Charly volgde zijn man zonder hem een oogenblik uit het oog te verliezen.
Deze scheen geen oogenblik eenig gevaar te duchten, want hij wierp geen enkele maal een blik achter zich, en dat was maar goed ook, want op den breeden straatweg had hij Charly zeker dadelijk moeten zien.
De achtervolging duurde ongeveer een kwartier.
Toen stond de roodharige eensklaps stil, keek links en rechts en richtte toen zijn schreden naar een vervallen houten, schuur, die op eenigen afstand van den weg lag en waarschijnlijk gediend had bij den bouw van de fabrieken, een weinig verderop.
Bliksemsnel verborg Charly zich achter een rij geweldig groote mooten van een waterleidingsbuis van beton vervaardigd en die hier waarschijnlijk waren neergezet, in afwachting dat men ze in den bodem zou neerlaten.
Goed verborgen zag hij, tusschen een paar van deze buisgedeelten door, hoe de roodharige op de deur toestapte, zorgvuldig om zich heen loerde en toen op eigenaardige wijze aanklopte.
De deur werd geopend door een vrouw—en ondanks den afstand herkende Charly haar dadelijk, het was het “Meisje met de Madonna-Oogen”.
“Wel zoo, wel zoo, hier heeft het lieve kind zich dus terug getrokken. Zij schijnt zich voorloopig liever niet overdag in New-York te vertoonen, ondanks haar geverfd haar,” mompelde Charly voor zich heen. “Zij zal zich daar natuurlijk met haar medeplichtigen bevinden en ik geloof, dat ik er goed aan zal doen, dadelijk Raffles te gaan waarschuwen en dan aanstonds de politie, opdat die zich zal kunnen meester maken van het gevaarlijke gespuis.”
Juist toen deze korte alleenspraak beëindigd was, verdween de rosharige in de loods.
Een oogenblik dacht Charly er aan naar het lage gebouw toe te sluipen en te trachten iets af te luisteren, maar dit plan liet hij dadelijk weder als onuitvoerbaar varen.
Er bevonden zich vier vensters aan de voorzijde van de loods. Twee aan den zijkant, waar hij zich bevond en daar zij een goed eind van den weg af lag, zouden de lieden daar binnen hem zeker al lang gezien hebben voor hij haar kon hebben bereikt.
Wellicht zouden zij hem niet aanstonds herkennen, maar hun wantrouwen zou toch zijn gaande gemaakt, en zij zouden zeker niet over dingen spreken, die niet voor de ooren van derden bestemd waren.
En zoo schoot er voor Charly niets anders over dan rustig te wachten, wat er zou geschieden.
Hij behoefde niet lang te wachten, want na verloop van ongeveer tien minuten ging de deur weder open, en de rosharige keerde weder terug, thans vergezeld door Canny en door drie andere mannen, waarvan Charly althans een dadelijk herkende—het was Black Pete, de minnaar van het “Meisje met de Madonna-Oogen”.
Charly zag aanstonds het gevaarlijke van zijn positie in, het was hier zeer stil, de fabrieken zouden voorloopig nog niet sluiten en het zou hem slecht kunnen vergaan als de bandieten bemerkten dat zij bespied werden.
Hij dook dus veilig weg achter de metershooge buisfragmenten, en draaide er voorzichtig omheen, naarmate het vijftal den straatweg naderde.
De bandieten praatten, daar er heinde en ver niemand te bespeuren viel, op tamelijk luiden toon met elkander en toen zij voorbij de betonnen buizen liepen, ving Charly eenige malen een naam op, een naam, dien hij wel eens meer meende te hebben gehoord, zonder dat hij kon zeggen waar of wanneer. [20]
Hij liet de bandieten voorbij gaan, richtte zich toen op en keek om zich heen.
Zijn blik viel op de groote fabriek en op de niet ver daar vandaan gelegen groote villa en ineens wist hij, dat de naam, dien hij zooeven had hooren noemen, die van den eigenaar van de fabriek en van die villa was—Alfred Dane.
En nu wist hij ook, waar hij dien naam nogmaals gehoord, of liever gelezen had—nog dienzelfden ochtend in een der bladen.
Alfred Dane was de naam van den jongen man, die dien nacht bewusteloos was gemaakt en van al zijn geld en juweelen beroofd.
