Lord Lister zat behagelijk in een grooten leuningstoel in zijn woning in Victoria Street.
Tegenover hem leunde Charly Brand, zijn vriend en secretaris, in een makkelijken zetel.
„Wel?” vroeg Raffles, „ben je nu te weten gekomen, wat voor een club de Ribbon-men is? Het schijnt een overblijfsel te zijn van een geheim genootschap, dat in 1817 in Ierland is opgericht om de arme pachters te beschermen tegen de willekeur van de rijke grondbezitters.”
„Je hebt gelijk, dat je tusschen het een en het ander verband zoekt”, antwoordde Charly Brand. „Ik heb in de voornaamste Londensche kringen gevorscht en ben zoo gelukkig geweest om je volkomen inlichtingen te kunnen verschaffen!”
„Daar ben ik nieuwsgierig naar”, sprak lord Lister.
„De Ribbon-men is een geheim genootschap.”
Lord Lister knikte.
„Waar is de verblijfplaats van deze moderne veemrichters?”
„St James Street No. 39!”
Lord Lister hoorde verbaasd op.
„Zóó, dáár! Dan hebben de heeren al eens op minder aangename wijze kennis gemaakt met mijn vuisten.”
„Hoezoo?”
„In den tijd, toen ik als rechercheur White een half jaar in Scotland Yard ben werkzaam geweest.
„Het verbaast mij allerminst, dat die Sir Woorman lid is van de Ribbon-men. Ook die brave mr. Smith behoort ertoe, zooals mij uit een gewaad is gebleken, dat ik bij hem thuis vond en dat mij in staat zal stellen, iets naders omtrent die club te weten te komen.”
Lord Lister liet zijn vriend een bloedrooden mantel zien, met een kap van dezelfde kleur.
Het kleed was, zooals dat in Duitschland de leden van het veemgericht droegen en in de kap zaten twee gaten voor de oogen.
Op de wijde, geplooide mouwen was een blauw lint gestikt, waarop stond:
Honi soit qui mal y pense.
„Dat heb ik mr. Smith ontstolen”, lachte lord Lister.
„Maar hoe weet je, dat ook Sir Woorman lid is van die club?” vroeg Charly.
„Ik heb je toen al verteld, dat ik de heeren eens met mijn vuisten heb laten kennis maken, toen zij een jong meisje vervolgden. Ik zag niemand, omdat het te donker was, maar Sir Woorman herkende ik onmiddellijk weer aan zijn stem.”
„En je hebt zoo’n band gevonden in het huis van de vermoorde madame De Vales?”
Lord Lister glimlachte.
„Je bedoelt, dat daardoor de dader aan het licht zou komen? Ik zal vanavond zien, aan wiens mantel deze band mankeert Men heeft tot nog toe geen penny van het vermogen gevonden van madame De [17]Vales, hoewel het algemeen bekend was, dat zij zeer rijk was en dat zij met Sir Woorman zeer goed bekend was.”
„Zou die ellendeling ook de moordenaar zijn van mrs. Forester?”
„Dat staat zoo vast als een muur, beste Charly!
„Maar om nu op de vorige zaak terug te komen, zou ik nog willen opmerken, dat een deel der banknoten, die mr. Smith mij vrijwillig heeft overhandigd, evenals een deel van die, welke ik bij Sir Woorman heb gevonden, Fransche papieren waren.
„Wat mrs. Forester betreft, het staat vast, dat Sir Woorman achttien jaar geleden liefdesbetrekkingen met haar heeft onderhouden.
„Destijds was hij nog een arme jongen, die zeker niet vermoedde, dat hij nog eens zoo invloedrijk en vermogend zou worden.
„Onder de papieren, die ik bij mr. Smith, den advocaat van Sir Woorman, heb gevonden en bestudeerd, waren ook een paar dreigbrieven van mrs. Forester, die vertellen van haar nooddruft.
