Baxter had een geheim onderhoud met zijn detectives om opnieuw te beraadslagen, hoe lord Lister, alias Raffles, kon gepakt worden.
De juwelier Collgate had een belooning van duizend pond sterling uitgeloofd voor hem, die zijn juweelen terugbracht.
Maar hoe de detectives ook nadachten, zij konden geen nieuwe middelen vinden om Raffles te pakken.
De inspecteur had nogmaals een onderhoud gehad met Sherlock Holmes, om dezen te vragen, behulpzaam te zijn in het opsporen van Raffles.
Holmes telefoneerde echter, dat hij niet van plan was aan deze opsporing mede te werken, daar hij Raffles volstrekt niet beschouwde als een misdadiger.
Zoo was Baxter dus op zijn eigen mannetjes aangewezen.
En zoo wist Baxter dus feitelijk zelf nog niet, welken weg hij in dezen zou inslaan.
Met mismoedig gelaat keek hij het avondblad door.
Plotseling bleef zijn blik hangen aan een kleine advertentie.
Hij las het volgende:
„Miss Else!
„Plaats van ontmoeting vóór het Majesty-Theater, morgen, Donderdag, om acht uur!”
Baxter las de advertentie verscheiden keeren.
Zou het toeval hem hier den weg hebben gewezen?
Hij dacht na.
Zou met deze miss zijn bloedverwante, miss Walton, niet bedoeld worden?
Wie weet!
Misschien was hij op het juiste spoor!
Misschien was hij dit keer Raffles te slim af!
Hij vertelde Collgate niets van zijn ontdekking.
Hij nam een zakmesje en sneed de advertentie voorzichtig uit.
Toen nam hij afscheid van den juwelier en ging naar het advertentiebureau van de „Times” om daar te vragen of men hem den persoon kon beschrijven, die de advertentie had afgegeven.
Onverrichterzake moest hij echter weer weggaan.
Toen begaf hij zich naar Whitechapel.
Het was al donker, toen hij dit beruchte stadsgedeelte betrad.
Voor een klein huisje in de buurt van de Theems bleef hij staan.
Nadat hij naar alle kanten had rondgespeurd of niemand hem bespiedde, deed hij de deur voorzichtig open.
Hij vroeg:
„Is mister Fox thuis?”
Een vrouwenstem antwoordde: [22]
„Yes, Sir!”
De inspecteur ging een korte gang door en een kamer binnen, waarin een petroleumlamp brandde.
Bij zijn binnenkomst stond een oude, magere man uit zijn leuningstoel op.
Hij keek den detective met scherpen blik aan.
„O, bent u het, inspecteur Baxter? Ik heb u in drie maanden niet gezien, wat voert u hier?”
„Zaken!” antwoordde Baxter. „Ik heb uw hulp noodig, waarbij ge een paar duizend pond kunt verdienen.”
De magere hoestte en bood den inspecteur een stoel.
„Laat eens hooren, wat ge voor zaakjes hebt!”
Baxter zweeg even.
Toen begon hij:
„Het is om Raffles te doen!”
De magere liet een langgerekt gefluit hooren.
Toen trommelde hij met zijn beenige vingers op de tafel.
„Dat dacht ik al, toen ik die belooning hoorde. Dus om Raffles is het te doen! Het is wel een groote eer voor mij, dat ge daarvoor mijn hulp inroept, maar beste mijnheer Baxter, ik wil u wel eerlijk bekennen, dat die kerel ons allemaal veel te slim af is.
„Er is een belooning op zijn hoofd gezet, zooals totnogtoe de recherche nog nooit heeft uitgeloofd. Als ze maar te verdienen was! Gij weet heel goed, inspecteur, dat ik in mijn twintigjarige loopbaan als particulier detective, al heel wat moeilijke zaakjes heb opgeknapt en heel wat gevaarlijke jongens achter de tralies heb gewerkt.”
„Maar mijn waarde mister Baxter, kijk eens hier!”
