Nadat de heer Von Hartstein zich bij zijn speelpartners had verontschuldigd over zijn plotseling vertrek, begaf hij zich naar de feestzaal, waar hij na eenig zoeken zijn echtgenoote trof.
Mevrouw Adelheid had reeds naar haar man uitgezien om hem deelgenoot te maken van een opmerking welke zij gemaakt had.
Schijnbaar vroolijk babbelend liep zij aan zijn zijde, toen zij, naar een nis aan haar rechterzijde kijkend, sprak:
„Zie je dien heer daar, Maximiliaan? Hij is mij onbekend.”
De bankier keek onopgemerkt in de aangeduide richting en beweerde ook, dien heer niet te kennen.
„Het is mogelijk,” fluisterde hij, „dat een van onze gasten hem heeft geïntroduceerd. Dat zou niet volgens de gewoonte zijn, maar als er sprake is van een bal …”
Mevrouw Adelheid schudde het hoofd.
„Misschien ben ik op ’t oogenblik een beetje wantrouwend,” sprak zij, „maar je moest toch eens informeeren, Maximiliaan.”
„Dat zal ik doen,” antwoordde haar echtgenoot. „Laat ik je intusschen naar mevrouw Von Blendheim geleiden, die je zooeven wenkte. Daarna deel ik je mede, wat ik te weten kom.”
Een oogenblik later zat de jonge vrouw van den bankier naast haar oude vriendin, die zij fluisterend deelgenoote maakte van het gebeurde, terwijl mijnheer Von Hartstein tusschen de rijen der gasten doorliep en scherp uitkeek naar den detective.
Een der bedienden naderde hem met een zilveren blad vol gevulde glazen en sprak, den bankier aankijkend:
„Een glas Champagne, mijnheer?”
De bankier keek op.
Een glimlach vloog over zijn gelaat en terwijl hij een glas van het blad nam, fluisterde hij den bediende toe:
„Dat is snel gegaan, mijnheer Stern, ik zoek u juist.”
De detective, die zijn gezelschapstoilet had verwisseld met de grijze livrei, antwoordde, alsof het een bevel van zijn meester gold:
„Gij wilt mij opmerkzaam maken op den heer ginds in die nis, nietwaar mijnheer? Ik zag u zooeven met uwe vrouw daarlangs gaan.”
De bankier antwoordde niet, maar het viel hem moeilijk, zijn verwondering te verbergen over de bijna pijnlijke oplettendheid, die Henry Stern aan den dag legde, waar het de gewichtige zaak gold.
„Ik wilde nu gaarne mijn gang gaan,” vervolgde de detective, „ik vermoed namelijk, dat die heer, die ook mij reeds is opgevallen, hier niet lang meer zal blijven.”
„Verdenkt gij hem?” vroeg de bankdirecteur.
De detective, die nog steeds in dezelfde onderdanige houding het zilveren blad met de champagneglazen vasthield, sprak, terwijl hij zijn lippen nauwelijks bewoog:
„Dat zou te veel gezegd zijn, maar in elk geval past die man niet tusschen uw andere gasten, heer directeur.”
Intusschen ging de detective zijn champagne aan de andere gasten aanbieden en de gastheer zag, dat hij op deze wijze snel de deur naderde.
Nieuwsgierig of de geheimzinnige vreemdeling nog tegen de marmeren zuil in de nis geleund stond, richtte de bankier zijn schreden nogmaals daarheen, maar hij vond de plaats leeg. Dadelijk daarna kwamen een paar van zijn beste vrienden hem in een beursgesprek wikkelen, zoodat hij voorloopig niet meer aan het gestolen kleinood dacht.
Toen hij zich weer naar de speelzaal begaf om zijn hombre-partijtje voort te zetten, ontmoette hij nogmaals [6]zijn echtgenoote aan den arm van den schoonen, trotschen Engelschman, dien zij voor den geheelen avond tot haar cavalier scheen te hebben gekozen.
Een diepe blos kleurde haar wangen, toen zij haar echtgenoot zag. Deze echter knikte haar en haar cavalier met een goedigen glimlach toe.
De Lord beantwoordde dezen groet met een buiging van het hoofd en sprak:
„Uw man houdt blijkbaar heel veel van u, mevrouw de barones; zelfs het groote verlies, dat gij hem, zij het dan ook onwillens, hebt berokkend, bederft zijn goed humeur niet.”
„Ja, mijn man is heel goed,” antwoordde zij, „ik herinner mij niet, hem ook slechts een enkelen keer ontstemd te hebben gezien.”
„Gij geeft er hem zeker ook geen aanleiding toe.”