„In deze brieven deelde zij haar vroegeren minnaar mede, dat zij hem nu niet langer zou willen ontzien en dat zij al zijn schanddaden aan het licht zou brengen, als hij niet eindelijk besloot iets te doen voor haar en haar zoon.
„De arme Harry is dus de zoon van Sir Woorman, die in den tijd, toen hij met mrs. Forester een liaison had, het een of ander schijnt te hebben uitgehaald.
„Ook daaromtrent zal wel licht worden ontstoken. Ik heb namelijk gehoord, dat de man van mrs. Forester achttien jaar geleden plotseling is gestorven.
„De jonge weduwe was wellicht niet heelemaal onschuldig aan dien dood. Zij heeft na zeventien jaren haar straf gekregen—de hoofdschuldige echter, Sir Woorman, loopt nog vrij rond en hij durft het zelfs bestaan, over te komen en hier te verkeeren.
„Uit vrees, dat mrs. Forester hem in haar woede en vertwijfeling zou kunnen compromitteeren, heeft hij haar kort en bondig van het leven beroofd en hij heeft het kalm aangezien, dat de jongen onder de verdenking zijn moeder te hebben vermoord voor twintig jaren naar het tuchthuis zal worden gezonden.”
„En mr. Smith, de advocaat?”
„Die wist er alles van, beste Charly.
„Die wist alles—en heeft gezwegen.
„Hij heeft zelfs het werk van zijn geachten cliënt zooveel als in zijn vermogen was ondersteund, want Sir Woorman is met het geld, dat hij de vermoorde madame De Vales ontroofd heft, heel vrijgevig geweest.
„Je ziet, beste Charly, dat ik ditmaal in gezelschap van heel eerbiedwaardige personen ben geraakt!”
De gouden klok op den schoorsteenmantel sloeg tien uur.
Lord Lister stak zijn sigaret aan, kleedde zich in den rooden domino, trok daarover zijn jas aan en sprak toen:
„Het is tijd!”
„Waarvoor?”
„Ik heb Baxter beloofd, dat ik hem binnen vier-en-twintig uren den moordenaar van mrs. Forester zou uitleveren.
„En Baxter mag vooral van mij niet kunnen zeggen, dat ik mijn woord heb gebroken.
„Jij weet, wat je te doen staan, Charly! Er hangt veel van af.”
„All right!” lachte Charly Brand, „je kunt op mij vertrouwen.”
Lord Lister ging de deur uit, nam een rijtuig en reed naar St. James Street.
De heeren hadden hun club op de derde verdieping.
Om twaalf uur des nachts kwamen zij bijeen.
Geen der genooten kon een ander herkennen, allen droegen purperroode kleeren, het gelaat was geheel bedekt, alleen de oogen schitterden. [18]
Nadat allen gezeten waren, sprak één hunner.
„Broeders!
„Volgens ons gebruik, neem ik u wederom den eed af, zooals bij de Ribbon-men gebruikelijk is”.
Hij hield den degen in de lucht en de andere Ribbon-men schaarden zich rondom hem.
De spreker vervolgde:
„Elk lid der Ribbon-men zweert met de heiligste eeden bij God en den duivel, dat hij de wetten van onze club trouw zal dienen; zich zal onderwerpen aan alle uitspraken der bondgenooten en niets zal doen, wat hun schade kan berokkenen.
„De Ribbon-men zullen elkander trouw blijven en de voorschriften geheim houden voor vrouw en kind, vader en moeder, zuster en broeder, vuur en wind en boven alles, wat de zon beschijnt, de regen bevochtigt en wat is tusschen hemel en aarde.
„Wie de heilige voorschriften niet houdt, wie ze verraadt, wie iets doet, wat ze zou kunnen schaden, die zal verdelgd worden door vuur, water of ijzer en al de overige genooten zijn verplicht hem te dooden, door middel van het water, het vuur of het zwaard”.