Hij wees op een stapel papieren, die voor hem op tafel lag.
„Daar hebt ge al het materiaal, dat ik in de zaak Raffles heb verzameld, zonder dat ik feitelijk nog tot eenig helder inzicht ben gekomen.
„Ik wil u wel eerlijk bekennen, mister Baxter, dat die man ons allen te slim af is. Ik schroom geen oogenblik, dit volmondig te erkennen!”
„Dat ben ik niet met u eens! Ik geloof, dat ik hem ditmaal te slim af ben en gij, mister Fox, zijt de eenige, die mij kunt helpen.”
Fox vertrok zijn gelaat tot een grimas:
„Ja, ja, als de heeren detectives het niet meer alleen af kunnen, dan mogen wij eens een handje helpen. Vertel me dan eens wat ge voor hebt met dien Raffles en met mij!”
Baxter haalde de uitgeknipte advertentie uit zijn portefeuille te voorschijn.
Fox las haar opmerkzaam.
„Ja, als dat die miss Walton is, die met Raffles onder één hoedje speelt—en als dat Raffles is, dan—hm!—dan zou het wel een aardig zaakje kunnen worden. Maar—” hij zweeg een wijle.
Toen vervolgde hij:
„Maar als het nu inderdaad dat liefje en Raffles zijn, wat dan?”
Baxter zweeg.
„De zaak is niet zoo heel gemakkelijk”, vervolgde Fox.
„Zou Raffles, als hij naar den schouwburg gaat, zich aan het publiek vertoonen? Daar geloof ik niets van.”
„Maar ik zal, ik moet hem vinden”, beweerde Baxter.
„Ik wensch u veel geluk, mijnheer Baxter, maar, met uw verlof, ik heb een heel ander plan.”
„En dat is?”
„Raffles is verliefd op deze miss Walton, dat is een feit. Hij heeft het er nu opgezet, haar te ontmoeten! Als het ons dus morgenavond, ondanks alle voorzorgsmaatregelen, niet gelukt Raffles voor den schouwburg te vangen, laat ons dan miss Walton ontvoeren en haar ergens heen brengen. Raffles zal dan natuurlijk geen poging ongemoeid laten om zich met haar in verbinding te stellen en haar uit onze handen te bevrijden.”
Baxter schudde het hoofd.
„Dat is een strafbaar feit, mister Fox.” [23]
„In dezen heiligt het doel de middelen.”
— — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — —
Om zeven uur den volgenden dag reeds waren Baxter en Fox voor het Majesty-Theater op post.
Het was omstreeks acht uur toen Baxter het meisje ontdekte.
Een fijne, klamme motregen viel neer en het meisje had haar gelaat in een dichten sluier gehuld.
Baxter zag, dat zij telkens omkeek met onrustig gebaar, alsof zij op iemand wachtte.
In dit oogenblik vloog Fox op haar af.
Hij sprak haar aan.
„Het is goed, dat ge gekomen zijt. Ga mee, ge wordt gewacht.”
Miss Walton, die niet de minste argwaan koesterde, volgde den particulieren detective naar een automobiel, die achter het gebouw wachtte.
Baxter bleef op post, in de hoop den verwachten Raffles te zien opdagen.
Toen Fox de automobiel bereikt had, sprak hij:
„Stap vlug in, opdat niemand op ons let.”
Deze woorden versterkten het meisje nog meer in haar meening, dat de man door lord Lister gezonden was.
Haastig besteeg zij de automobiel, terwijl Fox nog eens omkeek of hij door niemand werd bespied.
Hij zag alleen een politie-agent in uniform en, onbevreesd voor dezen, riep hij den chauffeur het adres van zijn huis toe.
Toen steeg ook hij in.
Hij zag echter den scherpen blik niet, waarmede de politie-agent hem nakeek.
Deze slenterde langzaam naar den hoofdingang van den schouwburg en posteerde zich daar in de buurt van den inspecteur.
