[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK.

THUIS.

Lord Lister’s huis in Regent Park werd bewaakt door Fred, zijn kamerdienaar, die plotseling uit zijn sluimer ontwaakte, daar er heftig aan de schel getrokken werd.

Fred wachtte een paar minuten.

Er werd weer gescheld.

De oude kleedde zich en fluisterde:

„Dat moet mijn meester zijn!”

Haastig snelde hij de trap af, opende de huisdeur en liet drie personen binnen.

„Goeden avond, Fred!” sprak lord Lister en gaf hem de hand.

Op vroolijken toon beantwoordde de oude den groet en de getrouwe dienaar vatte de hem aangeboden rechterhand.

John Raffles was nog als politie-agent gekleed en werd door den ouden dienaar slechts aan zijn stem herkend.

„Ik breng bezoek mede, Fred”, sprak de lord, „is de logeerkamer gereed?”

De kamerdienaar boog en antwoordde:

„Alle kamers zijn in orde, lord, zoodat zij ieder oogenblik kunnen in gebruik genomen worden!”

„Je bent een trouwe ziel”, sprak zijn meester, „en ik hoop, daar wij nog geen avondbrood gebruikt hebben, dat gij ons een koud souper en een kop thee zult kunnen verschaffen.”

De kamerdienaar boog nogmaals en antwoordde: „Met genoegen, lord.”

Nu gaf Charly Brand hem ook de hand; hij had dezen ook niet herkend, als Charly hem niet had aangesproken.

Alleen miss Walton verscheen voor den oude in haar gewone gedaante.

Hij ging de trap op en ontstak het licht in de studeerkamer.

Daar was alles onveranderd en het zag er uit, alsof lord Lister nooit was weg geweest.

Het vuur in den haard brandde. In de kamer heerschte een behagelijke warmte en op het rooktafeltje lagen sigaretten voor gebruik gereed.

Lord Lister en miss Walton moesten lachen, toen zij dachten aan de laatste vlucht in den koffer.

In hun vroolijke stemming dachten zij niet aan de mogelijkheid, dat eenig gevaar in huis kon dreigen.

Alleen Charly Brand was onrustig en wenschte zich duizend mijlen van Londen verwijderd.

„Waarom zijn we eigenlijk hier naar toe gegaan, ik gevoel mij niets op mijn gemak!” sprak de jonge man.

„Wij zijn hier veiliger dan ergens anders”, beweerde lord Lister.

„Ben je daar zoo zeker van?”

„Heel zeker!” [28]

„Ik hoop, dat je gelijk hebt!”

„Dat hoop ik ook.”

„Wat zou ge dan wel willen doen, als de detectives van Scotland Yard ons hier opspoorden?” vroeg Charly Brand.

„Weggaan!” antwoordde lord Lister doodkalm.

„Jij hebt makkelijk praten”, sprak Charly Brand schouderophalend, terwijl hij rondkeek in de kamer. „Ik zou wel eens willen weten, hoe je dat zoudt willen klaarspelen. Je kunt nu niet meer werken met je schuifdeur en je klok, waar je in je badkamer in kunt kruipen. En de truc met den koffer is ook al oud! De detectives kennen je kunsten!”

„Ik zal wel andere uitwegen vinden, als het zoover is, Charly!”

„Ik brand nog altijd van nieuwsgierigheid om te weten, hoe je dat zoudt willen aanleggen,” zei Charly.

Lord Lister ging naar hem toe, klopte hem eens bemoedigend op den schouder en sprak:

„Jij bent zenuwachtig, beste jongen! Over dergelijke dingen pijnig ik mijn hersens eerst, als het zoo ver is. Nu heb ik eerst geweldigen honger en ik hoop van ganscher harte, dat mijn oudje wat lekkers heeft.”

Miss Walton was naar de eetkamer gegaan om de tafel te dekken.

Een oogenblik later zat het drietal vroolijk lachend om den welvoorzienen disch en geen sterveling in geheel Londen had kunnen vermoeden, dat de geniaalste aller dieven, de koning der inbrekers, de beruchte Raffles in zijn eigen huis op zijn dooie gemak zat te soupeeren, terwijl alle detectives van Londen jacht op hem maakten.

De oude Fred bediende met kalme waardigheid zijn meester en diens gasten.

De oude man straalde van vreugde en toen de maaltijd was afgeloopen bood lord Lister hem een glas champagne en dankte hem voor de trouwe diensten, steeds bewezen.

„Drink dat glas eens leeg Fred, op de gezondheid van mijn bruid, miss Else Walton.”

Het champagneglas beefde in de handen van den ouden man en een gloeiend rood overdekte zijn gelaat; hij schaamde zich, dat zijn heer zoo gemeenzaam met hem sprak.

Maar tegelijkertijd ook streelde het zijn eergevoel en zijn trots.