Allen spraken deze woorden na.
Toen deze belachelijke en tevens gevaarlijke ceremonie was geëindigd, gingen de bondgenooten zitten.
Op een verhevenheid zat de leider, de anderen schaarden zich in een halven kring om hem heen.
„Brengt de genoodigden binnen!”
De zwartgemaskerde bediende sleepte een jong meisje van buitengewone schoonheid naar binnen.
De aanvoerder beval haar, te gaan zitten.
Werktuigelijk gehoorzaamde zij.
„Ge heet Ellen Crofton?” begon de voorzitter.
Het meisje sprong op en strekte met afwerend gebaar de handen uit.
„Heb toch medelijden!” bad zij met vleiende stem.
„U zal recht geschieden, zooals wij dat zullen beslissen.
„Luister, waarvan gij door ons wordt beschuldigd.”
Daar werd de deur geopend en een Ribbon-man trad binnen, het blauwe lint om den linkerarm.
Maar wat was dat?
Er zaten reeds twaalf Ribbon-men in de zaal; de club telde slechts twaalf leden.
En daar kwam een dertiende binnen.
Was dat een verrader?
Of was er reeds een verrader in de zaal aanwezig?
Die vraag moest op kiesche manier worden opgelost.
De voorzitter beantwoordde dan ook slechts koel den groet van dezen dertiende, die zonder eenigen omhaal tegen den muur leunde en zijn groote oogen op lady Crofton liet rusten.
„Gij wordt er van beschuldigd”, aldus vervolgde de voorzitter, „dat gij de eer der Engelsche vrouwen en meisjes niet hoog hebt gehouden. Dat ge een verhouding hebt aangeknoopt met een man, wiens avonturen in Londen spreekwoordelijk zijn geworden!”
„Ik begrijp u niet”, sprak het meisje, „van wien spreekt ge?”
„Van Sir Woorman!”
Ellen Crofton schrikte.
„Sir Woorman? Zou ik in eenige verhouding staan tot Sir Woorman? Maar heeren, ik kan het toch niet helpen, dat hij sinds eenige weken mij vervolgt en mij pijnigt met het aanzoek, zijn vrouw te worden!
„Ik verafschuw hem!
„Als de eer der Engelsche vrouwen overal zoo goed bewaard is als bij mij, heeren, dan kan Engeland gerust zijn!”
„Niets dan woorden!
„Wij houden u voor schuldig.
„Gij hebt bovendien schandelijke dingen verteld van een Club in St. James Street.
„Daarvoor ook dient ge gestraft te worden. Gij moet hier op deze plaats getuchtigd worden. [19]
„Elk der leden zal u drie zweepslagen toedienen”.
Woeste vreugde straalde uit de oogen van den voorzitter, toen hij deze woorden sprak.
Het jonge meisje echter richtte zich hoog op en riep uit:
„Ik wil zien, wien van u het waagt, zich te vergrijpen aan een Engelsche vrouw!”
Toen zij zag, dat de gemaskerde bedienden al klaar stonden om haar te binden, zag zij maar al te goed, dat die laaghartige woorden ernstig gemeend waren.
Zij viel op haar knieën neer.
„Erbarming!” riep zij uit.
„Ik ben niet bang, doch ik heb niemand eenig leed gedaan!”
Maar de onbeweeglijke, bloedroode maskers verrieden niet, wat achter hen omging.
De bedienden grepen Ellen beet met ruwe handen.
In ditzelfde oogenblik trad een der mannen naast miss Crofton.
Hij maakte een paar armbewegingen en links en rechts vlogen de beide gemaskerde bedienden tegen den muur, zoodat hun beenderen kraakten.
Nu kwam er toch eenige beweging onder de ellendelingen.
De voorzitter echter riep, voor dat iets kon gebeuren:
„Houdt u kalm, broeders!
„Een van ons schijnt het noodig te vinden, voor de beklaagde in de bres te springen.