Een paar seconden later begon hij met den inspecteur een praatje over het slechte weer en over het stuk, dat dien avond gespeeld werd.
Baxter gaf maar korte antwoorden en toen begon de agent maar opnieuw te patrouilleeren.
De inspecteur keek nauwelijks naar den agent.
Scherp speurde hij naar de menigte, in de hoop den gezochten Raffles te vinden.
Tegen negen uur werd hij het wachten moede.
Hij scheen zich vergist te hebben,
Miss Walton had zeker op iemand anders gewacht.
Raffles was niet voor den schouwburg geweest.
En toch was hij er geweest!
Hij had zelfs met hem gesproken over het slechte weer en het stuk, dat werd opgevoerd.
De inspecteur had slechts de hand behoeven uit te steken om den gezochte in te rekenen.
Lord Lister was als politie-agent verkleed gekomen.
Hij was ook de man geweest, die de automobiel had nageoogd en die hoorde, waar de onbekende man met miss Walton was heengereden.
Toen sprak hij Charly Brand aan, die den schouwburg wilde binnengaan en ging met hem de aangrenzende straat in, waar zij al spoedig een cab namen en zich naar een pension lieten rijden.
Daar had hij een kamer gehuurd en zich in het uniformpak gestoken.
De vrienden vertelden elkander hun wedervaren.
„Ik moet nog dezen nacht te weten komen, wat er met miss Walton gebeurd is”, sprak Raffles.
„Ik wil eerst een bezoek met je brengen bij mijn hospes en zijn vrouw; die kunnen dan kennis met je maken en een kamer voor vannacht voor je in orde maken. Wij gaan dan dadelijk weer weg.”
De hospes en zijn vrouw wisten hoegenaamd niets af van het doen en laten van hun huurder. Zij hielden hem, met het oog op zijn uniform, inderdaad voor een Londensch politieman.
Zonder eenige achterdocht begroetten zij Charly Brand.
Zij gaven hem een kamer naast die van lord Lister gelegen.
Hij nam Charly mee naar zijn pension en tegen [24]elf uur des avonds verliet het tweetal het huis om naar miss Walton’s verblijf te gaan zoeken.
Lord Lister begreep instinctmatig, dat men het meisje een strik had gespannen.
Nadat zij een uur hadden gereden, waren zij voor het huis van den particulieren detective gekomen.
De vensterluiken van het huis, dat door Fox bewoond werd, waren stevig gesloten, zoodat geen lichtschijnsel op straat viel.
De beide vrienden bekeken eenigen tijd het huis, om te zien, hoe zij dat het best konden binnendringen.
Daar ontdekte lord Lister dat het derde huis, van de woning van Fox verwijderd, leeg stond.
Terstond had hij een plan gereed.
„Wij zullen door dat huis op de binnenplaats trachten te komen.”
Juist wilde het tweetal het leege huis binnengaan, toen de deur van Fox’ woning werd geopend.
Op den drempel verschenen twee mannen.
In een van hen herkende lord Lister terstond inspecteur Baxter.
„Laten wij er het beste van hopen”, hoorde de gentleman-dief hem zeggen, „en neem haar de prop vooral niet uit den mond, vóórdat zij heelemaal weer bedaard is geworden; zij schreeuwt anders nog de heele buurt bij elkaar.
„Ik zal nu dadelijk even naar Scotland Yard telefoneeren. Onze meest waakzame agenten zullen zoolang de straat en het huis observeeren, totdat die slimme vos, die Raffles, hier naar toe komt om het meisje te bevrijden!”
„De hoofdzaak is en blijft”, beweerde de particuliere detective, „dat uw mannen zich niet zoo opvallend gedragen, dat ieder kind hen met den vinger kan nawijzen en kan zeggen, „daar staat een van de lui van Scotland Yard.””
