[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK.

EEN BEZOEK BIJ BEN MINISTER VAN FINANCIËN VAN DE DRIE VEREENIGDE KONINKRIJKEN.

„Lord Westminster!”

Dat riep de dienaar met luider stemme door de zaal en diep boog hij voor lord Raffles, die, versierd met de orde van den Kousenband, de groote clubzaal binnentrad.

Eenige der aanwezige heeren keken op, maar de meesten bekommerden zich niet om den nieuwen gast.

Lord Lister had wel geweten, wat hij deed, toen hij dezen naam koos.

De lord geleek iets op hem en was voor twee jaren op reis gegaan.

Toch was het spel uiterst gevaarlijk, want hij behoefde slechts een goeden bekende van den lord te ontmoeten om verloren te zijn.

Lord Lister ging aan de speeltafel zitten.

Bij een kleine roulette zaten een zevental edellieden tusschen twintig en veertig jaren.

Het spel staakte juist, toen lord Westminster op een der leege stoelen plaats nam.

„Ik verzeker u markies”, sprak graaf Westbury, „dat het onmogelijk is slechts een blik te werpen in de schatkamer, waar de ridderorden van den koning van Engeland bewaard worden. Zij vertegenwoordigen een waarde van ontelbare millioenen.”

De markies, een elegante Franschman, streek zich eens langs zijn wel verzorgden knevel.

„Ge kent de waakzaamheid niet van onze politie en van de lieden, die de schatkamer bewaken in het Koninklijk paleis”, viel lord Raffsborn in.

„Zelfs Raffles, den meesterdief, zou het niet gelukken, een dier ridderorden te stelen”, sprak een derde.

„Raffles?” mengde zich lord Westminster in het gesprek, „wie is Raffles? Ik kom juist van de reis en hoor voor het eerst dien naam. Nieuwe adel?”

De heeren lachten.

„Weet ge niet, lord, wie Raffles is? Maar dan kent ge Londen niet meer! Raffles is alles! Raffles is Londen in eigen persoon! Een fameuse kerel! Maar, zooals gezegd, hij zelfs zou de ridderorden van den koning niet bemachtigen.”

Lord Westminster keek op zijn horloge.

„Het is nu half een, niet waar?

„Wel, heeren, ik maak mij sterk, dat ik binnen vier-en-twintig uur al die ridderorden gestolen heb!”

De heeren zetten de oogen wijd open.

„Maar lord, dat is een grapje?”

Lord Westminster echter sprak:

„Ik wed om vijftigduizend pond.”

Een oogenblik was het stil.

Toen echter besloten de heeren gezamenlijk de weddenschap aan te gaan.

„Dus vijftigduizend pond, als ik u binnen vier-en-twintig uur de ridderorden breng van den koning van Engeland!” sprak lord Lister.

In dat oogenblik ging een nieuwe gast mede aanzitten.

„Ge hebt mij vergeten, lord”, sprak hij. [24]

Raffles keek op en zag het booze gelaat van Baxter.

Die beiden keken elkander een seconde aan.

De heeren keken den nieuweling, die den portier zijn naam had genoemd, met eenig wantrouwen aan.

Lord Lister had alle goede manieren van een man van de wereld en zijn hooge adel—lord Westminster—had de heeren dadelijk op gemeenzamen voet met hem doen zijn.

Maar deze nieuweling?

Wie was dat?

Een indringer?

Een oplichter?

Wat moest hij?

„Nu, graaf Pahlen, hoeveel zet ge?” vroeg Raffles den inspecteur met kalm gelaat.

Graaf Pahlen.

Dat veranderde.

De heeren begrepen, dat een goede kennis van lord Westminster een aristocraat moest zijn.

„Ik zet een millioen, lord, dat ge uwe weddenschap niet kunt winnen!”

Het was een groote onvoorzichtigheid van Baxter, dat hij een som noemde, aan het bestaan waarvan niemand geloofde.

Een millioen pond!

Twaalf millioen gulden!

Niemand in Jockey Club geloofde een oogenblik, dat lord Pahlen twaalf millioen gulden zou kunnen verwedden.

Toen het wantrouwen opnieuw steeg, maakte Raffles onmiddellijk gebruik van de gelegenheid om zijn houding te redden.

„Ik begrijp, dat gij zoo’n som op het spel kunt zetten, gij zijt Raffles! ’t Is dus voor u geen kunst!”

Die woorden sloegen in!