„Hij kan zeggen, wat hij tot haar verdediging heeft aan te voeren!”
Oogenblikkelijk werd het stil.
Miss Crofton had, als om hulp smeekend, de knieën van den man omvat.
„Deze jongedame”, sprak thans een sombere stem, „is boven elke verdenking verheven.
„En menschen zooals gij zijt, mogen het zeker niet wagen, de hand tegen haar op te heffen.
„Den voorzitter erken ik niet, daar hij verzuimd heeft, het blauwe lint om zijn arm te doen!”
Aller oogen vestigden zich op den voorzitter.
Inderdaad—hij was de eenige, die het blauwe lint niet aan den linkerarm droeg.
Thans richtte aller verdenking zich tegen den voorzitter.
Eenige oogenblikken heerschte in de zaak een gedrukte stemming.
Toen vervolgde de dertiende:
„Hier is het blauwe lint, dat ge mist, voorzitter!”
Terwijl de verbazing der genooten steeg; reikte de dertiende den voorzitter het blauwe lint, dat deze, zooals allen duidelijk zagen, met bevende vingers om den linkerarm deed.
Een der mannen kwam naar den dertiende toe en sprak:
„Laat dat meisje aan ons over, en zeg wie ge zijt en hoe ge heet!”
Maar de dertiende haalde slechts de schouders op en toen de bondgenoot hem de kap van het hoofd wilde rukken, slingerde de onbekende hem met zulk een kracht van zich af, dat hij in zijn vaart drie bondgenooten mee op den grond sleepte.
In dit oogenblik boog zich een der overigen tot den dertiende over en fluisterde hem toe:
„Gij zijt Raffles!”
Hij, wien deze woorden golden, draaide zich om, keek den gemaskerde in de oogen en antwoordde:
„Gij zijt inspecteur Baxter!”
„Ik neem u gevangen, Raffles!”
„Pas op, Baxter en praat niet al te hard. Het zou mogelijk kunnen zijn, dat ge niemand hier vondt, die u behulpzaam was!”
Mr. Smith had hem verteld, dat de roode domino hem ontstolen was en daar men vermoedde, dat Raffles in het gewaad van den advocaat naar [20]de club zou gaan, had Baxter zich opgemaakt, hem daar te arresteeren.
Baxter trok zich wat terug.
Hij begreep, dat de clubgenooten eerder Raffles zouden helpen dan een inspecteur der recherche.
Hij besloot daarom, maar af te wachten, tot de gelegenheid gunstig zou zijn, om Raffles te arresteeren.
Een der mannen riep nu uit:
„Laat ons gaan vechten! Ik ben ervan overtuigd, dat de man, die zich tegen onze voorschriften verzet, een verrader is!”
Dolken werden getrokken en aan alle kanten flikkerde het staal voor de oogen van Raffles.
„Terug, als het leven u lief is”, schreeuwde Raffles uit.
En toen gebeurde er iets héél wonderlijks.
Een der gemaskerden schaarde zich aan de zijde van den dertiende en terwijl deze zijn revolver trok, riep hij uit:
„Terug, deze persoon staat onder mijne bescherming!”
Het was Baxter.
Uit angst, dat de roode mannen hem Raffles voor den neus zouden wegkapen of dat ze hem misschien zouden dooden, had hij zich geschaard aan de zijde van den man, dien hij al zoo langen tijd zocht.
Lord Lister lachte zoo luid achter zijn kap, dat Baxter het hoorde.
„Dat is heel vriendelijk van u, inspecteur,” zei hij, „dat ge zoo plotseling mijn vriend zijt geworden!”
„Voor vijf minuten slechts,” antwoordde Baxter nijdig.
Maar daar rukten plotseling de bondgenooten hun wapens van den muur.
In het zelfde oogenblik ook had lord Lister een groot zwaard van den muur getrokken.