„Maak je maar niet bezorgd”, antwoordde Baxter, „ik maak dat zaakje keurig in orde. Alles zal in het werk werden gesteld om de geschiedenis volkomen te doen slagen.
„Ik ben er nu alleen nog maar bang voor, dat het dien Raffles niet zal gelukken, de verblijfplaats van het meisje te ontdekken?”
„Laat dat maar gerust aan mij over, mister Baxter.
„Ik zal morgen onder dezelfde letters als de bewuste advertentie, in de krant zetten, dat miss Else vanavond verhinderd was. Ik zal hem dan verzoeken, haar hier te komen opzoeken. Als Raffles dan de advertentie leest, waaraan ik geen oogenblik twijfel, dan zal hij er met open oogen inloopen en hierheen komen, of hij zal op de een of andere wijze probeeren, met miss Walton zich in verbinding te stellen.”
„All right!” antwoordde de inspecteur, „ik ga nu naar huis. Vannacht is er toch niets meer te doen.”
„Natuurlijk niet!”
Baxter ging.
Fox sloot de huisdeur.
„En nu gaan wij aan ’t werk, m’n jongen”, sprak lord Lister tot Charly Brand.
Behoedzaam liep hij met Charly naar het leegstaande huis en opende zonder eenige moeite met een looper de deur.
Toen de deur weer uiterst voorzichtig gesloten was, ontstak hij een electrische zaklantaarn en door de gang liep het tweetal naar den tuin.
Een laag houten hek scheidde het stuk grond van het aangrenzende.
Zij klommen over het hek en daarna over een tweede en kwamen toen in den tuin, gelegen achter het huis van Fox.
De vensters van dit huis waren met ijzeren blinden stevig gesloten en de deur was met geen looper te forceeren.
Van binnen was een groote ijzeren grendel voorgeschoven.
„Dat kost moeite,” zei Raffles tot zijn vriend.
Hij haalde nu uit zijn binnenzak een groote centerboor en zette deze op de huisdeur.
Na eenigen tijd had hij daarmede verscheiden gaten [25]dicht bij elkaar geboord en door middel van een steekzaag was in korten tijd een gat zoo groot als een vuist in het hout ontstaan.
Hij stak de hand door de opening en schoof den grendel terug.
Nu was de weg dus vrij!
Met ingehouden adem luisterde lord Lister naar eenig geluid.
Van de eerste verdieping hoorde hij zuchten en schreien.
Het bloed vloog hem naar het gelaat.
Hij herkende de stem van miss Walton.
Tegelijkertijd hoorde hij, hoe iemand onrustig heen en weer liep.
Wederom luisterde hij aandachtig.
Toen sprak hij tot Charly Brand:
„Er is iemand thuis; dat is die kleine man die met Baxter stond te praten.
„Wij moeten hem eerst onschadelijk maken!”
„Je zult hem toch niet dooden, Edward?”
„Geen denken aan!”
„Vooruit nu, Charly! Doe dat masker voor!”
Hij gaf zijn vriend een zijden masker en bond zelf ook een voor het gelaat.
Onhoorbaar als een kat gleed hij de trap op en bleef staan voor de deur op de eerste verdieping, waarachter hij geluid hoorde.
Hij rekende uit, te oordeelen naar het geluid der voetstappen, wanneer de wandelende man weer bij het venster was en toen stiet hij plotseling de deur open, greep Fox in den rug, wierp hem op den grond en hield zijn handen vast.
Ontsteld keek de detective den gemaskerde aan.
Toen riep lord Lister:
„Bind den kerel! Hier heb je een goed koord!”
Hij haalde een handstrik te voorschijn en gooide die Charly toe.
Deze bond den doodverschrikten detective.
Toen maakte lord Lister een prop van een stuk papier en stak dien den man in den mond.
„Ik hoorde,” sprak hij tot Fox, „dat ge wildet trachten mij door een valsche advertentie hier in huis te lokken. Ik ben u daarvoor zóó erkentelijk, dat ik nu al gekomen ben.”