De heeren sprongen op als door een wesp gestoken.

Met uitgerekte halzen keken ze naar Baxter.

Deze was geheel beduusd.

Die streek van den dief was zoo onverwachts gekomen, dat hij in het eerste oogenblik geen woord kon zeggen.

Raffles sprak echter terstond:

„Het is het beste om dadelijk een rechercheur te roepen! Deze man is Raffles, ik herken hem duidelijk”.

Een bediende vloog de trap af om een rechercheur te roepen.

Intusschen had Baxter zijn tegenwoordigheid van geest terug gevonden.

„Het is een schandaal! Dáár is Raffles!” riep hij uit.

Hij wees op lord Westminster, die met minachtend schouderophalen naast hem stond.

Hij wilde lord Westminster knevelen, maar deze gaf hem een vuistslag.

„Wij moeten den razende binden”, sprak hij, „als wij niet willen, dat de naam van onze club morgen in alle kranten gecompromitteerd is.”

Intusschen waren bedienden gekomen, om den vermeenden meesterdief te binden.

In dit oogenblik kwam de rechercheur binnen.

„Rechercheur!” schreeuwde Baxter, „vertel deze heeren eens, dat de ellendeling, die daar staat, en die zich lord Westminster noemt, Raffles is!”

De rechercheur keek eerst Raffles en toen den inspecteur aan. Daarna wees hij op Baxter en sprak: „Ja, dàt is Raffles!”

Het was waarlijk te verwonderen, dat Baxter geen beroerte kreeg.

Hij werd door den bediende weggesleept en Raffles wendde zich tot de overige heeren met de woorden:

„Ik ga nu naar huis, heeren, om wat op verhaal te komen, want de lage streken van dien spitsboef hebben mij toch wel aangegrepen.

„En dan, heeren, denkt aan onze weddenschap!”

Raffles verdween.

De heeren spraken nog eenigen tijd over het geval na en toen herinnerden sommigen zich, dat die lord Westminster inderdaad zooveel op Raffles leek. [25]

Zij kwamen tot de overtuiging, dat hier inderdaad bedrog in het spel was en dat de indringer wel degelijk Raffles geweest was, die de inspecteur een leelijke poets had gespeeld.

Toen eenigen tijd later de rechercheurs kwamen, die door Baxter waren ontboden, bleek inderdaad, hoe groot het bedrog geweest was.

Charly Brand, die als rechercheur dienst had gedaan, had zijn vriend wederom gered.

Baxter, die al weer op vrije voeten was, spoedde zich terstond naar den minister van financiën, om dezen te waarschuwen voor de plannen van Raffles en hij verborg zich met een scherp geladen pistool in het kantoor van den minister.

… … … … … … … … … … … … …
… … … … … … … … … … … … …

Reeds twaalf uren zat Baxter op post, zonder dat het geringste was voorgevallen.

De middag verstreek.

Reeds viel de schemering; en een wonderschoone herfstavond volgde.

Uit den tuin van het paleis drong het klateren van een springbron in de kamer, die voornaam was ingericht met meubelen in purperkleur.

Op de schrijftafel stond een telephoon.

Op het groene laken bevond zich een klein ivoren knopje, als van een electrische schel.

Drukte men hierop, dan opende zich een geheim valluik in den vloer vóór de schrijftafel.

Op deze wijze kwam men in de schatkamer, waar de ridderorden van den Koning van Engeland bewaard werden.

En inspecteur Baxter wachtte steeds, terwijl hij honger en dorst leed; terwijl hij telkens opnieuw zijn pistool onderzocht en in den door de maan verlichten tuin keek.

En Raffles, tegen wien men al deze maatregelen had genomen, nam den eenvoudigsten weg, die er was.

Om elf uur des avonds werd den minister van financiën het bezoek van den rijksadvocaat gemeld.

Dit was niets bijzonders.

De minister, die er niet zeker van was, of hier geen strik werd gespannen, bleef naast zijn tafel staan, waarop de pistolen lagen.

De dienaar opende de deur.

In schitterend avondtoilet, het lint van de Orde van den Kousenband onder de linkerknie, den goudgeranden gala-hoed in de linkerhand, trad een elegante, voorname jonge man van ongeveer dertig jaren binnen.

Hij boog, wachtte tot de dienaar de deur achter hem gesloten had, deed eenige schreden naar den minister en sprak toen:

„Mijn naam is Raffles!”

