160 40ste Sendbrief, blz. 391. 

161 „A letter concerning green weeds growing in water and some animalcula found about them. Philosophical Transactions, vol. 23. 

162 7de Sendbrief, blz. 64. 

163 Vangarmen. 

164 „Verhandeling over Antoni van Leeuwenhoek en zijne verdiensten voor de plantkunde; in het Tijdschrift voor Natuurlijke Geschiedenis, uitgegeven door Prof. J. van der Hoeven en W. H. de Vriese, 1834, 1ste deel. 

165 29ste Brief, blz. 17. 

166 29ste Brief, blz. 19. 

167 Van Hall, t. a. p., blz. 6. 

168 29ste Brief, blz. 26. 

169 29ste Brief, blz. 19. 

170 29ste Brief, blz. 26. 

171 29ste Brief, blz. 12. 

172 5de Vervolg, 88ste Brief, blz. 50. 

173 5de Vervolg, 88ste Brief, blz. 52. 

174 74ste Brief, blz. 482. 

175 28ste Sendbrief, blz. 261. 

176 28ste Sendbrief, blz. 264. 

177 28ste Sendbrief, blz. 266. 

178 28ste Sendbrief, blz. 269. 

179 2de Vervolg, 74ste brief van 12 Augustus 1692, blz. 484 en 496, 497. 

180 29ste Brief van 12 Januari 1680. 

181 46ste Brief van 30 Maart 1685, blz. 75. 

182 3de Vervolg, 74ste Brief van 12 Augustus 1692. 

183 3de Vervolg, 74ste Brief van 12 Augustus 1692, blz. 488. 

184 Van Hall t. a. p., blz. 18. 

185 55ste Brief van 13 Juni 1687, blz. 37. 

186 46ste Brief van 13 Juli 1685, blz. 27. 

187 „Vermischte Schriften”, I. S. 145. Van Hall t. a. p., blz. 21. 

188Elemente der Phytotomie”. Jena, 1815, I. S. 36. 

189 R. Brown, „Prodromus Florae Novae Hollandiae, pag. 573. Van Hall t. a. p., blz. 25. 

190 De dichter Hendrik Schim, die aan hem op zijn 90sten verjaardag eenige dichtregelen wijdde, en hem daarin tot rust van zijn arbeid aanmaande, vervolgde echter, niet onkundig zijnde dat de wakkere grijze te naarstig was om stil te zijn, in deze woorden:

„Neen schryf, en doet ons al uw zeldzaamheden erven,

Al zoudt gy met de pen in uwe vingers sterven.

Als Plato ondersoek, zoo lang uw levensglas

Noch loopt,” enz.—

191 „Het Mikroskoop, t. a. p. 3de dl. blz. 464, 465”. 

192Philosophical Transactions Th. XXXII, pag. 446”. 

193 30ste Sendbrief, blz. 295. 

194 Deze aanbeveling werd hen door Cornelis van Arckel, Predikant te Delft, later te Rotterdam, met wien Leeuwenhoek bevriend was, verstrekt. 

195 Gerard van Loon, „Beschrijving der Nederlandsche Historiepenningen.” Bd. III, blz. 223. 

196 3de Vervolg, 71ste Brief, slot, blz. 436. 

197 20ste Sendbrief, blz. 189. 

198 20ste Sendbrief, blz. 189. 

199 Van Loon voegt er deze vertaling bij:

„Zijn arbeid valt op kleine zaken, maar is van geen kleine glorie”. Bd. III, pag. 223. 

200 Er is eene tegenstrijdigheid in de genoemde aanteekening bij Birch, dat de benoeming van Leeuwenhoek tot Lid der Royal Society in 1680 zou zijn geschied, terwijl Leeuwenhoek zelf in den 46sten Sendbrief opgeeft dat hij in 1679 werd benoemd. Dit jaartal 1679 is op zijn grafzerk in de Oude kerk te Delft uitgehouwen en wordt ook genoemd in mijn vroeger vermeld familieregister. Deze tegenstrijdigheid kan, dunkt mij, worden opgelost, door de vermelding, dat men in dien tijd gewoon was, het jaartal, van den aanvang des jaars, tot ongeveer in het midden van Maart, zoodanig te schrijven, dat het vorig jaartal er bij vermeld werd, zoodat men dan schreef 16​79⁄80 enz. Ook de dateering geschiedde volgens oude en nieuwe stijl, welke circa 10 dagen met elkander schijnt te hebben verschild. 

201 Birch, t. a. p., pag. 11. 

202 Birch, t. a. p., pag. 13. 

203 Halbertsma’s Dissertatie, t. a. p., blz. 18. 

204 De stichting der Royal Society dagteekent van de onrustigste dagen waarin Engeland verkeerd heeft, namelijk van het jaar 1645, hetzelfde jaar van den slag van Naseby, die de macht van Karel I vernietigde. Eenige geleerde mannen, afgemat door de eindelooze politieke twisten en vervolgingen, kwamen overeen, om op zekeren dag in iedere week zich te vereenigen, ten einde zich over wetenschappelijke onderwerpen te onderhouden en op deze wijze, de twisten te vergeten, die hun vaderland te gronde dreigden te richten.

De eerste bijeenkomsten hadden plaats te Londen. Toen de onlusten iedereen, die maar eenigszins de partij des konings scheen toegedaan te zijn, noodzaakten Londen te verlaten, verplaatsten zij hun zetel naar Oxford.

Gedurende het protectoraat van Cromwell bleven de leden verspreid en liet het collegie niets van zich hooren, tot op de verheffing van Karel II, toen zij in 1659 weder naar Londen terugkeerden en hunne vergaderingen, even als vroeger, in het Gresham-College hervatteden.

Men ondervond opnieuw tegenspoed, doordien het gewoon lokaal waarin zij vergaderden, tot eene kazerne werd ingericht. In 1660 werd hun collegie door patent-brieven voor goed geconstitueerd, ondervond de Sociëteit spoedig eene groote uitbreiding en werd van zeer groot gewicht in de wetenschappelijke wereld. Dien voorspoed was het voor een groot deel verschuldigd aan den ijver van zijn Secretaris Heinrich Oldenburg, een Duitscher.

De „Philosophical Transactions” werden het eerst in 1665 uitgegeven en werden, bijna zonder eenige afbreking tot op onzen tijd toe geregeld voortgezet.

Het belang dat dit Collegie stelde in de onderzoekingen van Leeuwenhoek heeft zeker veel bijgedragen tot prikkel en aansporing voor hem om zijne waarnemingen en ontdekkingen met onverflauwden ijver voorttezetten. [121]

(George Cuvier. „Histoire des sciences naturelles” 1841. Émile Blanchard „Les observations au microscope” in de Revue des deux mondes 1868 p. 389.) 

205 Johannes Hoogvliet was Heelmeester te Delft. 

206 6de Vervolg, 99ste Brief, blz. 231. 

207 5de Vervolg, 89ste Brief, blz. 62. 

208 Dit grafschrift werd door den dichter Poot gemaakt. 

209 Van dit familiewapen maakte ik reeds melding op blz. 19, Noot. 

210 T. a. p., blz. 26. 

211 Derde deel, 85ste Brief, blz. 13. 

212 Uffenbach’s Reisen enz. t. a. p. 

213 „Biographisch Woordenboek der Nederlanden. (Letter L.)” 

214 Dit werd mij eerst onlangs door Dr. du Rieu medegedeeld terwijl dit laatste blad ter perse was.