„Ik dank uwe lordschap wel heel hartelijk voor de groote eere en ik wensch u al het geluk, dat de hemel u kan schenken.”

Hij wist niet, wat hij zou doen. Telkens en telkens maar weer boog hij en hij zou maar hebben doorgeknikt en gebogen, als lord Lister hem niet zachtjes bij den schouder had gevat en had gezegd:

„Stoot eens met hem aan, Else,” moedigde lord Lister aan.

Miss Walton echter zette het glas neer.

Zij ging naar den ouden dienaar toe en kuste hem op het voorhoofd.

Oude Fred was zóó beduusd, dat het glas uit zijn hand viel.

Zijn trouwe oogen stonden vol tranen.

„En maak nu eens heel vlug een kamer voor mijn bruid in orde, Fred. Mister Brand kan in mijn studeerkamer op de rustbank slapen,” sprak Raffles.

„Wat ben je van plan?” vroeg Charly.

„Eerst een paar dagen rusten hier in huis en dan misschien juwelier Collgate weer eens opzoeken!”

„Drijf de zaak toch niet op de spits, Edward!

„Weet je, wat ik doen zou?

„Ik zou met miss Walton naar een stil hoekje van de aarde gaan om daar samen gelukkig te zijn. Ben je je leven van thans nog altijd niet moede?”

„Om jou raad te kunnen opvolgen, mijn jongen, is geld noodig! Ik heb geen cent! Waarvan zou ik rustig kunnen leven? En ik weet, dat mijn bruid graag dit leven met mij deelt!”

Miss Walton sloeg de armen om zijn hals en fluisterde:

„Ja, liefste! Sinds ik weet, dat je alleen slechte menschen ontrooft, wat zij anderen ontstalen en sinds ik heb ondervonden, hoe onbarmhartig die lieden voor de [29]armen zijn, bewonder ik je en wil ik alles doen, wat je van mij verlangt.”

Lord Lister kuste haar.

„Morgen moet je naar je moeder gaan en haar vertellen, dat je voor eenigen tijd op reis gaat.

En nu, wel te ruste, liefste!”

Daarop begaf ook lord Lister zich ter ruste, evenals Charly Brand.

Een paar minuten later lag het huis als uitgestorven.

Den volgenden morgen las Raffles de ochtendbladen.

Hij moest hartelijk lachen.

En mèt hem lachte geheel Londen.

Voor de zooveelste maal was Scotland Yard voor het lapje gehouden.

— — — — — — — — — — — — — — — — —

In den middag van dienzelfden dag hield een rijtuig stil voor de inrichting voor zenuwpatiënten van dokter Sandrowsky in Westend.

Een bejaard marine-officier en een jongedame stapten uit.

De officier maakte zich bekend als kapitein ter zee lord Douglas, de jongere dame was zijn vrouw.

„Wij hebben een neef in onze familie,” vertelde de officier, „die af en toe allerlei waanvoorstellingen heeft.

„Hij heeft een tijdlang beweerd, Raffles te wezen en nu vertelt hij, dat hij juwelier Collgate is.

„Dezen neef wenschen wij eenigen tijd hier te brengen.”

De dokter had aandachtig geluisterd.

Toen verklaarde hij lord Douglas, dat de zieke den volgenden dag om elf uur kon komen om te worden onderzocht.

De bezoekers gingen.

Den avond van denzelfden dag ontving Collgate een brief van dr. Sandrowsky waarin deze hem verzocht, den volgenden dag om 12 uur bij hem te komen. De dokter wenschte eenige steenen te verkoopen en had geen tijd, persoonlijk te komen.

Collgate was de naam van den zenuwdokter uitstekend bekend.

Den volgenden dag tegen elf uur kwam lord Douglas bij dokter Sandrowsky en overhandigde hem een kistje met juweelen.

„Over een uur,” sprak hij, „zal mijn neef hier zijn. Ik heb hem gezegd, dat ge hem eenige juweelen wilt verkoopen. Zooals ge weet, verbeeldt hij zich, dat hij de juwelier Collgate is.

„Geef hem de steenen vooral niet voor geringen prijs!”

„Natuurlijk niet,” glimlachte de dokter. „Zenuwpatiënten rekenen meestal met groote cijfers. Maar waarom moet eigenlijk die verkoop met uw neef op touw worden gezet?”

„Opdat gij den aard van zijn ziekte beter zult leeren kennen!”

„Uitstekend!” verklaarde de dokter.

De knecht diende in dit oogenblik den juwelier aan en kapitein Douglas trok zich in de aangrenzende kamer terug.

Juwelier Collgate trad binnen, groette den dokter hartelijk en gaf hem de hand.

„Ga zitten!” sprak de dokter, terwijl hij voor zich zelven de opmerking maakte, dat de gelaatsspieren van den juwelier zich elk oogenblik zenuwachtig vertrokken.