De minister was over deze brutaliteit zóó verbluft, dat hij vergat op de schel te drukken en den dienaar te roepen.

Werktuigelijk greep hij naar zijn revolver.

„Ach, Excellentie, laat dat rusten”, sprak Raffles, terwijl hij het zich zoo gemakkelijk mogelijk maakte. „Ik ben altijd gewoon zonder revolver te werken. Het is veel aangenamer, als men niet altijd dadelijk naar de wapens grijpt”.

De minister herstelde zich, voor zoover dit in zijn positie mogelijk was.

Hij was ervan overtuigd, dat deze persoon hem onmogelijk iets zou kunnen doen, zoolang hij zoover van hem afzat, als dat thans het geval was.

Hij ademde verruimd.

Voorts hoopte hij, Raffles zoo lang in zijn nabijheid te kunnen houden, tot inspecteur Baxter, zooals dat trouwens was afgesproken, vanzelf hier in de studeerkamer zou komen.

Dan zou het niet moeilijk meer zijn, den geheimzinnigen man te overweldigen, die er uitzag als een aristocraat en een misdadiger bleek te zijn.

Hu!

De minister rilde. [26]

En lord Lister?

Hij verloor geen oogenblik zijn stereotiepen glimlach.

„Waarmee kan ik u eigenlijk van dienst zijn?” vroeg toen de man, die door den magnetischen blik van Raffles als aan zijn stoel genageld was.

„Ik wilde een beetje met u babbelen over de ridderorden van den Koning van Engeland!”

„Dat is een onderwerp, dat mij niet veel vreugde bereidt,” sprak de minister op verlegen toon.

„Zoo?” lachte Raffles, „dat is jammer! Kan ik u met een sigaret dienen?”

Deze was een hartstochtelijk rooker.

Hij nam een der aangeboden sigaretten, terwijl hij voortdurend met angstig gebaar naar de portières op den achtergrond keek.

„Is daar misschien een geheime deur naar de schatkamer?” vroeg Raffles.

De minister was doodsbenauwd, dat hij zich door zijn blik verraden had en antwoordde:

„Ge vergist u! Maar wat wenscht ge toch? Gij zijt de gevaarlijkste mensch van onze eeuw! Bij de teerste beweging, die ge maakt, schiet ik u neer!”

Lord Lister glimlachte steeds en antwoordde, terwijl hij een sigaret tusschen de tanden, stak:

„Is het gepermitteerd?”

Tegelijkertijd haalde hij het gouden rookstel naar zich toe.

De minister, bang voor een truc, greep haastig zelf het rooktoestel.

Hij stak een lucifer aan en hield die voor de sigaret van Raffles.

Toen keek de minister op zijn horloge.

Goddank!

De inspecteur van politie, met wien hij een geheime afspraak had, kon niet lang meer wegblijven.

Zwijgend rookte Raffles intusschen zijn sigaret.

De minister bespiedde hem van terzijde, terwijl fijne blauwe rookwolkjes omhoog kronkelden.

Het was een wonderlijke, komische toestand.

Die Raffles was toch een wonderlijke kerel.

Hij bleef daar maar doodkalm zitten.

Hij scheen er zelfs op te wachten, tot Baxter bij hem zou komen om hem te arresteeren.

Wonderlijk, zoo’n man toch!

Hoogst komisch!

Dat was het laatste, wat de minister dacht—toen was hij ingeslapen.

De brandende sigaret was op den grond gevallen.

Raffles legde zijn galahoed weg, raapte de sigaret op en wierp ze in het aschbakje.

„Morphine in tabak is een uitstekend slaapmiddel,” bromde hij.

Lachend keek hij naar den minister, die begon te snurken.

Toen deed hij de schrijftafel open, nam den sleutel eruit, ging naar de portières, opende de geheime deur door een veer en verdween in de donkere gang, die naar de schatkamer voerde.

Zijn speurdersoog, dat verhelderd werd door het schijnsel van een electrische zaklantaarn, had al spoedig de deuren, gangen en valluiken gevonden, die hem brachten naar de kamer, waar hij wezen moest en toen hij na verloop van een kwartier veel geheime ingangen had geopend, door kasten was gekropen en alle hinderpalen uit den weg had geruimd, stond hij in een kamer, waar een reusachtige kast zich bevond.

Zooals hij dat destijds in het huis van Woorman had gedaan, deed hij ook nu met de stalen deur. En toen deze geopend was, staarde Raffles op zulk een pracht van goud en diamanten en kostbaarheden, als zelfs hij nog nooit in zijn leven had gezien.