Hij drong door de mannen heen, ging naast het jonge meisje staan en riep met stentorstem:
„Ik zal u toonen, hoe lord Raffles kan vechten!”
Deze woorden werkten als een donderslag.
De wapens werden neergelegd en slechts enkelen der dapperste durfden hem te lijf.
Maar met ijzeren vuist sloeg hij ze allen terug.
Het werd een heet gevecht!
En geen der genooten zou er waarschijnlijk heelhuids zijn afgekomen, als niet plotseling achter de portières een rechercheur was verschenen.
„In naam der wet—” klonk het als een donderslag.
Dat werkte.
In een oogenblik stoven de mannen uiteen.
Tijdens die groote verwarring had Baxter lord Lister geheel uit het oog verloren.
Deze had miss Crofton terstond losgelaten en was op een deur afgegaan, die achter in de zaal was.
Door deze deur was de voorzitter verdwenen, toen de dertiende den naam „Raffles” had genoemd.
Hij kwam in een kleine bijzaal.
Op den achtergrond stond een groote, ijzeren kast, rechts daarvan hing een portret, dat Leda met den zwaan voorstelde.
Een oogenblik keek Raffles om zich heen.
Hij had de kap van het hoofd gedaan, om beter te kunnen ademen.
„Ik wed, dat de bende hier de geheime papieren verborgen heeft,” fluisterde hij.
Hij opende de deur met een looper en snel borg hij de papieren bij zich.
Daar sloop eensklaps een gedaante achter Raffles langs den grond.
Toen hij hem bereikt had, rukte hij hem de kap van het hoofd. Het was inspecteur Baxter.
„Eindelijk! Goddank! Gij zijt gearresteerd, Raffles!” [21]
Deze stak juist de laatste papieren in zijn zak.
„Inspecteur, uwe aanhankelijkheid walgt mij,” sprak hij, hem zijn lachend gelaat toonend. „Heb ik u niet beloofd om u den moordenaar van mrs. Forester over te leveren? U moet mij stellig beloven, mij mijn belofte ten uitvoer te laten brengen.”
„De duivel moge u dat beloven,” riep Baxter uit, zijn hand naar lord Lister uitstekend. „Nog eenmaal, in naam van de wet—!”
Plotseling greep de groote onbekende de domino van den inspecteur, een stuk ervan schoof hij in de kast, toen sloeg hij de zwaar sluitende deur dicht.
„Dat is laag!” riep Baxter uit, die, trachtende Raffles te volgen, uitgleed en op zijn neus viel.
Raffles was ondertusschen verdwenen. Hij vloog de donkere gang door. Zijn scherpe blik had dadelijk begrepen dat de groote schilderij, die aan den muur hing, een geheime deur verborg. Werkelijk draaide het schilderij in zijn lijst, toen hij op een knop drukte en Raffles verdween in het binnenste gedeelte van den muur.
Eindelijk gelukte het inspecteur Baxter om zich los te rukken. Hij rende wanhopend de gang op en neer om Raffles te zoeken, toen plotseling een rechercheur kwam aanloopen.
„Inspecteur!” riep hij.
„Alle duivels, wat is er aan de hand? Help mij Raffles zoeken!”
„Dat wil ik wel!” antwoordde de man. „Kom gauw, inspecteur! Hij is de straat opgeloopen! Alle bondgenooten zijn al op jacht naar hem!”
Razend liep inspecteur Baxter achter den rechercheur aan, die hem en de bondgenooten, nadat zij hunne domino’s uitgedaan hadden, langs de trappen naar beneden voerde.
In dien tijd had Raffles een donkere kamer bereikt. Hier was geen uitgang, hetgeen Raffles dadelijk bemerkte bij het licht van een electrische zaklantaarn, die hij aanstak. Alleen de voorzitter van het genootschap had die schuilplaats opgezocht.
De anderen waren in de eerste verwarring naar alle kanten gevlucht.