„Ge zijt heel zenuwachtig, zooals ik zie,” begon dokter Sandrowsky.

„Dat ben ik,” antwoordde de juwelier. „Door die Raffles-geschiedenis ben ik heelemaal van streek geraakt! Ik rust niet, vóórdat ik den kerel heb!”

Dokter Sandrowsky maakte eenige aanteekeningen.

Het stond bij hem al vast, dat de man ongeneeslijk krankzinnig was.

„Ge hebt mij laten roepen,” begon de vermeende patiënt, „omdat ge mij eenige juweelen wildet verkoopen!”

„Zeker,” antwoordde de dokter.

Hij maakte het kistje open, dat naast hem op tafel stond.

„Zijn dat de steenen?” [30]

„Ja!”

De juwelier bekeek ze.

„Dat zijn zoogenaamde witte diamanten, maar ze zijn niet van het zuiverste water. Ik bied er u duizend pond voor!”

„Dat is toch wel een beetje heel goedkoop. Voor minder dan twee duizend pond kan ik ze niet geven!”

Na een beetje over en weer praten, gaf hij den dokter een chêque van dit bedrag.

De dokter nam het papier glimlachend op en zei toen:

„Wees zoo goed, hier eenige oogenblikken te wachten!”

„Mijn tijd is beperkt,” antwoordde Collgate en hij wilde de diamanten inpakken.

De dokter drukte op een geheim knopje op de schrijftafel, waardoor eenige verplegers in de aangrenzende kamer gewaarschuwd werden.

Collgate begreep niets van deze geheele geschiedenis en terwijl hij zich verbaasde over de houding van den dokter, kwamen plotseling eenige verplegers de kamer binnen en sleepten Collgate weg.

In hetzelfde oogenblik kwam lord Douglas te voorschijn.

„Hoe is het er mee, dokter?”

„Het spijt me, de man is ongeneeslijk!”

„Mag ik de chêque eens zien, die hij gefabriceerd heeft?”

„Zeker, hier is ze!”

Lord Douglas schudde het hoofd.

„Hij heeft ze waarlijk met den naam van Collgate onderteekend,” sprak hij, terwijl hij het papier in zijn portefeuille wegborg.

Toen vroeg hij den dokter, wanneer hij zijn neef mocht komen bezoeken.

„Er gaan meestal drie dagen voorbij, voordat de eerste buien van razernij ophouden. Ge moogt dus uw neef vóór Maandag niet komen bezoeken!”

Lord Douglas ging heen en de dokter ging naar de cel, waarin de juwelier zat opgesloten.

Deze ging als een razende te keer.

De dokter keek door het kijkgat en sprak tegen den verpleger:

„Geef hem een flinke koudwaterstraal!”

Aldus geschiedde.

Eenige verplegers bespoten den woedenden en tierenden juwelier van alle kanten met een kouden douche en brachten hem daarna naar bed.

Tegen den avond ging dokter Sandrowsky den patiënt bezoeken, maar toen hij aan diens bed kwam, vloog de juwelier hem naar de keel en wilde hem worgen.

Wederom waren verscheiden verplegers noodig om Collgate in bed te houden en toen hij steeds voortging met om zich heen te slaan, werd hem een dwangbuis aangedaan.

— — — — — — — — — — — — — — — —

De zoogenaamde lord Douglas intusschen had op de Bank tweeduizend pond uitbetaald gekregen, toen hij de chêque getoond had.

Hij nam een auto en reed tot in de buurt van Regent-Park.

Daar steeg hij uit en ging het huis van lord Lister binnen.

In de gang deed hij baard en pruik af en sprak tot Charly Brand:

„Ik geloof, dat onze vriend Collgate op dit oogenblik een koudwaterstraal krijgt!”

Daarop ging hij naar zijn studeerkamer en maakte zich reisvaardig.

In Queensborough wilde hij zich met Charly en zijn bruid naar Duitschland inschepen.

Miss Walton was den vorigen dag afgereisd om eerst nog haar moeder te bezoeken.

Om vier uur des middags ontmoette het drietal elkander aan boord van het schip. [31]

Op hetzelfde uur werd inspecteur Baxter een telegram overhandigd van den volgenden inhoud:

„Inspecteur van recherche Baxter,
Scotland Yard.

Ik heb juwelier Collgate in de inrichting van zenuwpatiënten van dokter Sandrowsky gebracht. Daar kan hij wat op zijn verhaal komen. Een volgenden keer hoop ik u daar te brengen, want ik geloof dat gij zoo iets ook wel noodig hebt.

Overigens geloof ik, dat de kuur van juwelier Collgate wel geëindigd zal zijn, als gij dit telegram hebt ontvangen en dat hij nooit in zijn leven weer valsche diamanten aan Lord Lister zal verkoopen.

Anders zweer ik hem opnieuw wraak.

Met verschuldigde hoogachting

John C. Raffles.”