geen spoor volgen!”
“Maar misschien moet ik dien man wel uren volgen!”
“Volg hem dan uren—als je maar weet waar hij verblijft!” hernam Raffles kortaf. “Haast je wat, want daar zie ik hem de trap reeds opgaan! Je zult mij hier op dezelfde plek terugvinden!”
Inderdaad, de man van de motorboot beklom op dit oogenblik de trap, keek, bovengekomen, een oogenblik om zich heen, en liep toen haastig de kade af.
Charly drukte Raffles de hand, verliet zijn schuilplaats, ijlde de trap op en begon de achtervolging van den man.
Raffles hoorde nog een oogenblik hun beider voetstappen, en toen werd het stil—hij vernam weinig anders dan het zachte geklots van het water tegen den kademuur, en het geluid van de aanlegkettingen langs de houten palen.
Hij wachtte omstreeks een kwartier, en al dien tijd had zich in de buurt volstrekt niets bewogen.
Wat King betreft, de hond scheen al volkomen aan Raffles gewend te zijn, en had zich voor hem uitgestrekt, den schranderen kop op de voorpooten gelegd, waarop hij rustig was ingeslapen, dankbaar voor het lekkere hapje, dat zijn fijne neus hem had opgeleverd.
En toen alles stil bleef, nam Raffles het besluit, de motorboot eens aan een onderzoek te onderwerpen, wellicht leverde dit iets van waarde op.
Hij nam een stukje houtskool op, dat hij onder het bereik van zijn hand vond liggen, en schreef met duidelijke letters op het witte hout van een der kisten:
“Je kunt mij op de boot vinden!”
Vervolgens stond hij op uit zijn gebukte houding, liep snel op den steiger toe, door den hond gevolgd, die dadelijk weer klaar wakker was, en een oogenblik later bevond hij zich aan boord.
De motorboot was een fraai, maar niet al te goed onderhouden scheepje, met ranke lijnen, en dat zeker een groote snelheid kon ontwikkelen, want de motor was van een voortreffelijk fabricaat, en zeer krachtig, zooals Raffles bleek, toen hij voorzichtig de kap oplichtte, die het werktuig bedekte.
De boot kon gemakkelijk twintig personen vervoeren, en toch zonder bezwaar door een enkel persoon bestuurd worden, die, achter het kleine rad staande, alle hefboomen onder het bereik van zijn hand had.
Er was een kleine voorplecht, dan kwam de kajuit, vervolgens een kleine kombuis, en dan de ruime cockpit, terwijl achterin de stuurinrichting geplaatst was.
De motor was zoodanig ingebouwd, dat hij in het geheel geen last kon veroorzaken, en te weerszijden van de kajuit bevond zich een smal gangpad, zoodat men zich, als men tenminste over eenige lenigheid beschikte, van de voor- naar de achterplecht kon begeven. [14]
Het bleek Raffles al dadelijk, dat Canny inderdaad met dit scheepje vervoerd was, want dienaangaande liet het gedrag van King geen twijfel over.
Niet zoodra was de hond aan boord gekomen, of hij was weder begonnen te snuffelen, in alle hoekjes en gaatjes, en Raffles wist zeker, dat hij hier het spoor van de misdadigster hervonden had.
Hij doorzocht zorgvuldig de kajuit, maar hij kon er niets bijzonders vinden, bereikte toen de kleine voorplecht, waar ongeveer zes personen konden zitten, drie op iedere zijbank, en zette zijn onderzoek voort.
Hij wilde reeds weder onverrichter zake door de kajuit heen naar de cockpit terugkeeren, toen zijn oog viel op een klein snippertje papier, blijkbaar van een grooter vel afgescheurd, en van driehoekigen vorm.
Het lag tegen den voet van een der banken aangedrukt, en was daar waarschijnlijk terecht gekomen, toen degene, die het vel papier verscheurde, de snippers over boord wilde werpen.
Raffles nam het stukje papier op, en bekeek het zorgvuldig.
Het was daartoe echter noodig, dat hij in de kajuit terugkeerde, de beide deuren sloot, de gordijntjes voor de patrijspoorten dichttrok, en vervolgens zijn electrische zaklantaarn liet ontgloeien.
De driehoekige papiersnipper bevatte slechts een twintigtal letters—en met den eersten blik zag Raffles dat hij met geheimschrift te doen had—de letters waren allen aan elkander geplaatst, en vormden een volkomen onbegrijpelijk zinsgedeelte.
Hij vouwde het stukje papier zorgvuldig op, stak het in zijn vestzak, en bromde voor zich heen:
“Daar mag Charly zijn kracht eens op beproeven—hij is een groot liefhebber van raadselschriften en rebussen!”
Vervolgens doofde hij zijn lantaarn weder, zette de deuren weder open, zooals hij ze gevonden had, schoof de gordijntjes weder terug, opdat er niets zou blijken van het ongewenschte bezoek, en klom weder op de steiger.
King volgde hem onmiddellijk, alsof hij al jaren in zijn dienst geweest was, en het was niet eens meer noodig den hond aan het touw vast te houden.
Juist toen Raffles de schuilplaats achter de kisten weder bereikte, en zijn mededeeling, zooeven geschreven, zorgvuldig weder uitwischte, zag hij Charly snel de trap weder afdalen, en een oogenblik later had de jonge man zich bij hem gevoegd.
“Welnu?” vroeg Raffles fluisterend, terwijl hij Charly met gespannen aandacht aankeek. “Je bent niet lang weg geweest, zou ik zeggen?”
“De kerel woont op nauwelijks een half uur gaans hier vandaan! Ik heb het huis zeer zorgvuldig genoteerd—als je wilt kan ik je het nu nog aanwijzen!”
“Komen wij er langs, als wij ons weder naar ons hotel begeven?”
“Ja, als wij een kleinen omweg maken!”
“Welnu, dan maken wij dien omweg! Het is van belang om te weten waar onze man woont!”
De beide mannen verlieten de aanlegkade, en op weg naar het huis van het bendelid deelde Charly Raffles mede, dat de man regelrecht naar zijn woning was gegaan, en de huisdeur met een sleutel had geopend.
Het was in een der oudste buurten van New-York, in de havenwijk.
Een half uur later stond Charly stil, en wees Raffles op een oud, vervallen huis, waarvan alle ramen donker waren, en zeide op zachten toon:
“Daar is het!”
Raffles nam het huis aandachtig op, vergewischte zich van den naam van de straat, beschouwde de omgeving van het huis, en zeide daarop:
“Voor vannacht hebben wij genoeg gedaan, mijn jongen! Het is slapenstijd. Wij zullen nu eerst den hond weder gaan terugbrengen, maar wij moeten hem voor morgen weder bespreken, en dan hoop ik in een goede nachtrust de kracht te vinden voor de verdere afwikkeling van ons avontuur.” [15]