[Inhoud]

TIENDE HOOFDSTUK.

DE LORD GAAT HEEN.

In de Millionairsclub heerschte de grootste ontsteltenis.

Door den hofmeester namelijk was het den heeren bekend geworden, dat de politie onder de clubleden een misdadiger vermoedde en naar hem zocht.

„Het is bijna ongelooflijk, tot welke stommiteiten de politie soms in staat is”, sprak de kleine burggraaf Von Hennequin.

En graaf Steineck, de president der millionairsclub voegde er aan toe:

„Eerlijk gezegd, hebben de heeren van de recherche dan ook een alles behalve gemakkelijke taak.

„Maar, nietwaar, men moet hun toch wel zooveel onderscheidingsvermogen toeschrijven, dat zij moeten kunnen schiften—degelijk schiften. Ik bedoel—, ik meen—, dat ze toch wel degelijk rekening moeten houden met rang—met stand—met—met—eh—eh—nu ja, om het maar zoo eens te noemen—ze moeten toch wel degelijk denken aan het moreele gewicht van de persoonlijkheden, die door ons waardig worden gekeurd om als clubgenooten te worden opgenomen— —eh— —eh— —ik bedoel—ik meen— —dat moest toch voor de heeren van de politie waarborg genoeg zijn—meer dan waarborg genoeg—dat moest hun te allen tijde ervan overtuigen dat hier alles zuiver toegaat.

Eh— —eh— —eh— —wat is dat voor een zot idee— —een bespottelijk idee— —een van onze clubgenooten.….….? Wij hebben twintig heeren in onze club—of eenentwintig— —eh— —eh— —hoeveel zijn het er ook weer precies— —ik weet het niet al te juist— —enfin, dat is toch wel heel gemakkelijk te tellen— —en als een van die twintig—of eenentwintig—ook maar het allerkleinste sikkepitje over de schreef gaat— —eh— —eh— —ik bedoel— —ik meen— —als hij door z’n karakter— —als hij maar een ziertje, een snippertje aanstoot zou geven …”

De graaf legde beide handen met een allergewichtigst gebaar op de zware eikenhouten tafel en boog zich een eindweegs naar voren.

Toen begon hij weer opnieuw.

„Ja, mijne heeren, ik meen, dat wij met alle kracht moeten opkomen tegen deze ongehoorde en mijns inziens ook ongeoorloofde daad van de politie om maar ongevraagd bij ons binnen te dringen.

„Ik stel voor om een dergelijk optreden op hoffelijke maar energieke wijze te beletten.

„En bovendien!

„Wij zouden het toch zelf wel weten als onder ons zich een minderwaardige bevond!”

In hetzelfde oogenblik kwam de jongste der vier bestuursleden, lord Brigham binnen.

Deze was eerst kort geleden tot bestuurslid gekozen.

Op levendigen toon verontschuldigde hij zich, dat hij zich een weinig verlaat had en eerst nu kon komen op de inderhaast bijeengeroepen samenkomst.

Toen hij hoorde, waarover gesproken werd, zei hij met een glimlach, die zijn gelaat een buitengewone aantrekkelijkheid gaf:

„Maar heeren! De zaak is toch héél eenvoudig!

„Weet ge, wat?

„Wij moeten ons eenvoudig opstellen in een lange rij en dan langs de heeren der politie gaan defileeren. [28]

„Die kunnen dan samen beslissen, wie van ons het meest verdacht er uitziet!”

Er werd hartelijk gelachen om dezen grappigen uitval van den jongen lord.

Nadat nog langen tijd geredeneerd was over de in dezen te volgen gedragslijn, werd besloten om een schrijven te zenden naar het hoofd der politie.

Dit schrijven zou worden onderteekend door al de clubleden en de inhoud ervan zou een verzoek behelzen om in den vervolge de Millionairsclub te verschoonen van dergelijk bezoek.

Daarna trokken de heeren zich in kleine groepjes terug in de gezellige zaaltjes en werd verder de tijd gedood met een of ander spel of met aangenaam gebabbel.

Aan de onverkwikkelijke zaak werd niet meer gedacht.

Het was omstreeks half acht.

Lord Brigham verliet in gezelschap van graaf Steineck en den burggraaf Von Hennequin de club om naar de opera te rijden.

Toen zij het gebouw juist hadden verlaten, trad hen een heer in civiel tegemoet, die zich als commissaris van politie bekend maakte.

Op den meest hoffelijken toon vroeg hij, wie van de drie clubleden wel lord Brigham was.

Met een bijna onhoorbaar lachje maakte de lord zich bekend en stelde zijn identiteit vast.

De beide andere heeren waren zeer opgewonden.

Op luiden, dringenden toon verklaarden zij, dat zij te allen tijde instonden voor hun clubgenoot.