In het ziekenhuis was hij uit zijn bewusteloosheid ontwaakt en daar had hij aanstonds zijn naam kunnen opgeven.
Hij wachtte totdat de vijf bandieten een goed eind voor hem uit waren en aanvaardde daarop eveneens den terugtocht, want het vijftal had zich naar de plek begeven, waar de rosharige zijn boot had achter gelaten.
Een oogenblik dacht hij er over Raffles door een kreet te waarschuwen, maar ook dit plan gaf hij direct prijs. Het kon wel te gevaarlijk zijn, of het zou mislukken.
De vijf bandieten zouden zich snel genoeg weten in te schepen en zich uit de voeten kunnen maken, of zij zouden van hun revolvers gebruik maken en aan een vuurgevecht op klaarlichten dag mocht in deze stad in geen geval gedacht worden.
Vruchteloos zag Charly uit naar agenten van politie, die juist op dit oogenblik groote hulp hadden kunnen bieden.
Men achtte het blijkbaar niet noodzakelijk, deze afgelegen plek door veel politie te laten bewaken en deze omstandigheid was den bandieten waarschijnlijk niet onbekend.
Daarom hadden zij feitelijk hier hun hoofdkwartier opgeslagen en de rosharige was de man die de verbinding tusschen dat hoofdkwartier en wat men de vuurlijn zou kunnen noemen, onderhield.
Charly zag hoe het vijftal den steiger betrad en hij verhaastte nu zijn schreden teneinde Raffles, die eveneens de boot wel zou hebben gezien en dadelijk de achtervolging weder zou willen voortzetten, niet noodeloos te laten wachten.
Toch had de bruine boot reeds weder den oever verlaten, en stoof zij snel stadwaarts, toen Charly buiten adem van het harde loopen in de motorboot stapte.
Een blik op het gelaat van Raffles was voldoende om hem de overtuiging te schenken dat ook de Gentleman-Inbreker Black Pete en Canny herkend had.
“Het spijt me, Raffles—ik kon niet harder loopen—,” begon Charly nog hijgend van inspanning.
“Verontschuldig je niet, Charly, je hebt gedaan wat je kon,” kwam Raffles, toen hij de kleine tros los wierp en de motor weder in gang bracht. “Heb je ontdekt, waar zij hun verblijf houden?”
“Ja, in een reeds lang verlaten groote loods, waarschijnlijk een teekenloods, die nog dateert uit den tijd van den bouw der fabriek, waarvan je den schoorsteen daar ginds kunt zien.”
“Nu, dat is in ieder geval van groot belang,” hernam Raffles. “Ben je in de gelegenheid geweest iets af te luisteren?”
“Bitter weinig. Ik heb alleen een naam hooren noemen, den naam van Alfred Dane.”
“Zoo heette de jonge man, dien zij vannacht hebben overvallen.”
“Ja, en hij is de eigenaar van gindsche fabriek.”
“En zij noemden zijn naam?”
“Eenige malen achtereen.”
“En heb je werkelijk volstrekt niets anders kunnen verstaan,” drong Raffles aan. “Ga eens goed met je geheugen te rade.”
Charly dacht ingespannen na en antwoordde daarop:
“Misschien, ik geloof.… ik meen dat ik ook het woord betaaldag vernomen heb, maar daarvan begrijp ik de beteekenis niet al te goed.”
“Ik wel,” hernam Raffles droogjes, “het is namelijk morgen betaaldag voor de meeste arbeiders.”
“En wat zou dat?”
“Heel eenvoudig, op betaaldagen hebben de patroons natuurlijk het meeste contante geld in huis, of op de fabriek.”
Charly keek Raffles met groote oogen aan, maar hij zeide niets. Wel begreep hij wat er op dit oogenblik in het hoofd van zijn vriend om ging.
Dat was zeker, Raffles scheen iets te vreezen voor Dane, den eigenaar van de groote fabriek van machineonderdeelen, die bijna duizend arbeiders aan het werk hield. [21]
Intusschen had men de achtervolging weder voortgezet, maar Raffles zag maar al te spoedig in, dat een gehuurde motorboot, al was zij dan ook snel in den aanvang, het op den duur niet kon opnemen tegen een zoo voortreffelijk vaartuig als dat van den rosharige.