Een onderzoekende blik uit de donkere oogen van den man vloog langs de bloeiende vrouwengestalte.…
Adelheid von Hartstein was ten prooi aan de meest uiteenloopende gewaarwordingen, toen zij nu, zonder te weten, waarheen haar geleider haar bracht, bijna willoos aan zijn arm voortschreed.
Een jaar geleden, nauwelijks 18 jaar oud, was zij haar driemaal zoo ouden echtgenoot naar het altaar gevolgd.
Ook zij was van een oud-adellijk, maar verarmd geslacht en had daarom in haar eigen onderhoud moeten voorzien. Reeds maandenlang werkte zij op een der groote kantoren van den heer Von Hartstein, toen op een goeden dag de bankier zijn oog op haar liet vallen.
Hij scheen informaties omtrent haar te hebben ingewonnen, want na eenigen tijd liet hij haar bij zich roepen en sprak met een stem, die alle vastheid verloren had:
„Ik heb u iets te zeggen, juffrouw Von Sebald.”
Hij aarzelde een oogenblik en vervolgde toen:
„Het hangt van u zelf af, of ge mijn verzoek wilt inwilligen.”
Het jonge meisje had, ondanks zichzelf, gebloosd, had, nadat zij haar chef even had aangezien, haar mooie oogen neergeslagen en met een zekeren angst op zijn verdere woorden gewacht.
„Dat, wat ik u zou willen vragen, betreft alleen mijzelf,” had de bankier gezegd.
Daarop had hij weer gezwegen.
Adelheid von Sebald had diep blozend haar hoofdje nog meer gebogen, totdat plotseling haar chef zich tot haar neerboog, haar hoofd in zijn groote handen nam en sprak:
„Ik bemin u, Adelheid, en ik wilde graag, dat ge mijn vrouw werd.”
Zes weken later waren zij met elkaar getrouwd.
Alles was als in een droom gegaan. Het jonge meisje, dat nooit iemand had ontmoet, die diepen indruk op haar hart kon maken, was er zich nauwelijks van bewust, hoe groot het verschil in jaren en levensopvattingen was tusschen haar en haar man.
Toen zij eenmaal getrouwd was, werd haar dit wel duidelijk, maar de eindelooze goedheid van haar echtgenoot ruimde alles uit den weg wat anders misschien een onoverkomelijke hinderpaal ware geworden.
Nimmer was tot dusverre bij het zien van andere mannen de gedachte bij haar opgekomen, dat een ander misschien beter bij haar gepast zou hebben dan haar echtgenoot.
Nu echter was Adelheid von Hartstein onrustig geworden. Een gewaarwording, die haar verwarde en verrukte tegelijkertijd, maakte zich van haar meester, als zij in de zwarte oogen van den Engelschman keek, welke haar meer nog dan zijn woorden, zeiden, hoe ’n diepen indruk ook zij op hem had gemaakt.
Om zichzelf af te leiden, bracht zij, terwijl zij in een der kleinere zalen op een rustbank hadden plaats genomen, het gesprek weer op het verloren collier.
„Mijn echtgenoot heeft reeds werk gemaakt van het geval”, sprak zij, „en ik zelf meen ook iets te hebben opgemerkt, wat betrekking heeft op het geval.”
Zij gaf haar cavalier nu een beschrijving van den vreemdeling die haar was opgevallen en die nu verdwenen scheen te zijn.
„Maar hoe zou die man in uw nabijheid zijn gekomen,” sprak Lord Brigham, over wiens aristocratisch gelaat een glimlach gleed.
„Dat begrijp ik ook niet,” antwoordde Adelheid, nadenkend voor zich kijkend, „maar ik heb een zeker voorgevoel, dat van dien man een nadere verklaring te verkrijgen zou zijn.”
„Het zal moeilijk vast te stellen zijn, of die man werkelijk iets met den diefstal te maken heeft.”
„Ik geloof, dat mijn man de noodige stappen reeds [7]heeft gedaan. Hij staat reeds jarenlang met het detective-bureau in verbinding en dat zijn kranige, handige lieden.”
De Engelschman knikte.
„Dat is ook de eenige manier, ten minste als men een goed bureau aan de hand heeft.”
„O,” sprak de jonge vrouw, „het detectivebureau Rasmussen heeft den naam, het beste en meest betrouwbare van geheel Berlijn te zijn.”
Weer gleed een lachje langs de trekken van den Lord, die nu het gesprek op andere onderwerpen bracht.
— — — — — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — — —
Intusschen was Henry Stern den man, die zulk een opvallende verschijning in de oogen van mevrouw Adelheid was geweest, gevolgd. De vreemdeling had het gastvrije huis van den bankier reeds verlaten.
De raadselachtige man liep tamelijk snel de straten door, totdat hij een huurauto tegenkwam, waarin hij plaats nam.
Henry Stern bevond zich nog aan de andere zijde der straat, maar de auto zette zich nauwelijks in beweging of de detective zat er reeds achter op om op deze wijze den rit mee te maken.
Het was goed, dat zich slechts weinig menschen meer op straat bevonden, want het was een niet alledaagsch gezicht, een volwassen man als een echte straatjongen aan een auto te zien hangen.
In de buurt van het station Gesundbrunnen vertraagde het rijtuig zijn vaart en dadelijk sprong Henry Stern van den wagen af om terwijl hij in de schaduw der huizenrij voortliep het voertuig in het oog te houden.
Voor een der huizen hield de auto stil, de detective zag, dat de vreemdeling uitstapte, den koetsier betaalde, de huisdeur opensloot en naar binnen ging.
Zonder zich een oogenblik te bedenken, onderzocht Stern nu de zij-ingangen der huizen en reeds in het tweede vond hij een open huisdeur.
Hij snelde de gang door naar een binnenplaats, waar hij als een kat over de houten schutting klom, en toen hij 200 schreden verder was, herhaalde hij ditzelfde nogmaals.
Hij bevond zich nu in het huis, dat hem interesseerde, maar hij had geen flauw vermoeden waar de vreemdeling zich nu zou bevinden.
Plotseling viel zijn blik op een vrij hoog gelegen raam, dat nu verlicht was. Hier wilde hij even naar binnen kijken!
Snel besloten, zooals dat zijn gewoonte was, wist hij zich met behulp van een tapijtklopper, dien hij op de binnenplaats vond, omhoog te werken totdat hij de vensterbank van het verlichte raam kon vastgrijpen.
Als een eekhorentje was hij naar boven geklauterd en nu keek hij in de kamer, waarin zich een man bevond, die een blouse droeg en die er uitzag als een werkman. Hij was in gezelschap van twee jonge meisjes, blijkbaar behoorend tot de armzalige Berlijnsche nachtvlinders. De vierde persoon in de kamer was de vreemdeling, dien hij achtervolgde.
Zij stonden samen bij een tafel en bekeken blijkbaar iets, dat de vreemdeling hun liet zien. Daar zij echter, zooals zij daar naast elkaar stonden, den detective hun ruggen toewendden, was deze niet in staat, te onderscheiden, wat zoo de algemeene oplettendheid trok.
In zijn pogingen om beter naar binnen te kunnen kijken, deed de detective een misstap, waardoor hij bijna naar beneden was gerold. Hij wist echter zijn evenwicht te bewaren, maar moest snel zijn hoofd en bovenlijf terugtrekken om niet gezien te worden.
Daarbinnen had men het geluid gehoord, allen hadden zich omgedraaid en keken naar het venster.
Het kwam den detective nu veiliger voor om zijn observatiepost te verlaten. Hij liet zich weer naar beneden glijden en had juist de houten schutting, waarover hij zooeven was geklommen, bereikt, toen de deur, die van het huis naar de binnenplaats leidde, geopend werd.
De detective zag, dat de vier personen, die hij in de kamer had gezien, hem vervolgden. Hij hoorde een stem, die een hond aanzette en:
„Tyras, pak hem!” riep.
In hetzelfde oogenblik vloog een groote hond als een razende over de plaats en pakte Henry Stern, die juist over de schutting wilde klimmen, bij zijn jas.
De jonge detective had zijn langen gummiknuppel te voorschijn gehaald en gaf den hond daarmede een flinken slag op zijn snuit, zoodat het dier luid jankte.
Nu snelden ook de beide mannen toe en met een geweldigen sprong zwaaide Stern zich over de schutting [8]terwijl een flink stuk van zijn jas in den bek van den hond achterbleef.
De beide kerels waagden het blijkbaar niet, ook de schutting over te klimmen. Zij riepen hem echter na:
„Je zult ons toch niet ontsnappen, vervloekte speurhond!”
Het was reeds bijna 5 uur in den morgen, Henry Stern wachtte nog eenige minuten, maar toen alles rustig bleef, begaf hij zich naar buiten in de pikdonkere straat. Nadat hij het huisnummer en den straatnaam had genoteerd, snelde hij terug, totdat hij in een meer beschaafde wijk een huurrijtuig vond, waarmede hij zich, zeer tevreden over zijn werk, naar zijn bureau liet brengen. [9]