De commissaris der recherche Peter Böcher—zijn collega Henry Stern stond aan de overzijde der straat te wachten en op te letten—begon nu toch te aarzelen.

Totnogtoe was de politie door telegrafische inlichtingen naar alle kanten slechts aan den weet gekomen, dat er inderdaad een zekere lord Brigham bestond.

Daarbij was echter ook gevoegd, dat deze zelfde lord officier was in een Indisch regiment der huzaren, dat in dienst stond van den koning van Groot-Britanje.

De Engelsche politie-autoriteiten waren verder algemeen van oordeel, dat men, de persoonsbeschrijving van dezen man in aanmerking genomen, hoogstwaarschijnlijk hier te doen had met een buitengewoon geslepen dief en oplichter, iemand, die zoowel in Australië als in Bombay van zich had doen spreken; die velerlei schurkenstreken op zijn geweten had, maar die totnogtoe door de politie, ondanks alle aangewende moeite, nog niet gesnapt was kunnen worden.

Dat alles klonk heel mooi!

Het klopte zelfs als een bus.

Maar—het gaf absoluut geen zekerheid.

En al had Peter Böcher ook het bevel tot inhechtenisneming in den zak, toch durfde hij nog niet te handelen.

Hij wist, dat hij tegenover deze club, die zoozeer gezien was in de hoogste standen, de allergrootste omzichtigheid in acht moest nemen.

En als er iemand in hechtenis genomen moest worden, o, dan moest dit vooral op de meest kiesche, de minst ruchtbaarmakende manier geschieden.

Om met dat alles rekening te houden, was voor den besten, braven Böcher wel een heel moeilijke taak.

Hij kon zich bij dit zaakje zoo heel licht de vingers branden.

Ook de politie vergist zich wel eens, loopt wel eens in de val; wordt wel eens „een enkel keertje” om den tuin geleid!

En als nu de Londensche politie eens minder juist was ingelicht?

Of als die bewuste lord Brigham, die officier was van Zijne Majesteit den koning van Groot-Britanje, nu eens langer verlof had gekregen, dat hij hier in Berlijn doorbracht?

Dat zou dan toch maar een miserabele geschiedenis wezen om dezen man, voor wien zulke voorname personages zich borg stelden, zoo maar evenals den eersten den besten misdadiger op te pakken en te arresteeren! [29]

Neen!

Böcher zou zich véél te leelijk den neus kunnen stooten en zich blameeren op een manier, waar je niet zoo licht weer van op komt.

Zijne heele loopbaan zou hij er mee naar de maan kunnen gooien!

Stonden er niet altijd en overal jaloersche collega’s bij hoopen te wachten, tot iemand in ongenade viel? Tot iemand zich door de een of andere onhandigheid onmogelijk had gemaakt en eerlijk ontslag moest nemen of—gedegradeerd of niet eervol ontslagen werd?

Alle duivels!

Het duizelde Böcher een oogenblik.

Allerlei tegenstrijdige gedachten warrelden door zijn hersens en het was of bonte lichtjes voor zijn oogen begonnen te flikkeren.

Het suizelde daarbij in zijn ooren en zwaar bonsde het hart hem in de keel.

Wat moest hij doen?

Wàt, in ’s hemelsnaam?

„Twijfelt mijnheer de commissaris misschien aan mijn rang als lord?”

De Engelschman vroeg dit op welluidenden, innemenden toon.

„Dan wil ik graag”—de Engelsche tongval klonk bij deze woorden duidelijker dan ooit—„dan wil ik graag, al was het maar alleen om de club verder te vrijwaren van alle mogelijke onaangenaamheden en onderzoekingen, den commissaris het genoegen doen om hem de officieele papieren te toonen, die de echtheid van mijn adeldom, van mijn lordschap bewijzen.

„Als mijn zeer hooggeachte vrienden”—hij boog met elegant gebaar voor zijn clubgenooten—„mij op dit extra-uitstapje zouden willen vergezellen, dan zou het mij inderdaad een waar feest zijn, u bij deze gelegenheid een glas Spaanschen wijn aan te bieden, dien ik zelf van mijn reizen uit den Barancos di Santa Barbara heb meegebracht en dien ge wel nooit zult hebben geproefd, althans niet van deze zuiverheid, en prachtige kwaliteit!.…

„Daar komt juist mijn automobiel!

„Mag ik den heeren vriendelijk verzoeken, maar te willen instappen en plaats te nemen?”

Graaf Steineck en de burggraaf spraken eerst nog in vele bewoordingen de overbodigheid uit van dezen stap.

Zij waren er immers, zonder al deze formaliteiten maar al te zeer van overtuigd, dat rang en titel van hun vriend echt waren.

Zij twijfelden immers geen oogenblik!

