Lord Lister riep een cab aan.
De koetsier groette den eleganten heer beleefd, wiens schitterende ridderorden door de halfgeopende jas heenschitterden.
„Jockey-Club, St. James Street.”
Voort ging het.
De groote clubzaal ging open en een elegante, voorname jongeman trad binnen.
Maar niet alleen zijn schitterende verschijning, doch ook de glans der prachtige ridderorden deed aller oog zich op hem vestigen.
En als een loopend vuurtje ging het van mond tot mond:
„Raffles.”
De meesterdief boog beleefd voor den graaf van Westbury, die als versteend opkeek.
Lord Raffsborn klemde zijn monocle in.
„Alle drommels! Zijt ge het inderdaad? Maar dat is niet mogelijk!”
Lord Lister glimlachte alweer.
„Ik heb de weddenschap gewonnen, heeren!”
Allen moesten zich ervan overtuigen, dat de ridderorden echt waren.
Er ontbrak niet één!
„Als ik geen modern mensch was, zou ik aan tooverij gelooven”, zeide de graaf van Westbury.
Lord Raffsborn echter voegde erbij:
„Wij hebben onze weddenschap verloren.”
Niemand sprak dat tegen.
De clubleden waren allen edelen.
Zij hadden hun weddenschap verloren.
En zonder een woord te spreken, haalden zij hun portefeuilles te voorschijn en betaalden.
„Dank u, heeren!” sprak Raffles.
Hij borg het geld weg.
„En nu wilt gij zeker wel zoo goed zijn, om te zorgen, dat al die mooie dingetjes weer op hun plaats komen.”
Hij deed voorzichtig alle ridderorden af en gaf ze aan graaf van Westbury.
Daarna ging hij.
Beneden wachtte zijn cab nog.
Hij reed tot in de buurt van zijn huis en ging verder te voet.
In zijn woning wachtte Charly Brand, wien hij zijn avontuur vertelde.
Daarop verdween Raffles in een zijkamer en kwam een poos later eruit te voorschijn als een elegant Londensch koetsier.
Toen ging hij naar den stal, spande zelf het paard in en reed het rijtuig voor.
Daarop stapte hij in.
„Bromley Burdett Road, Charly.”.
„All right!”
Terwijl Raffles naar het huis van miss Ellen Crofton reed, waren de heeren in de club tot de conclusie gekomen, dat het toch maar beter was, als de politie Raffles het gewonnene weer afnam en hun teruggaf. [30]
De graaf van Westbury stond op met plechtstatig gebaar.
Hij ging met lange stappen naar de telephoon.
„Scotland Yard, juffrouw!”
„Hallo, ja!”
„U spreekt met de Jockey-club!”
„Wat wenscht ge?”
„Ik wil u even vertellen, dat Raffles hier was!”
„Wie—wat—hoe?”
„Raffles, de meesterdief!”
Juist toen de graaf dit geweldige nieuwtje naar Scotland Yard telephoneerde, kwam inspecteur Baxter daar aan.
De inspecteur vloekte.
Hij raasde en tierde.
En hij beweerde voor den zooveelsten, zeker voor den honderdsten keer, dat Raffles hem gek maakte stapelgek.
Hij was nu inderdaad half gek van woede en ergernis.
Nauwelijks dan ook had hij Het telephonisch bericht van den graaf van Westbury ontvangen of hij beval, hoewel hij zelf doodmoe was, en zich nauwelijks op de been kon houden, dat vijf detectives hem zouden volgen.
Hij zelf sprong haastig op zijn fiets en als nachtelijke spoken jaagden de zes politie-mannen door de duisternis.
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Kolonel Crofton bewoonde met zijn familie een klein huis, dat bestond uit een viertal vrij groote, eenvoudig gemeubelde kamers.
De kolonel was een man van omstreeks vijftig jaren.
Hij was nog veerkrachtig en levenslustig van aard, maar een zware verwonding dwong hem op een stok te steunen bij het loopen.
Een paar verstandige, donkerblauwe oogen keken uit onder blonde wenkbrauwen en het blozende gelaat had een aangename uitdrukking.
Zijn hoofdhaar was nog fraai krullend, zijn mond vertoonde een trotsche, doch geen eigenzinnige uitdrukking.
Juist toen Lister aanschelde, hoorde deze een krakende stem aan den anderen kant van de deur:
„Sir Woorman geeft u niet langer crediet. Ik zal uwe zaak morgen sluiten, als ge vandaag niet betaalt!”
„Maar als ik toch geen geld heb— —”
„Papperlappapp, betalen of er uit!”
„Ik smeek u— —”
„Sir Woorman is wel bereid u eenigszins tegemoet te komen, als gij hem een genoegen wilt doen!”
„Als dat in mijn vermogen is, heel graag!”
„Uw dochter, miss Ellen, wordt morgen als getuige gehoord. Van haar verklaringen hangt veel af.
„Zij zou de zaak wat minder ernstig kunnen doen voorkomen, ziet ge— —”
Daar klonk de schel.
Miss Ellen zelf deed open.