Toen snelde hij de kamer uit en begaf zich naar het vertrek, waar hij het weeklagen hoorde van miss Walton.
De detective had haar gebonden en hulpeloos lag zij midden in de kamer op het tapijt.
Verschrikt keek zij naar het scherpe licht van de lantaarn.
Kwam daar alweer iemand, die haar kwaad wilde doen?
Haastig rukte Raffles zijn masker af en op helderen toon riep hij haar naam.
Het meisje dacht te droomen.
Raffles hief haar op met zijn sterke armen, sneed de touwen door en haalde den prop uit haar mond.
„Ben jij het?” was het eerste, wat zij kon uitbrengen.
„Ja, ik ben het! Ik kwam nog juist bijtijds om een schurkenstreek te verijdelen. Ga mee, liefste, je bent nu veilig en gered!”
Eensklaps begon zij te lachen.
„Je ziet er uit als een politie-agent. Ik zou je nooit herkend hebben!”
„Kom nu, kindje,” drong hij aan, „wij mogen hier in huis geen tijd verliezen.
Zij stond op en ging met hem naar de kamer, waar de geknevelde mister Fox lag.
„Goeden avond!” lachte lord Lister, „als uw vrienden van Scotland Yard komen, moet ge hun de groeten doen van John C. Raffles.”
Toen ging het drietal heen.
— — — — — — — — — — — — —
Den volgenden morgen was er groote opschudding voor het huis van Fox.
Arbeiders begonnen het plaveisel op te breken. Een vruchtenventer stond er met zijn karretje en niemand vermoedde in deze lieden de vermomde beambten van Scotland Yard. [26]
Tegen den avond kwam detective Marholm, die door Baxter was gezonden.
Hij klopte en schelde aan de voordeur, maar deze werd niet geopend.
Toen begon hij ongerust te worden en haalde een smid.
Deze wilde de deur openen en bemerkte toen, dat zij in het geheel niet gesloten was.
Bezorgd ging Marholm binnen.
Eenige detectives volgden hem.
Al spoedig werd Fox gevonden en bevrijd uit zijn hachelijke positie.
Toen sprak hij met een bitter lachje tot Marholm:
„Ik heb nu nog ééns beproefd, jelui te helpen tegen Raffles! Ge ziet, welke gevolgen dat voor mij gehad heeft!
„Hij is vlugger, dan wij allen samen en al zoudt ge ook een belooning van honderdduizend pond uitschrijven, neem ik daaraan geen deel!”
Hij rekte zijn ledematen uit en ging aan tafel zitten.
„Ik ga wat eten, want ik rammel van honger!”
En zonder zich te bekommeren om de detectives, ging hij aan tafel zitten en begon met grooten honger groote porties brood en vleesch te verorberen, die er nog stonden van den vorigen avond.
De detectives van Scotland Yard stonden zwijgend om hem heen.
Zij begrepen niets van het onsamenhangende verhaal.
Marholm keek mismoedig.
Fox was aan zijn zesde boterham.
De detectives keken en zwegen.
Eenigen tijd later kwamen Baxter met Collgate.
Een der detectives had den inspecteur het gebeurde per telefoon verteld.
Deze had den juwelier meegebracht.
Toen Baxter het geheele verhaal in alle bijzonderheden door Fox werd meegedeeld, werd hem een telegram gebracht.
Baxter opende het.
Zijn gelaat werd bleek.
„Die Raffles behandelt mij als een idioot”, schold hij, „hij stuurt mij alweer een telegram om mij te feliciteeren met den goeden afloop.”
Woedend verfrommelde hij het papier.
„Lach niet! Ik verbied het je!” beet hij Marholm toe.
Deze verbeet zijn lach, hoewel het hem de grootste moeite kostte.
Alweer had Scotland Yard alle zeilen bijgezet—en alweer was Raffles toch ontsnapt.
En Marholm mocht niet lachen. [27]