Lord Lister hield de electrische lamp voor zich, welk schijnsel het gelaat van den voorzitter verlichtte.
Deze had de kap afgedaan, en Raffles’ groote oogen aanschouwden het gelaat van sir Woorman. Met gebalde vuisten stond sir Woorman voor zijn vijand.
„Schurk!” beet hij hem toe.
Raffles lachte.
„U vergist zich in den persoon, sir Woorman. Of vindt u het nog noodzakelijk, dat u zich aan mij voorstelt?”
„Ellendeling! Roover! Hond!” brulde de voorzitter, die geen uitweg meer zag nu hij tegenover zijn doodsvijand stond.
„Een van ons beiden moet sterven!” sprak Woorman. „Die eene zult gij zijn, Raffles. Gij, mijn booze schaduw, die het durfde wagen met mij te beginnen.”
De lord lachte nogmaals.
„Waarom moet dan een van ons beiden sterven, sir Woorman? Wie zal zoo bloeddorstig zijn? De wereld is zoo groot, dat er voor ons beiden nog plaats genoeg is!”
Sir Woorman herademde.
„Dan—laat ge mij den weg vrij, Raffles. Laat mij nu door!”
Lord Lister draaide de lantaarn op, zette haar naast zich op den grond en antwoordde:
„Ik denk er niet aan, sir Woorman.”
„Wat zijt ge van plan, Raffles?
„Ik zal u aan de politie uitleveren!”
Woorman schreeuwde als een beest; het schuim stond hem op de lippen.
„Sterf dan!” siste hij.
Zijn arm zwaaide een groote dolk, maar Raffles hield hem vast, zoodat hij het wapen liet vallen. [22]
In het kleine vertrekje ontstond nu een gevecht op leven en dood.
Raffles had, toen hij achteruitliep, de lantaarn stuk getrapt, zoodat de tweestrijd in volslagen duisternis werd voortgezet.
Door toepassing van de Japansche worstelmethode gelukte het Raffles ten slotte, zijn zwaren tegenstander onder te krijgen.
Tevergeefs smeekte Sir Woorman om genade.
„Ge krijgt slechts uw verdiende loon, schurk”, sprak lord Lister.
Hij bond de handen van zijn overwonnen tegenstander stevig vast.
Voorzichtig opende Raffles nu de geheime deur.
Hij keek om zich heen.
Er was niemand te zien.
Raffles nam een visitekaartje uit zijn zak en schreef daarop met potlood:
„Waarde inspecteur Baxter!
„Zooals ik u beloofd heb, lever ik u hierbij den moordenaar uit van mrs. Forester en van madame De Vales en haar dienstmeisje.
JOHN C. RAFFLES.”
Hij legde daarna de roode domino af die hem met lappen aan het lichaam hing, nam hoed en stok en hing zijn jas om de schouders.
In datzelfde oogenblik stond de rechercheur voor hem, die door zijn verschijning het gezelschap uit elkaar had gejaagd.
„Je kunt nog niet naar beneden, Raffles, ze zoeken nog naar je.”
„Je hebt je goed van je plicht gekweten, Charly”, sprak Raffles.
„Ik zal nu wachten tot de dag aanbreekt om dan hier vandaan te gaan.
„Tot zoo lang behoor ik ook tot de orde van den Kouseband. Ik heet lord Westminster, beste Charly, is dat niet deftig?”
Charly Brand moest hartelijk lachen.
Hij ging naar beneden, waar Baxter nog steeds op post stond.
„Hebt ge den vluchteling gezien, rechercheur?”
„Neen inspecteur, ik denk dat hij er van door is gegaan en zoolang in de Jockey Club onderkomen heeft gezocht!”
Maar inspecteur Baxter stoorde zich niet aan deze woorden en rende de trap weer op.
Charly Brand keek hem hoofdschuddend na.
„Als de boel nu maar niet in het honderd loopt”, sprak hij op bezorgden toon. [23]