Maar den commissaris, wien in dit oogenblik zijn handiger vriend Henry Stern geen goeden raad kon geven—den commissaris was dit redmiddel hoogst welkom.

En hij zat reeds in het voertuig, toen lord Brigham en na dezen, hoewel nog steeds tegenpruttelend en aarzelend, de beide edellieden plaats namen.

De auto vloog tuffend en puffend op zijn veerende wielen voort.

Na enkele minuten reeds hield zij stil voor het groote, voorname huis, waarvan de lord de eerste etage bewoonde.

Toen zij in de woning waren aangekomen, gaf de Engelschman in zijn moedertaal den bediende een bevel.

Daarna sprak hij, zich tot de drie heeren wendend:

„Vóórdat wij overgaan tot het zakelijke gedeelte, stel ik er prijs op, u met mijn wijn bekend te maken, waarvan ik zoo juist u den lof heb gezongen.

„Ik zal in dien tijd de papieren voor u halen, waarover ik u gesproken heb!”

De commissaris zou dolgraag den lord zijn gevolgd, die uit het Indische salon verdween door de bontkleurige draperieën.

Maar de waardigheid en de trotsche, kalme rust der beide adellijke heeren, die daar zoo waardig in hun makkelijke stoelen troonden, hielden hem aan zijn zetel gekluisterd. [30]

Hij haalde dan ook met verruimd gemoed adem, toen uit de aangrenzende kamer de stem van den lord weerklonk.

Deze sprak op den bekenden welluidenden toon:

„Een oogenblik nog, heeren! De papieren heb ik tusschen allerlei andere paperassen gelegd. Ik moet nog een oogenblik zoeken, maar dra zal ik alles hebben gevonden!”

Daarop volgde weer doodsche stilte.

En ook in het Indische salon zaten de drie heeren stokstijf en zwijgend bij elkaar te wachten.

Papiergeritsel was in den beginne nog vernomen.

Maar ook dat verstomde— —

En de eene minuut na de andere verliep.

Geen dienaar verscheen met den wijn.

Geen gentleman kwam terug met de papieren, die zijn adeldom zouden bewijzen.

Toen vijf minuten ongeveer waren verloopen, werd de commissaris héél erg ongeduldig.

Ook de beide heeren begonnen in hun gemakkelijke zetels onrustig heen en weer te schuiven.

Eindelijk besloot men, na gezamenlijk overleg, eens in de aangrenzende kamer te gaan kijken.

Het was toch gek!

Waar bleef de lord nu!

Maar toen de commissaris opstond om eens te gaan neuzen achter de bonte draperieën, maakte graaf Steineck bezwaren.

Hij sprak op ontevreden, eenigszins verwijtenden toon:

„Wij zijn hier in een vreemd huis, heeren! Ik hoop, dat ge daaraan zult blijven denken!”

„Ge hebt gelijk!” beaamde dadelijk de burggraaf.

„Maar toch, ik geloof niet, dat onze vriend het ons zou kwalijk nemen, als wij eens naar hem gaan kijken.… er kan hem immers best iets gebeurd zijn!”

„Zoudt ge denken?” vroeg Steineck, „neen, neen, dat zal het niet zijn! Lord Brigham zocht naar de papieren. Hij kon toch ook geen oogenblik vermoeden, dat men aan de echtheid van zijn adel zou twijfelen en nu liggen de papieren maar niet zoo dadelijk voor de hand!”

„Zeker, maar een ongeluk kan ieder toch overkomen! Wat denkt gij ervan, heer commissaris?”

De commissaris had totnogtoe weinig gezegd.

Hij voelde zich niet zoo heel erg op zijn gemak in tegenwoordigheid van die hooge oomes, die door hun gewichtig doen hem hier maar aan den stoel hielden gekluisterd.

En meer dan ooit voelde hij zijn gemis aan zelfstandigheid, dat hem belette, doortastend te handelen.

Maar nu kwam hij toch los.

Op de vraag van den burggraaf liet hij een spottend lachje hooren.

En hoewel de graaf onwillig met de schouders schokte en de wenkbrauwen hoog optrok, als kwam hem het gezegde van Von Hennequin dwaas voor, Peter Böcher liet zich daardoor ditmaal niet intimideeren.

Hij zei:

„Heeren, ik zal u mijn meening eens zeggen!

„Deze zoogenaamde lord houdt u en mij voor den gek!

„En u zult het mij zeker niet kwalijk nemen, als ik beweer, dat ik niet hier ben om mij door een oplichter een rad voor de oogen te laten draaien!

„Ik denk er niet aan, heeren, om ook maar één enkel oogenblik verder te gelooven aan de sprookjes, die deze zoogenaamde lord ons allemaal op den mouw tracht te spelden!