De afstand werd hoe langer hoe grooter, het noodlot wilde, dat er een paar groote sleepen in den weg kwamen en nog voor men de groote wolkenkrabbers weder voorbij voer, moest Raffles zich wel gewonnen geven. De bruine motorboot was uit het gezicht verdwenen en waarschijnlijk hadden de bandieten zich reeds aan wal begeven.
Die opvatten bleek de juiste te zijn, want toen de gehuurde motorboot langs den kleinen steiger voer, lag daar reeds weder rustig de mahoniehouten boot en nergens was iets van de bandieten te bespeuren. Zij hadden zich weder in de menigte opgelost.
De duisternis begon reeds weder te vallen, want het grootste gedeelte van den middag was met de achtervolging verstreken en het zou moeilijk zijn, thans het spoor van Canny en haar medeplichtigen te hervinden.
Toch besloot Raffles, zich de diensten van King opnieuw te verzekeren. Men kon nooit weten, hoe zij den hond weder konden gebruiken.
Henderson belastte zich hiermede en zou het dier onder zijn berusting houden en Raffles en Charly, na de boot weder te hebben afgeleverd, begaven zich aan land, en bereikten in een tamelijk mistroostige stemming hun hotel.
Het kon niet anders gezegd worden—zooals de zaken nu stonden, was de laatste trek aan hun tegenstanders geweest.
Alles wat zij wisten was, dat zij zich ophielden in een verlaten loods, en dat was niet veel.
Want niemand kon zeggen, of zij daar iederen nacht zouden doorbrengen en zelfs kon men dit onwaarschijnlijk achten, want bandieten, als Black Pete en zijn minnares moesten vreezen dat de politie ieder oogenblik hun schuilplaats kon ontdekken.
Toch gaf Charly, zoodra de beide mannen de kamers betreden hadden, waar zij zouden dineeren, Raffles in overweging onmiddellijk de politie te waarschuwen opdat deze voor alle zekerheid de loods in het oog zou kunnen houden.
Maar Raffles schudde het hoofd en zeide:
“Volgens jouw beschrijving van het terrein gaat het al heel moeilijk, zelfs des avonds, want je deelde mij mede dat de loods geheel vrij staat, en dat wij minstens eenige honderden meters moeten afleggen over een geheel open terrein.”
“Dat is zoo. Met alleen de stukken pijp van de waterleiding als tusschendekking,” moest Charly toegeven.
“Dat is onvoldoende. Wij hebben met sluwe boeven te doen. Zij zullen wel hun wachtposten hebben, in de gedaante van een zoogenaamd argeloozen arbeider, een vroegrijpen straatjongen, die het nooit bijzonder op de politie begrepen heeft, of iets dergelijks.”
“Maar wij zelf dan, Raffles? Kunnen wij dan niet de taak van de politie overnemen, wij die veel minder in het oog vallen?”
“Daar denk ik ook over, mijn waarde, maar eerst moet ik je oordeel eens vernemen, inzake een aardig stukje papier. Hier is het.”
En met deze woorden duwde Raffles Charly onverhoeds een stukje papier in de handen.
Charly keek verbluft naar de onbegrijpelijke aaneenrijging van letters en riep toen uit:
“Wat geef je me daar nu? Wat moet dat voorstellen? Waar heb je dat gevonden?”
“Ik vond het aan boord van de bruine motorboot, Charly, en het is zonder eenigen twijfel een boodschap van den chef van de bende aan zijn ondergeschikten.”
“Maar het is geheimschrift,” riep Charly uit.
“Dat meende ik ook te hebben opgemerkt,” hernam Raffles droogjes, “en omdat we aan raadselschrift niets hebben, noodig ik je hierbij vriendelijk uit, deze rebus voor mij op te lossen. Ik meen, dat je daar zeer sterk in bent.”
“Maar dat is een zaak, Raffles, die mij dagenlang kan bezig houden,” hernam Charly op wanhopigen toon.
“Ik hoop, dat je er wat korter over zult doen, mijn jongen. Ik ben er ten zeerste op gesteld, zoo spoedig mogelijk te weten, wat dit eigenaardige samenvoegsel van letters te beteekenen heeft.” [22]