Daar lag aan een zwart lint een witte ster in goud gevat, een gouden kroon van binnen en daarboven een gouden helm, pantser en geweerloop, het kruis van de Maltheserorde. Glimlachend nam Raffles het ding en deed het op de borst.

Daarop volgde de eenvoudige, maar niet minder kostbare [27]Danebrog-orde, het witte kruis met vijf gouden kronen.

Suum cuique”—ieder het zijne—las hij op de Pruisische orde van den Zwarten Adelaar.

„Hm, die past eigenlijk voor mij. Ieder het zijne—dat is ook mijn devies.”

De Grieksche Orde van den Verlosser: een sneeuwwit kruis met blauwomranden gouden ring in het midden en de beeltenis van den Verlosser, gedragen door een gouden kroon aan een blauw lint, hing Raffles om den hals.

Het was alles een geschitter en geglinster van sprookjesachtige pracht.

De orde van de heilige Anna van Rusland: een rood kruis met goud; een Duitsche ridderorde: een lang, zwart kruis; de machtige Turksche Medjidie-orde, de orde van den Kouseband, de groote Engelsche Michaels- en Georgs-orde, al die prachtige kostbaarheden, die wondermooie onderscheidingen, stak Raffles op de borst.

Een zee van goud en licht glinsterde door elkander.

Ten slotte nam Raffles de laatste, belangrijkste, voornaamste orden der wereld, de Oostenrijksche en Spaansche orde van het gouden vlies. In een groote, zware omlijsting, in goud gevat, met groenen achtergrond, hing onder een geschulpt rood blad, eveneens in goud gevat, een massief gouden schaap.

Langzaam, met een geheimzinnig glimlachje om de lippen, leunde Raffles tegen de deur der kast.

Daarop ging hij naar de schrijftafel en stak een sigaret aan.

Daar doemde plotseling een lange, magere gestalte voor Raffles op.

Het was Baxter.

„Eindelijk!” stiet de inspecteur uit, „nu is toch je spelletje uit, Raffles!”

Deze glimlachte en rookte verder.

Baxter haalde zijn revolver te voorschijn.

„Geen stap verder, of ik schiet u neer!”

Onbewegelijk stonden de beide mannen, oog in oog, tegenover elkander.

Zwijgend bleven zij secondenlang in dezelfde houding.

Raffles verbrak het eerst het zwijgen.

„Waarom blameert ge u toch telkens weer, waarde inspecteur. Je kunt mij immers toch nooit arresteeren!”

„Ge vergist u, Raffles, ditmaal zit je in de knel. En pas op! Anders ben je een kind des doods!”

Maar Raffles lachte nog steeds.

„Alle duivels!” riep hij uit, „het is bijna middernacht; om half één moet ik in de Jockey-Club zijn, als ik mijn weddenschap wil winnen!”

„Gij zult haar niet winnen!” riep de inspecteur zegevierend uit.

„O ja, tòch wel!”

„Nooit!”

„Toch!”

Bliksemsnel was Raffles naar de schrijftafel gegaan.

Baxter richtte zijn revolver.

„Terug, Raffles!”

„Ik ga nooit terug, onthoud dat!” zei Raffles en hij drukte op het ivoren knopje.

Geruischloos opende zich het valluik en pijlsnel zakte Baxter in de diepte.

Het schot knalde af in de lucht en de inspecteur verdween in de schatkamer.

„Hallo, inspecteur Baxter, waar gaat de reis heen?” lachte John Raffles, terwijl hij het ivoren knopje losliet.

De meesterdief ging nu naar de schrijftafel en schreef het volgende:

„Aan Z. E. den Minister van Financiën,

Om uw vriend, den inspecteur van recherche Baxter, verdere onaangename uren in de diepe schatkamer te besparen, deel ik u door dezen mede, dat ik hem vriendelijk, doch dringend [28]moest verzoeken, zich daarheen te begeven, opdat hij mij niet zou hinderen in de volvoering van mijn voornemen.

Doe den kelder dus open en geef Baxter zijn vrijheid terug.

Uw dienstvaardige,
JOHN C. RAFFLES.”

Daarop verliet hij de kamer door de groote glazen deur, ging den tuin door en sprong over den hoogen muur van het koninklijk park, in hetzelfde oogenblik dat de minister ontwaakte en alarm maakte. [29]