„Ik ga den boel eens verkennen!”

Böcher sprong op met resoluut gebaar.

Hij schoof de zware draperieën opzij en ging de aangrenzende kamer binnen.

De beide anderen keken elkander een paar seconden als verbluft aan.

Wat te doen? [31]

Zij aarzelden een oogenblik:

Maar na korte aarzeling volgden zij toch den commissaris.

„Nu, wat heb ik u gezegd?” riep de rechercheur uit op woesten toon.

„Wat zei ik? O! Wat ben ik dom geweest! Wat heb ik ondoordacht gehandeld! Ik had den kerel dadelijk moeten arresteeren!”

Inderdaad!

De kamer was leeg!

Heelemaal leeg!

En toen de heeren naar de deur gingen, die op de gang uitkwam, merkten zij tot hun niet geringe verbazing en schrik, dat deze—gesloten was.

Ook de uitgang, die van den Indischen salon naar buiten leidde, was versperd.

De bediende had dus zeker wel een andere opdracht gekregen dan Spaanschen wijn te halen uit den kelder en dezen den gasten te presenteeren.

Dat was een mooie geschiedenis.

Een fraaie boel!

Steineck en de burggraaf keken elkander aan met gezichten, die alles behalve aangename gewaarwording uitdrukten.

En de commissaris der recherche had van louter woede en spijt een hoofd, zoo rood als een kreeft.

O! had hij toch maar zijn zin gevolgd!

Was hij maar niet zoo wankelmoedig geweest, zoo slap aangedraaid!

Had hij maar eens op eigen initiatief gehandeld.

Wat had hij een spijt!

Een reuzenspijt!

„Wat moet ik nu beginnen!” riep hij uit in de grootste wanhoop.

„In plaats van een belooning te ontvangen, in plaats van promotie te maken, zal ik nu van mijn superieuren een duchtigen uitbrander krijgen!

„En gij, heeren! Gij zijt daaraan mede schuldig! Ja, inderdaad. Gij zijt medeplichtig!”

„Luister eens, beste vriend,” begon graaf Steineck met een hoog neusgeluid, „luister eens. Gij moet …— —eh— —eh— —gij moet— —neen, dat is toch niet de manier— —eh— —eh— —dat is toch waarlijk niet de juiste toon— —neen, niet de goede toon— —eh— —eh— —wat zegt gij er van, waarde burggraaf— —eh— —eh— —wat zegt gij er van— —is dat wel de juiste toon— —om tegen ons— —leden van de Millionairsclub— —zeg, burggraaf, wat denkt gij ervan— —eh— —eh— —eh!”— — —

„Daarom heeft daar straks ook de automobiel zoo geweldig gepuft”, sprak de burggraaf op nadenkenden toon— — —„en het geritsel in de kamer hiernaast— — —hield plotseling op— — —ja juist— — —dat heb ik dan toch wel goed gehoord— — —ik meende al— — —ik verbeeldde het mij toch zoo duidelijk— — —neen, neen— — —ik heb mij niet vergist— — —zeg eens, mijnheer de commissaris— — —hebt gij dat ook niet gehoord?— — —dat was toch heel duidelijk waarneembaar— — —niet waar, graaf?”

„Ja,— — —maar— — —eh— — —eh— — —heel duidelijk— — —inderdaad heel duidelijk— — —dat had die politieman toch moeten hooren— — —eh— — —eh— — —ja, waarom heeft die politieman dat niet gehoord— — —dat komt niet te pas— — —eh— — —eh— — —neen, dat komt niet te pas— — —als men toch commissaris van de politie is— — —van de recherche— — —dat is ongehoord— — —dat komt volstrekt niet te pas— — —eh— — —eh!”

Razend, als een getergd dier, trapte de commissaris net zoo lang tegen de gesloten deur, totdat deze open sprong.

Toen vloog hij de trap af—maar de automobiel was verdwenen.

Dat lord Brigham alias John Raffles in dit voertuig, dat puffend had staan wachten, de wijde wereld [32]was ingetrokken om daar vrijheid te zoeken en te vinden, begreep Peter Böcher al spoedig even duidelijk als de beide millionairs het deden, die nu ook naar beneden waren gekomen.

Men deed later, ook van den kant der Millionairsclub, alle mogelijke moeite om den handigen avonturier, die allen véél te slim was afgeweest, op te sporen.

Maar dit gelukte zelfs den onvermoeiden Henry Stern niet, die niets ongedaan liet.

Eerst veel, heel veel later zouden hij en de gezochte elkaar weer ontmoeten in het Indische sprookjesland, waar de natuur zóóvele wonderen heeft geschapen, dat zelfs de dolste avonturier er aan zijn ongebreidelde fantazie kan toegeven.

EINDE.