Toen zij in lord Lister’s gelaat zag, stiet zij een vreugdekreet uit.
„Papa!” riep zij, „daar is de man, die mij zoo onbaatzuchtig heeft verdedigd!”
De kolonel kwam Raffles tegemoet.
De heeren begroetten elkaar hartelijk.
Raffles echter wendde zich al spoedig tot den vreemden man.
„Wie zijt ge?”
„Ik ben de zaakwaarnemer van Sir Woorman.”
„Dan heb je een mooi baantje, zeg, zaakwaarnemer van een moordenaar!”
„Mijnheerrrrr!”
De ander brulde het uit.
„Ziet ge deze spieren, mijnheer! Pas op, dat ik u daarmee geen kennis laat maken!”
Maar nog voordat de zaakwaarnemer gevolg had gegeven aan zijn voornemen, had Raffles hem al een stomp onder de kin gegeven, zoodat hij als een gummibal achteruit stoof.
„Wat wilt ge eigenlijk van mij?” vroeg de zaakwaarnemer. [31]
„Ik wil u vertellen, dat ge Sir Woorman moet zeggen, dat miss Ellen alleen de waarheid zal spreken bij de getuigenverklaring.
„En verder zal kolonel Crofton zijn zaakjes op denzelfden voet voortzetten!”
„Maar het geld— —”
Raffles rukte den man de quitantie uit de hand.
„Hoe groot is dat bedrag?”
De zaakwaarnemer was verstomd.
„Tweehonderd pond met de 475 pond van een vorigen keer”.
„Dat is dus samen 675 pond! Hier zijn ze!”
„Maar— —” begon de ander.
Raffles wees naar de gangdeur.
„Nu geen woord meer en er uit!”
De kerel sloop weg als een geslagen hond.
De kolonel greep de handen van zijn weldoener.
„Hoe kan ik u danken!”
„Uw vriendschap is voor mij genoeg belooning!”
„Kan ik u misschien met iets van dienst zijn?” vroeg nu miss Ellen op verlegen toon.
„Uw tranen zijn al dank genoeg, lady!”
„Ik zal dagelijks voor u bidden. Hoe heet ge?”
Hij schudde het hoofd.
„Vraag dat niet. Ik vertegenwoordig het geluk en het noodlot!”
Hij boog en verliet het huis.
„West-End Street 37”, beval Raffles op luiden toon.
Charly Brand boog zich naar hem over.
„Baxter is hier met vijf rechercheurs. Zij houden zich verborgen.”
Raffles lachte.
„Rijd maar door, koetsier”.
Het portier vloog dicht.
Tegelijkertijd doemden zes gestalten op uit den nevel.
Zij sprongen op hun rijwiel en bleven naast het rijtuig rijden, zoodat het Raffles onmogelijk was, het rijtuig te verlaten.
Na een rit van drie kwartier kwamen zij aan het doel van hun tocht.
Baxter beval zijn mannen af te stappen.
„Wij nemen hem boven in huis gevangen!”
Het was een goede inval van Baxter geweest, om naar Bromley te rijden.
Dezen keer zou dan toch die Raffles hem stellig niet ontsnappen.
„Hij laat lang op zich wachten”, zei een der rechercheurs.
De anderen beaamden dit.
Eindelijk trad Baxter met geladen revolver naar het rijtuig toe.
Hij opende het portier.
„Kom eruit, Raffles, ge zijt mijn gevangene!” sprak hij, maar tegelijkertijd trad hij verschrikt achteruit.
Hij vloekte zwaar.
„Koetsier!”
„Ja, mijnheer!”
„Waar is Raffles?”
Charly Brand lachte.
„Waar Raffles is, ik ben inspecteur Baxter toch niet? Die weet altijd, waar Raffles is”.
„Geen grapjes. Gij hebt Raffles gereden.”
„Geen quaestie van. Mijn „vrachie” was de beroemde tooverkunstenaar ben Akiba”.
„Pas op, ik laat je arresteeren, als je mij voor den mal houdt.”
„Ik houd u waarlijk niet voor den mal!”
Maar Baxter nam Charly met zijn rijtuig mee naar Scotland Yard, waar de jonge man vertelde, dat hij een paar dagen geleden bij lord Westminster in dienst was gekomen!
„Maar lord Westminster is Raffles”, stoof Baxter op.
„Zoo?” vroeg Charly met onnoozel gezicht, „is dat waar? Dat wist ik waarlijk niet!”
Baxter kon hem niets doen en liet hem weer gaan.
Toen Charly een eind had gereden, stapte hij van den bok. [32]
„’t Is maar goed, dat die Baxter het rijtuig niet verder heeft onderzocht, dan zou hij gemerkt hebben, dat de bodem verschuifbaar is”.
En Raffles?
Toen het rijtuig door de rechercheurs werd begeleid, had hij voorzichtig den vloer terzijde geschoven en zich tusschen de wielen laten glijden, totdat hij op grond stond.
Toen maakte hij een groetend gebaar met de hand tegen de rechercheurs en riep uit:
„Adieu, inspecteur Baxter! Tot weerziens!”
Daarop ging hij een café binnen.